Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BA5052

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-04-2007
Datum publicatie
14-05-2007
Zaaknummer
13.497.040-2007
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank weigert de overlevering van de opgeeiste persoon aan de Public Prosecuter at the Court of Appeal of Athens ten behoeve van het in Griekenland tegen hem gerichte strafrechterlijke onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Wetsverwijzingen
Overleveringswet
Overleveringswet 2
Overleveringswet 23
Overleveringswet 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2007, 268
NBSTRAF 2007/268

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.040-2007

RK nummer: 07/784

Datum uitspraak: 6 april 2007

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 1 februari 2007 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 22 januari 2007 door de Public Prosecutor at the Court of Appeal of Athens, Griekenland.

Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeeiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

[adres]

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 23 maart 2007. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. V. Kraal, advocaat te Amsterdam gehoord.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een arrestatiebevel ten grondslag van de 25th Investigator at the Court of First Instance of Athens van 6 december 2006 ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul-dig heeft gemaakt aan een naar het recht van Griekenland strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

4. Verweren

De raadsman heeft bepleit dat de overlevering op grond van artikel 26, vierde lid van de OLW, dient te worden geweigerd omdat er geen sprake kan zijn van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht.

4.1 Uit het dossier blijkt het volgende.

De Griekse autoriteiten hebben een rechtshulpverzoek aan de Nederlandse autoriteiten gestuurd in verband met een onderzoek in Griekenland, nadat aangifte was gedaan van oplichting dan wel fraude. De Griekse autoriteiten beschikken naar aanleiding van deze aangifte over een fax waarin in het briefhoofd, onder meer, het volgende wordt vermeld: “FAX: [faxnummer]”.

Naar de rechtbank aanneemt hebben de Griekse autoriteiten onder meer naar aanleiding van deze gegevens vragen gesteld aan de Nederlandse autoriteiten. De rechtbank beschikt niet over de door de Griekse autoriteiten gestelde vragen.

In de antwoorden wordt het volgende opgemerkt:

“Middels een vordering zijn bij de betreffende telecomproviders de tenaamstellingen opgevraagd van de in het rechtshulpverzoek genoemde telefoonnummers. De providers verstrekten de volgende informatie (gegevens zoals die op of omstreeks 31 augustus 2006 bij de providers bekend was)(….) Nummer: [nummer] Soort: postpaid, Tenaamstelling: [opgeeiste persoon] (……)”.

Voorts is in de beantwoording van het rechtshulpverzoek het adres van de opgeëiste persoon opgegeven en wordt vermeld dat hij in Nederland geen criminele antecedenten heeft.

De Griekse autoriteiten hebben, zoals blijkt uit de brief van 21 februari 2007 aan het parket van de Officier van Justitie, op basis van de aldus verkregen informatie, een EAB uitgevaardigd.

4.2 Naar aanleiding van het uitgevaardigde EAB heeft de opgeëiste persoon de volgende stukken ingebracht:

- een brief van [naam], Telford B.V. afdeling Risk & Fraude, gericht aan de opgeëiste persoon, waarin het volgende wordt vermeld:

“ Ik heb de gegevens van dit telefoonnummer en uw abonnement nagezocht en u de volgende gevonden informatie verstrekt:

Het nummer [telnummer] is volgens de OPTA aangemaakt in 2002 door Telfort. Dit nummer is inactief gebleven (niet uitgegeven door Telfort) tot 11 augustus 2005. Op die datum is dit nummer voor uw abonnement geactiveerd. Op 2 oktober 2006 is dit nummer weer inactief geworden, omdat u uw abonnement heeft opgezegd. De opzegbrief is nog aanwezig bij Telfort.

In 2003 behoorde het nummer dus niet aan u toe (was zelfs niet actief).”

- een kopie van een brief van GSM WEB.NL van 11 augustus 2005, waarvan de opgeëiste persoon ter zitting een origineel heeft getoond, waarin de opgeëiste persoon welkom wordt geheten als klant van GSM WEB.NL en waarin wordt vermeld dat hij per 11 augustus 2005 bij provider Telfort op nummer [telefoonnummer] een abonnement heeft.

4.3 Op basis van deze informatie heeft de officier van justitie verklaard dat hij van mening is dat de overlevering van de opgeëiste persoon in dit geval niet toelaatbaar moet worden geacht. Hij acht in dit verband doorslaggevend dat van de betrokkenheid van de opgeëiste persoon onvoldoende is gebleken. Dit leidt echter aldus de officier van justitie niet, zoals de raadsman van de opgeëiste persoon heeft bepleit, tot een geslaagd onschuld verweer, maar tot de constatering dat er sprake is van ongenoegzaamheid der stukken en dus van strijd met artikel 2 OLW.

4.4 De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat in zijn algemeenheid op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, zoals neergelegd in de preambule bij het Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel, dient te worden uitgegaan van de juistheid van de verdenking die in de uitvaardigende lidstaat bestaat tegen een opgeëiste persoon. Dit is evenwel anders indien er zwaarwegende aanwijzingen zijn dat er sprake is dan wel kan zijn van een vergissing. In dergelijke gevallen kan er aanleiding zijn voor een nader onderzoek dan wel – in zeer bijzondere omstandigheden- voor een weigering.

In het onderhavige geval is de rechtbank van oordeel dat, gelet op alle gegevens zoals hierboven vermeld, waarbij in aanmerking is genomen dat door het Nederlandse openbaar ministerie diverse vragen zijn gesteld over de betrokkenheid van de opgeëiste persoon, er ten aanzien van de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de onderhavige feiten geen aanknopingspunten bestaan. Immers, is uit de aangeleverde informatie gebleken dat de enige verbinding tussen de opgeëiste persoon en het vermelde telefoonnummer is gelegen op een tijdstip ver na het plegen van het feit. Er zijn geen andere aanwijzingen waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon betrokken is bij het feit waarvoor de overlevering wordt gevraagd.

Nu de rechtbank uit vorenstaande niet kan afleiden dat de opgeëiste persoon de feiten onmogelijk gepleegd kan hebben, die mogelijkheid blijft immers theoretisch openstaan, zal de rechtbank het verweer van de raadsman ten aanzien van artikel 26, vierde lid, van de OLW niet volgen.

Gelet op al het vorenstaande acht de rechtbank derhalve de stukken ongenoegzaam, omdat niet is voldaan aan de vereisten die artikel 2 OLW aan het overleveringsverzoek stelt

5. Slotsom

Nu ten aanzien van het feit waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat niet aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden geweigerd.

6. Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 2 van de Overleveringswet.

7. Beslissing

WEIGERT de overlevering van [opgeeiste persoon] aan de Public Prosecutor at the Court of Appeal of Athens ten behoeve van het in Griekenland tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. J.M.J. Lommen-van Alphen, voorzit-ter,

mrs.E.D. Bonga-Sigmond en J.C. Boeree, rech-ters,

in tegenwoordigheid van mr. A.B. Boukema, grif-fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 6 april 2007.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.