Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BA5048

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-05-2007
Datum publicatie
14-05-2007
Zaaknummer
AWB 99/801 WET
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft ingevolge de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 subsidie ontvangen. Bij besluit van 24 augustus 1998 heeft verweerder de subsidie ingetrokken en een bedrag van fl. 33.000 teruggevorderd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 22 december 1998 is het bezwaar ongegrond verklaard, tegen welk besluit eiser beroep heeft ingesteld. De zaak is ter zitting van 25 mei 2000 behandeld en, na indiening van nadere stukken, gesloten. Het onderzoek is vervolgens heropend, omdat de rechtbank in de onderhavige zaak geen uitspraak heeft gedaan en sprake is van aanzienlijk tijdsverloop. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van verjaring. De rechtbank deelt dat standpunt en heeft aansluiting gezocht bij de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Nu sprake is van verjaring, kan verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet meer tot invordering van de verstrekte subsidie overgaan. Derhalve kan niet langer worden geoordeeld dat eiser nog een processueel belang heeft bij de onderhavige zaak. Eiser wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 99/801 WET

tussen:

[eiser], wonende te Amsterdam,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. E.G. van Heusden,

en:

de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

gevestigd te ’s Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door drs. J. Duthler en C.H.J. Lam.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 26 januari 1999, aangevuld bij brieven van 23 maart 1999 en

12 mei 2000, een beroepschrift ontvangen, gericht tegen het besluit van verweerder van

22 december 1998 (hierna: het bestreden besluit).

Ter zitting van 25 mei 2000 is het onderzoek geschorst en het vooronderzoek hervat. Verweerder heeft vervolgens nadere stukken ingediend en partijen hebben de gelegenheid gekregen om een reactie in te dienen. Nadat partijen vervolgens ingevolge artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toestemming hebben gegeven om een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, is het onderzoek gesloten. Vervolgens is het onderzoek heropend, omdat de rechtbank in de onderhavige zaak geen uitspraak heeft gedaan en er sinds de zitting van 25 mei 2000 aanzienlijke tijd is verstreken. Het onderzoek is vervolgens ter zitting van 19 april 2007 gesloten.

2. OVERWEGINGEN

Eiser ontving sedert 1 januari 1985 op grond van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984 (hierna: de Regeling), laatstelijk verleend bij beschikking van 23 april 1995, subsidie ten bedrage van fl 5.500,- per jaar ten behoeve van eisers koopwoning aan het [adres] te Amsterdam.

Bij besluit van 24 augustus 1998 (hierna: het primaire besluit) heeft verweerder de beschikking van 23 april 1995 met ingang van 2 april 1990 ingetrokken op de grond dat eiser niet heeft voldaan aan de voorwaarden en bepalingen van de Regeling. Verweerder heeft bij het primaire besluit voorts een bedrag van fl 33.000,- aan betaalde subsidie teruggevorderd.

Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat eiser in strijd met de Regeling niet heeft meegedeeld dat hij op 7 maart 1989 met

[betr[betrokkene] is gehuwd, die [betrokkene] op het [adres] te Amsterdam woonachtig is en zij over inkomsten beschikt. Eiser heeft verder verzwegen dat hij geruime tijd elders heeft gewoond en er meerdere personen op het [adres] te Amsterdam woonachtig waren, aldus verweerder.

Eiser heeft in beroep onder meer aangevoerd dat er sprake is van verjaring. Eiser heeft in dat kader verwezen naar artikel 3:309 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en zich op het standpunt gesteld dat een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling verjaart door verloop van vijf jaren.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel III van de derde tranche van de Awb is titel 4.2 van de Awb niet van toepassing op subsidies die zijn verleend voor de inwerkingtreding van deze titel op

1 januari 1998. De rechtbank stelt vast dat de Awb, ten tijde van belang, voor het overige geen bepalingen omtrent verjaring bevat. Ingevolge het bepaalde in artikel 3:326 van het BW zijn de bepalingen van titel 11 van Boek 3 van het BW, betreffende rechtsvorderingen, buiten het vermogensrecht van overeenkomstige toepassing, voor zover de aard van de betrokken rechtsverhouding zich daartegen niet verzet.

De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval, voor wat betreft de verjaring, met toepassing van de bepalingen van het BW dient te worden beslist. De rechtbank vindt voor dat oordeel steun in uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: AbRS), waarin eerder is geoordeeld dat algemene rechtsbeginselen, zoals onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking, van bestuursrechtelijke aard zijn wanneer hun werking zich doet gevoelen in door het bestuursrecht beheerste verhoudingen

(AbRS van 21 oktober 1996, AB 1996, 496 en AbRS van 26 augustus 1997, AB 1997/461). De rechtbank is van oordeel dat hiervan in dit geval sprake is. De verjaringsbepalingen in het BW geven immers uitdrukking aan het rechtszekerheidsbeginsel, zijnde een algemeen rechtsbeginsel dat zich doet voelen in de bestuursrechtelijke verhoudingen, waardoor enerzijds een bestuursorgaan na het verstrijken van een bepaalde termijn niet meer kan overgaan tot terug- of invordering van hetgeen onverschuldigd is betaald en anderzijds een burger financiële aanspraken jegens een bestuursorgaan na ommekomst van een bepaalde termijn niet meer kan afdwingen.

Ingevolge artikel 3:309 van het BW verjaart een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgend op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden en in ieder geval twintig jaren nadat de vordering is ontstaan.

Ingevolge artikel 3:316, eerste lid, van het BW wordt de verjaring van een rechtsvordering gestuit door het instellen van een eis, alsmede door iedere andere daad van rechtsvervolging aan de zijde van de gerechtigde, die in de vereiste vorm geschiedt.

In artikel 3:319, eerste lid, van het BW is onder meer bepaald dat door stuiting van de verjaring van een rechtsvordering, anders dan door het instellen van een eis die door toewijzing wordt gevolgd, een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen.

Blijkens het tweede lid van voornoemd artikel is de nieuwe verjaringstermijn gelijk aan de oorspronkelijke, doch niet langer dan vijf jaar.

Eiser heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de vordering van verweerder door het verstreken tijdsverloop thans is verjaard en verweerder derhalve, naar de rechtbank begrijpt, niet meer tot invordering van de verstrekte subsidies kan overgaan.

De rechtbank stelt voorop dat zij is gehouden om een besluit te toetsen naar de situatie waarop dit door een bestuursorgaan is genomen (ex tunc). Indien evenwel moet worden geoordeeld dat voornoemde grief van eiser slaagt, kan niet worden geoordeeld dat eiser nog een procesbelang bij de onderhavige procedure heeft en dient eiser naar het oordeel van de rechtbank niet-ontvankelijk te worden verklaard. De rechtbank ziet zich derhalve voor de vraag gesteld of de grief van eiser doelt treft. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat, ingevolge artikel 3:309 van het BW, de verjaringstermijn is aangevangen op de dag nadat verweerder bekend is geworden met het bestaan van de vordering op eiser. De rechtbank stelt in dat kader vast dat verweerder tot en met 1998 subsidie aan eiser heeft verstrekt. Op 8 april 1998 is eiser door een rechercheur van de Dienst Recherchezaken van verweerder gehoord. Gelet op de uitkomsten van dat verhoor, is de rechtbank van oordeel dat verweerder vanaf dat moment ontegenzeggelijk bekend is geraakt met het bestaan van de vordering op eiser en de verjaringstermijn mitsdien op 9 april 1998 is aangevangen.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verweerder deze verjaringstermijn heeft gestuit. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) wordt een verjaring gestuit door een schriftelijke en ondubbelzinnige mededeling van de schuldeiser aan de schuldenaar dat tot terugvordering zal worden overgegaan (onder meer CRvB van

30 maart 2004, LJN: AP0028). Nu verweerder bij het primaire besluit een dergelijke schriftelijke en ondubbelzinnige mededeling aan eiser heeft gedaan, is de rechtbank van oordeel dat verweerder hiermee de verjaring heeft gestuit.

De rechtbank overweegt vervolgens dat, gelet op het bepaalde in artikel 3:319 van het BW, een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaren is gaan lopen. Verweerder diende deze verjaringstermijn opnieuw binnen vijf jaren te stuiten teneinde verjaring van de vordering te voorkomen. Los van de vraag of verweerder tot of op de zitting van 25 mei 2000 nog stuitingshandelingen heeft verricht, is de rechtbank van oordeel dat verweerder deze verjaringstermijn niet (tijdig) heeft gestuit. Niet gesteld of gebleken is immers dat verweerder in de periode van 25 mei 2000 tot 1 januari 2006, zijnde een periode van meer dan vijf jaren, nog stuitingshandelingen heeft verricht. Eerst in het jaar 2006 heeft verweerder weer een aanmaning aan eiser gestuurd, zoals verweerder heeft gesteld. Nu verweerder derhalve in een periode van meer dan vijf jaren geen stuitingshandelingen heeft verricht, is de rechtbank van oordeel dat de vordering van verweerder op eiser thans is verjaard.

Aan het vorenstaande doet niet af dat het bestreden besluit ter toetsing aan de rechtbank voorlag. Zoals de Hoge Raad reeds eerder heeft overwogen (bij uitspraak van 14 mei 2004, NJ 2005, 236), kan een vordering immers verjaren gedurende de periode dat deze vordering materieel onderwerp is van een gerechtelijke procedure en deze procedure niet ingevolge artikel 3:316, eerste lid, van het BW aanhangig is gemaakt door de gerechtigde op de vordering, zoals ook in dit geval aan de orde is. De gerechtigde op de vordering, in dit geval verweerder, is alsdan gehouden om stuitingshandelingen te (blijven) verrichten, op straffe van verjaring van de vordering. Nu verweerder dit evenwel heeft nagelaten, is de rechtbank van oordeel dat de vordering van verweerder op eiser is verjaard en verweerder derhalve niet meer tot invordering van de verstrekte subsidies zal kunnen overgaan.

Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiser in dit geval geen processueel belang meer heeft bij een rechterlijk oordeel omtrent de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Niet gesteld of gebleken is dat eiser anderszins nog belang heeft bij een dergelijk oordeel. De rechtbank zal het beroep van eiser mitsdien niet-ontvankelijk verklaren.

Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan op 11 mei 2007 door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. H. van Hoeven, griffier,

en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

de griffier de rechter

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: B