Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BA5008

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-02-2007
Datum publicatie
14-05-2007
Zaaknummer
351057
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over nalatenschap tussen de zoon van erflater uit zijn eerste huwelijk enerzijds en de tweede echtgenote van erflater anderzijds. Zoon berust niet in het testament en beroept zich op legitieme. Opeisbaarheid van de vordering op de legitieme. Oud recht. Uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 351057 / HA ZA 06-3004

Vonnis van 21 februari 2007

in de zaak van

A,

wonende te,

eiser,

procureur mr. J.F.M.J. Mathijsen,

tegen

B,

wonende te,

gedaagde,

procureur mr. H. Loonstein.

Partijen zullen hierna A en B genoemd worden.

1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 22 augustus 2006, met bewijsstukken

- de akte inlichtingen verstek, met bewijsstukken

- de conclusie van antwoord,

- het tussenvonnis van 15 november 2006,

- het proces-verbaal van comparitie van 20 december 2006 en de daarin genoemde nog overgelegde bewijsstukken.

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1 Op 8 augustus 2001 is overleden C (hierna: erflater).

2.2 Erflater is in eerste echt gehuwd geweest met D uit welk huwelijk drie - thans nog levende - kinderen zijn geboren, onder wie A. Het huwelijk is door echtscheiding geëindigd. Erflater is in tweede echt, in algehele gemeenschap van goederen, gehuwd geweest met B, geboren 4 april 1938, welk huwelijk is geëindigd door het overlijden van erflater. Uit dit huwelijk zijn geen kinderen geboren.

2.3 Erflater heeft laatstelijk over zijn nalatenschap beschikt bij testament van

6 december 1993 (hierna: het testament). Kort gezegd heeft hij daarbij B en zijn drie kinderen, ieder voor een gelijk deel, tot zijn erfgenamen benoemd en heeft hij op de voet van artikel 4:1167 (oud) BW een zogenaamde ouderlijke boedelverdeling gemaakt, een en ander met benoeming van B tot executrice testamentair.

Het testament luidt onder meer als volgt:

“(...)

C. BOEDELVERDELING.

Gebruikmakende van de door artikel 4:1167 en volgende van het Burgerlijk Wetboek gegeven bevoegdheid verdeel ik bij deze (...) tussen mijn echtgenote en mijn overige erfgenamen mijn nalatenschap als volgt:

1. Ik deel toe aan mijn voornoemde echtgenote: alle goederen en rechten die tot mijn nalatenschap zullen blijken te behoren (...)

2. Ik deel toe aan mijn overige erfgenamen: een vordering in contanten, ten laste van voornoemde echtgenote wegens de aan deze gedane overbedeling, voor ieder ten bedrage van het hem of haar in het saldo van mijn nalatenschap toekomende netto-erfdeel (...)

D. BEPALINGEN EN BEDINGEN

Deze boedelverdeling vindt plaats onder de navolgende bepalingen en bedingen:

1. (...)

2. (...)

3. De sub C.2. aan mijn overige erfgenamen toegedeelde vorderingen in contanten ten laste van mijn echtgenote zullen eerst opeisbaar zijn bij haar overlijden. (...)

4. Over de hoofdsom is geen rente verschuldigd.

5. (...)

6. Ingevolge het vorenstaande is de vordering van ieder van mijn overige erfgenamen

normaal pas opeisbaar na het overlijden van mijn echtgenote.

Ik heb dit bepaald ter verzorging van mijn echtgenote na mijn overlijden. Ik verzoek mijn

overige erfgenamen deze bepaling te aanvaarden en te bekrachtigen.

Mocht een van mijn legitimarissen van mening zijn dat door het niet opeisbaar zijn van

zijn vordering zijn legitieme is geschonden, gezien de inkomens- en/of vermogenspositie

van mijn echtgenote en hij daarom het verschuldigde opeist, dan zal zijn vordering

opeisbaar zijn, voorzover zijn legitieme portie door deze niet-opeisbaarheid mocht zijn

aangetast.

7. Het bepaalde sub 6. is echter met betrekking tot een legitimaris eerst van kracht indien hij op grond van het bepaalde sub E in de legitieme wordt gesteld.

E. BEKRACHTIGING

Verder bepaal ik dat de sub C.2. bedoelde vordering van diegene van mijn legitimarissen die weigert de bij deze akte gemaakte uiterste wilsbeschikkingen binnen drie maanden na door mijn echtgenote daartoe gedaan verzoek schriftelijk te bekrachtigen, gelijk zal zijn aan het bedrag van zijn legitieme portie.

(...)

2.4. A heeft het testament niet schriftelijk bekrachtigd.

2.5. Op 17 juli 2002 is ter zake van de nalatenschap van erflater een verklaring van erfrecht opgemaakt. Daarin staat vermeld dat bij voornoemd testament geen wijziging in de wettelijke vererving is aangebracht, zodat erflater tot zijn enige en algehele erfgenamen heeft achtergelaten zijn echtgenote en zijn drie kinderen, ieder voor één/vierde gedeelte. Ook staat daarin vermeld dat op dit testament op 15 maart 1999 een aanvulling is gemaakt, maar dat die aanvulling geen effect sorteert door het overlijden van erflater vóór B.

2.6. Bij brief van 23 juni 2005 heeft mr. E van

notariskantoor E te Zwijndrecht aan A de vordering van ieder kind uit de nalatenschap van erflater op B berekend op f. 225.610,00 (€ 102.377,35). Daarbij stelt zij ervan te zijn uitgegaan dat ieder van de kinderen het testament van erflater heeft bekrachtigd. Mocht dat niet het geval zijn dan bepaalt het testament, aldus E, dat degene die weigert om het testament te bekrachtigen een vordering op B verkrijgt die gelijk zal zijn aan zijn legitieme portie, welke zij (E) heeft berekend op f. 168.004,75 (€ 76.237,23).

2.7. Bij brief van 13 november 2005 heeft A aan notaris E onder meer laten weten dat het hem sinds haar (E’s) brief van 7 november 2005 duidelijk is geworden dat hij geen recht meer heeft op zijn erfdeel, dat het nooit de bedoeling is geweest om zijn deel op te eisen, maar dat hij vanwege de manier waarop alles is gelopen geen vertrouwen meer heeft in B en hij nu zijn legitieme portie opeist.

3. Het geschil

3.1 A vordert dat B, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, wordt

veroordeeld:

tot betaling aan A, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, een bedrag van

€ 76.237,23, alsmede vergoeding voor buitengerechtelijke kosten ad € 2.127,72, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 4:84 van het Burgerlijk Wetboek te rekenen vanaf 13 november 2005 tot aan de dag der algehele voldoening,

- alsmede in de kosten van deze procedure, het salaris procureur alsmede de nakosten daaronder begrepen, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het door de rechtbank te wijzen eindvonnis, en - voor het geval voldoening binnen deze termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de periode na het aflopen van deze termijn.

3.2. A legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij, nu hij het testament niet

heeft bekrachtigd, op grond van artikel E van het testament een opeisbare vordering op B heeft verkregen die gelijk is aan zijn legitieme portie. Voorzover de legitieme portie van A door enige niet opeisbaarheid op grond van het testament zou zijn aangetast is de vordering opeisbaar op grond van artikel D sub 6 van het testament, aldus A. Voorts voert A aan dat op de nalatenschap het oude erfrecht van toepassing is aangezien de erflater voor de inwerkingtreding van het nieuwe erfrecht is overleden en de overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek (hierna: Ow NBW) bovendien niet bepaalt dat de vordering van haar opeisbaarheid zou zijn ontdaan.

3.3. B bestrijdt de vordering.

Primair voert zij daartoe aan dat A in het testament heeft berust, uitdrukkelijk althans stilzwijgend. Ter adstructie daarvan verwijst zij naar de brief van A van 13 november 2005 en de verklaring van recht.

Voorts stelt zij dat A heeft geweigerd het testament tijdig te bekrachtigen.

Dit alles betekent, aldus B, dat A heeft berust in de ouderlijke boedelverdeling, de niet-opeisbaarheid van zijn legitieme portie en het feit dat deze renteloos is. Aldus heeft A volgens het testament een niet-opeisbare vordering, die gelijk is aan zijn legitieme portie. De legitieme portie is volgens B gelet op de gemaakte ouderlijke boedelverdeling en/of de (verdere) inhoud van het testament nihil, althans de vordering van A is pas opeisbaar bij overlijden van B. In ieder geval bedraagt de legitieme portie niet het door A gestelde bedrag.

Subsidiair voert B aan dat A met het opeisen van zijn legitieme portie in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt. Er is niet alleen sprake van een lang tijdsverloop, maar ook heeft A de indruk gewekt dat hij instemde met het testament. Bovendien zal, indien A zijn legitieme portie opeist de financiële positie van B verslechteren, aldus B.

Voorts beroept B zich op het nieuwe erfrecht. Nu het moment waarop A zijn legitieme portie opeist zoveel jaren na het openvallen van de nalatenschap ligt dient voornoemd moment te gelden als peildatum voor het toepasselijke recht, aldus steeds B.

3.4. Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Uitgangspunt voor de beoordeling van het geschil is het testament van erflater van

6 december 1993 (zie hiervoor onder 2.3).

Op grond van het testament hebben de kinderen indien zij het testament bekrachtigen een vordering uit de nalatenschap op B van één/vierde gedeelte. Indien zij echter weigeren het testament schriftelijk te bekrachtigen binnen drie maanden na een verzoek daartoe van B is hun vordering beperkt tot de legitieme portie.

4.2. Tussen partijen staat vast dat A het testament niet schriftelijk heeft bekrachtigd als bedoeld in het testament. Beiden gaan er dan ook – terecht - vanuit dat A alleen recht heeft op de legitieme portie.

4.3. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van B dat A uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend in het testament heeft berust. Dit standpunt valt immers niet te rijmen met haar andere stelling dat A heeft geweigerd het testament tijdig te bekrachtigen. Kennelijk gaat B er vanuit dat A enerzijds het testament heeft geweigerd tijdig te bekrachtigen, waardoor hij alleen recht heeft op de legitieme, en anderzijds in het testament heeft berust, waarmee hij kennelijk alleen heeft berust in de niet-opeisbaarheid van de vordering op de legitieme, hetgeen weinig aannemelijk voorkomt en ook niet is gebleken. Uit het enkele feit dat A te kennen heeft gegeven dat het nooit de bedoeling is geweest om een deel van de erfenis op te eisen kan – anders dan B kennelijk meent - een stilzwijgende laat staan uitdrukkelijke berusting in het testament niet worden afgeleid, en al helemaal niet een specifiek deel van het testament, namelijk alleen de niet-opeisbaarheid maar niet het erfdeel. Dat A heeft berust/ingestemd met de niet-opeisbaarheid van zijn vordering op de legitieme kan ook niet worden afgeleid uit de verklaring van erfrecht. Evenmin is uit deze stukken een afstand van recht of rechtsverwerking af te leiden, voor het geval B al heeft bedoeld hierop een beroep te doen.

4.4. Als kernpunt van het geschil resteert (de opeisbaarheid van) de vordering op de legitieme portie en welk recht hierop van toepassing is.

4.5. Voor wat betreft het toepasselijke recht heeft het volgende te gelden. De nalatenschap is opengevallen vóór de inwerkingtreding van het nieuwe erfrecht in Boek 4 BW op 1 januari 2003. Dit brengt niet zonder meer mee dat het oude erfrecht op de verdeling van deze nalatenschap van toepassing is. De hoofdregel in artikel 68a Ow NBW luidt immers dat de nieuwe wettelijke regels vanaf het tijdstip van inwerkingtreding onmiddellijk worden toegepast, tenzij uit bijzondere bepalingen iets anders voortvloeit. Bij het beroep op de legitieme is dat het geval. Artikel 128 Ow NBW bepaalt dat een legitimaris van een nalatenschap die is opengevallen voor het inwerkingtreden van de wet zijn bevoegdheden uitsluitend kan uitoefenen overeenkomstig het tevoren geldende recht. Voor analoge toepassing van het nieuwe recht, zoals B bepleit, is geen plaats.

Dat betekent dat uitgangspunt het testament blijft, met dien verstande echter dat voor de legitieme portie de bepalingen van het vóór 1 januari 2003 geldende recht van toepassing zijn.

4.6. Omvang legitieme portie

De hoogte van de legitieme portie moet worden berekend aan de hand van het vóór 1 januari 2003 geldende recht. Notaris E komt tot een bedrag van f. 168.004,75

(€ 76.237,23). Daarbij heeft zij als uitgangspunt genomen de berekening van het zuiver saldo van de nalatenschap door F accountants belastingadviseurs, die de basis is geweest voor de aangifte van het recht van successie door B.

A sluit zich bij deze berekening aan, B niet. Volgens B kan voor de bepaling van de omvang van de legitieme portie niet de successieaangifte als uitgangspunt worden genomen, omdat vlak na het overlijden van erflater de aandelenkoersen drastisch zijn gedaald door “9-11”.

Het standpunt van B kan niet slagen. Peildatum voor de waardering van de nalatenschap is het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van erflater op 8 augustus 2001. In dit kader is er dan ook geen plaats voor gebeurtenissen op 9 september 2001.

Als verder niet dan wel onvoldoende betwist, gaat de rechtbank uit van de berekening door notaris E van de legitieme portie op € 76.237,23.

4.7. Opeisbaarheid

4.7.1. Voor de opeisbaarheid van de vordering op de legitieme heeft het volgende te gelden.

De rechtbank begrijpt het bepaalde in artikel D sub 6 van het testament aldus dat de vordering van de legitimarissen op hun legitieme meteen opeisbaar is voor zover (en in zoverre) B, gezien haar inkomens- en vermogenspositie, het bedrag dat op grond van de legitieme kan worden opgeëist, niet nodig heeft voor haar verzorging.

Onder het vóór 1 januari 2003 geldende recht werd het naar algemeen gangbare opvattingen van moraal en fatsoen als een onafwijsbare plicht beschouwd om, indien nodig, naar de mate van het mogelijke te zorgen voor het onderhoud van de langstlevende echtgenoot; de nakoming van zodanige verzorgingsverplichting – hetzij bij handeling onder de levenden, hetzij bij uiterste wilsbeschikking – werd aangemerkt als het voldoen aan een natuurlijke verbintenis, voor zover de verzorging, gelet op de omstandigheden waaronder de echtgenoten leefden en de langstlevende achterblijft, het redelijke niet te buiten ging (HR 30 november 1945, NJ 1946,62 G-H). Daarmee en inzoverre werd vóór 1 januari 2003 de langstlevende beschermd tegen een beroep op de destijds direct opeisbare legitieme portie.

4.7.2. B heeft aangevoerd dat betaling van de vordering aan A zou betekenen dat zij haar leven rigoureus anders moet inrichten, dat zij elders zal moeten gaan wonen en dat haar financiële positie nu al niet ruim is, maar dat die dan slechter wordt.

4.7.3. Uit de overgelegde aangifte voor het recht van successie kan worden afgeleid dat op de datum van het overlijden van erflater B’s helft van de huwelijksgoederengemeenschap een bedrag van € 350.550,20 bedroeg.

B stelt dat zij een inkomen uit pensioen uit de zaak van erflater heeft van € 970,-- bruto per maand, dat zij een eigen pensioen heeft van € 250,-- per maand en daarnaast AOW heeft.

Voorts stelt B dat haar woning onbelast is, maar dat zij een extra plus hypotheek van ongeveer € 30.000,-- heeft moeten nemen voor het onderhoud. Daarnaast betaalt zij onroerende zaak belasting op basis van een WOZ-waarde van € 400.000,--.

Zij rijdt in een veertien jaar oude auto.

4.7.4. Deze gegevens bieden onvoldoende steun voor het standpunt van B dat zij het bedrag van de legitieme in redelijkheid voor haar verzorging nodig heeft. Haar inkomens- en vermogenspositie lijkt ruimschoots voldoende. Mocht zij hier een beroep willen doen op de daling van de waarde van de effectenportefeuille, dan dienen daarvoor concrete gegevens te worden aangereikt. Nu deze ontbreken, luidt het oordeel dat het voor een redelijke verzorging van haar niet nodig is dat de legitieme portie van A eerst later, bij haar overlijden, opeisbaar zal zijn. De vordering van A is daarom thans opeisbaar.

4.8. Wettelijke rente

A vordert de wettelijke rente met een beroep op het thans geldende artikel 4:84 BW.

B stelt daar tegenover dat volgens het testament geen rente is verschuldigd.

Dit laatste is juist. De rechtbang begrijpt de vordering van A daarom aldus dat hij de wettelijke rente vordert als bedoeld in artikel 6:119 BW. Deze is toewijsbaar vanaf de dag van dagvaarding, 22 augustus 2006.

4.9. Buitengerechtelijke kosten

Nu niet is weersproken dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten ad € 2.127,72 zijn gemaakt en dat deze redelijk zijn, zijn deze toewijsbaar.

4.10 Proceskosten

B zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

De kosten aan de zijde van A worden begroot op:

- dagvaarding € 84,87

- overige explootkosten 0,00

- betaald vast recht 112,00

- in debet gesteld vast recht 1.613,00

- salaris procureur 1.788,00 (2 punt × tarief EUR 894,00)

Totaal € 3.597,87.

Voor toewijzing van nog eventueel te maken nakosten is thans geen plaats. Zonodig kan een bevelschrift als bedoeld in artikel 237 van het Wetboek van Rechtsvordering worden verzocht.

4.11. Uitvoerbaarverklaring bij voorraad

Tegenover de vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis heeft gedaagde, zonder nadere motivering, verzocht dit niet te doen.

Voor de beslissing op deze vordering moet worden nagegaan of op grond van de omstandigheden van het geval het belang van degene die de veroordeling verkrijgt zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij bij behoud van de bestaande toestand tot op een rechtsmiddel tegen het vonnis is beslist. Daarbij heeft voorts te gelden dat degeen die een veroordeling tot betaling van een geldsom verkrijgt, zoals A, vermoed wordt het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad te hebben. Daartegenover is het belang van B bij handhaving van de bestaande toestand onvoldoende gebleken.

De rechtbank zal de vordering dan ook toewijzen.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. veroordeelt B om aan A te betalen een bedrag van € 78.364,95 (achtenzeventig duizend driehonderd vierenzestig euro en vijfennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 augustus 2006 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt B in de proceskosten, aan de zijde van A tot op heden begroot op € 3.597,87, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf vijftien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 19.23.25.728 ten name van MVJ Arrondissement Amsterdam onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door M. van Hees en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2007.