Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BA4825

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-05-2007
Datum publicatie
10-05-2007
Zaaknummer
AWB 05-3996 WRO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In het beroepschrift hebben eisers - kort gezegd - betoogd dat het bouwplan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing, zodat geen vrijstelling verleend had mogen worden. Voorts hebben zij aangevoerd dat de vrijstelling in strijd is met de bouwverordening van de gemeente Amsterdam. Bovendien heeft geen zorgvuldig onderzoek plaatsgevonden naar de elementen die gewoonlijk in een Hoogbouw Effect Rapportage worden onderzocht. Verder is ondeugdelijk onderzoek verricht naar onder meer daglichttoetreding en windhinder, aldus eisers. Ten slotte hebben eisers aangevoerd dat geen deugdelijke belangenafweging heeft plaatsgevonden alsmede dat gehandeld is in strijd met diverse beginselen van behoorlijk bestuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 05/3996 WRO

van:

[eiser 1] en [eiser 2],

(hierna aangeduid als respectievelijk [eiser 1] en [eiser 2]),

en anderen (bijlage 1 van het beroepschrift),

allen wonende te Amsterdam,

eisers,

tegen:

het dagelijks bestuur van stadsdeel Oost/Watergraafsmeer,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. E.A. Minderhoud.

Tevens heeft als partij aan het geding deelgenomen:

Delta Forte B.V., gevestigd te Amsterdam, vertegenwoordigd door mr. F. Swart.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 26 augustus 2005 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 19 juli 2005 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 21 maart 2007.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Feiten en omstandigheden

Op 20 juni 2003 heeft Snippe Projecten B.V. verweerder verzocht een bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een gebouw aan de James Wattstraat, 1e Ringdijkstraat en Eenhoornstraat (hierna: het bouwplan).

Op 18 augustus 2004 is de aanvraag gewijzigd als gevolg waarvan onder meer het aantal te bouwen woningen met 56 zou toenemen.

Bij besluit van 20 december 2004 heeft verweerder met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening (WRO) de gevraagde bouwvergunning verleend (hierna: het primaire besluit).

Eisers hebben bij brief van 26 januari 2005 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Op 22 maart 2005 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek van eisers tot schorsing van het primaire besluit afgewezen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard, onder aanvulling van de overwegingen van de bezwaarschriftencommissie (hierna: de commissie) ten aanzien van de ruimtelijke onderbouwing.

Bij besluit van 23 augustus 2005 met kenmerk 2005-10460 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland goedkeuring verleend aan bestemmingsplan De Eenhoorn (hierna: het goedkeuringsbesluit).

Op 11 juli 2006 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek van eisers tot schorsing van het bestreden besluit afgewezen.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 27 september 2006 (LJN: AY8946) het goedkeuringsbesluit vernietigd omdat het is genomen in strijd met de zorgvuldigheid en niet berust op een deugdelijk motivering. De Afdeling heeft hierbij onder meer overwogen dat zonder nadere onderbouwing niet aannemelijk is dat het onnodig is om een vergelijking te maken tussen de gevolgen van autonome groei voor de luchtkwaliteit en de gevolgen van realisatie van het bestemmingsplan voor de luchtkwaliteit ter plaatse van de Wibautstraat, omdat planrealisering niet leidt tot een toename van verkeer op de Wibautstraat. Volgens de Afdeling heeft het college van gedeputeerde staten zich er onvoldoende van vergewist of, wat betreft de overschrijding ter plaatse van de Wibautstraat, aan het bepaalde in artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005) kan worden voldaan.

Het Ingenieursbureau van de Gemeente Amsterdam (hierna: IBA) heeft nader onderzoek verricht naar de luchtkwaliteit. De uitkomsten van dit onderzoek zijn neergelegd in de rapportage “Onderzoek luchtkwaliteit De Eenhoorn” van 25 januari 2007 (hierna: IBA-rapport 2007). Volgens de conclusies van dit rapport kan niet zonder meer geconcludeerd worden dat sprake is van een situatie waarbij de concentratie van stikstofdioxide en fijn stof als gevolg van het bestemmingsplan per saldo verbetert of gelijk blijft. Er is echter sprake van moeilijk te kwantificeren, geringe afwijkingen die leiden tot een gunstiger beeld vanwege de fasegewijze realisering van het bestemmingsplan en het ontbreken van precieze verkeersprognoses. Bovendien is de verbetering van de luchtkwaliteit ten gevolge van het in uitvoer komen van het actieplan luchtkwaliteit niet meegenomen in dit onderzoek, zodat noodgedwongen is uitgegaan van te conservatieve gegevens, aldus het IBA-rapport 2007.

2.2 Standpunt van eisers

In het beroepschrift hebben eisers - kort gezegd - betoogd dat het bouwplan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing, zodat geen vrijstelling verleend had mogen worden. Voorts hebben zij aangevoerd dat de vrijstelling in strijd is met de bouwverordening van de gemeente Amsterdam (hierna: de bouwverordening). Bovendien heeft geen zorgvuldig onderzoek plaatsgevonden naar de elementen die gewoonlijk in een Hoogbouw Effect Rapportage (hierna: HER) worden onderzocht. Verder is ondeugdelijk onderzoek verricht naar onder meer daglichttoetreding en windhinder, aldus eisers.

Ten slotte hebben eisers aangevoerd dat geen deugdelijke belangenafweging heeft plaatsgevonden alsmede dat gehandeld is in strijd met diverse beginselen van behoorlijk bestuur.

2.3 Standpunt van verweerder

In het verweerschrift heeft verweerder de standpunten van eisers bestreden.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.4 Juridisch kader

Artikel 9 van de Woningwet bepaalt dat, voor zover de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de voorschriften van het desbetreffende bestemmingsplan, eerstbedoelde voorschriften buiten toepassing blijven.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden om te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet mag alleen en moet een reguliere bouwvergunning worden geweigerd indien het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, niet voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit, het bouwwerk niet voldoet aan de voorschriften van de bouwverordening, het bouwwerk in strijd is met het bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zo’n plan zijn gesteld, het bouwwerk niet voldoet aan redelijke eisen van welstand of indien voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze is geweigerd.

Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het eerste lid van artikel 19 van de WRO, voor zover hier van belang, kan vrijstelling van het geldende bestemmingsplan worden verleend, mits het betrokken project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Onder goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005 nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden dan wel bij de toepassing van wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 genoemde grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes, lood, koolmonoxide en benzeen in acht.

Ingevolge het tweede lid worden onder de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden en toepassingen van wettelijke voorschriften in ieder geval begrepen de bevoegdheden op grond van - voor zover van toepassing - artikel 10 en artikel 19 van de WRO.

Ingevolge het derde lid kunnen bestuursorganen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van dat lid mede uitoefenen indien:

a. de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft.

Ingevolge artikel 37 van het Blk 2005 treedt het besluit in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en werkt het ten aanzien van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van dit besluit, die zijn uitgeoefend voor dat tijdstip en na 4 mei 2005 terug tot laatstgenoemde datum.

Bij Koninklijk Besluit van 1 augustus 2005, geplaatst in het Staatsblad op 4 augustus 2005, is bepaald dat het Blk 2005 in werking treedt op de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.

Het Blk 2005 is derhalve op 5 augustus 2005 in werking getreden. Het bestreden besluit dateert van 19 juli 2005, dus na 4 mei 2005, zodat het Blk 2005 in dit geval van toepassing is.

Ingevolge het bepaalde in artikel 5 van bestemmingsplan De Eenhoorn en de bijbehorende plankaart, is de maximum bouwhoogte voor het bouwplan 31 meter.

Artikel 20 van bestemmingsplan De Eenhoorn bepaalt - voor zover thans van belang - dat het dagelijks bestuur bevoegd is vrijstelling te verlenen van de bepalingen in het bestemmingsplan in dier voege dat: (...)

d. de in de voorschriften toegestane maximale bouwhoogten, anders dan bedoeld in c, met ten hoogste 3 meter worden overschreden ten behoeve van lift- en trappenhuizen (...).

2.5 Ontvankelijkheid

In geschil is allereerst of eisers ontvankelijk zijn in hun beroep.

Uit de gedingstukken blijkt dat [eiser 1], desgevraagd, heeft aangegeven dat zij op persoonlijke titel het bezwaarschrift heeft ingediend. Bovendien is het bezwaarschrift door zowel [eiser 1] als [eiser 2] ondertekend. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het bezwaarschrift ook door hen persoonlijk is ingediend, zodat [eiser 1] en [eiser 2] in hun beroep ontvankelijk zijn. De rechtbank is evenwel van oordeel dat niet gebleken is dat [eiser 1] en [eiser 2] in het beroep optreden namens de in bijlage 1 van het beroepschrift genoemde 12 bewoners van het [naam woning]. Er zijn immers geen schriftelijke machtigingen ontvangen namens deze bewoners. Deze bewoners zullen derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard in het beroep.

2.6 Inhoudelijke geschil

2.6.1 Artikel 19:2 WRO: verklaring van geen bezwaar

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het - ten tijde van belang vigerende - bestemmingsplan De Eenhoorn II. Om deze strijdigheid op te heffen heeft verweerder op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling verleend. Naar het oordeel van de rechtbank was verweerder daartoe bevoegd zonder dat hiervoor een verklaring van geen bezwaar van het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland was vereist. Uit de Nota “Beleid artikel 19 van de WRO” van 10 februari 2004 blijkt dat de bouwaanvraag behoort tot een door gedeputeerde staten van Noord-Holland aangewezen categorie van gevallen waarvoor een dergelijke verklaring niet is vereist. Immers, gesteld noch gebleken is dat het hier in geding zijnde bouwplan een project betreft dat afwijkt van provinciaal ruimtelijk beleid of van ruimtelijk rijksbeleid. Voorts is geen sprake van een speerpunt van beleid.

2.6.2 Artikel 19:2 Ruimtelijke onderbouwing

In het bestreden besluit heeft verweerder voor wat betreft de ruimtelijke onderbouwing verwezen naar het advies van de commissie van 15 juli 2005. De commissie heeft geconstateerd dat verweerder voor de ruimtelijke onderbouwing aanknoopt bij het Stedenbouwkundig Programma van Eisen (hierna: SPvE). Verder heeft de commissie erop gewezen dat voor de ruimtelijke onderbouwing tevens dient te worden aangesloten bij het bestemmingsplan De Eenhoorn, dat ten tijde van belang ter goedkeuring bij gedeputeerde staten van Noord-Holland lag.

In beginsel dient bij de beoordeling van het bestreden besluit te worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden, waaronder de geldende regelgeving, ten tijde van het nemen van dat besluit. Op grond van de jurisprudentie van de Afdeling is echter tevens relevant of het nog niet onherroepelijke bestemmingsplan dat dient ter ruimtelijke onderbouwing van het vrijstellingsbesluit naar verwachting niet zal worden goedgekeurd (ABRvS 14 maart 2007, LJN: BA0643). Onder omstandigheden dient in geval van een in procedure zijnd bestemmingsplan dan ook rekening te worden gehouden met later geconstateerde gebreken. In dit geval heeft de Afdeling na de totstandkoming van het bestreden besluit het besluit van gedeputeerde staten inzake de goedkeuring van het bestemmingsplan vernietigd. Deze vernietiging is gegrond op de omstandigheid - samengevat - dat de aannames van gedeputeerde staten - in navolging van verweerder - inzake de toename van het verkeer op de Wibautstraat en daarmee samenhangend de eventuele verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse, onvoldoende met onderzoeksgegevens zijn onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder geacht worden de ontwikkelingen en aannames betreffende de luchtkwaliteit in het algemeen en als gevolg van het bouwplan reeds ten tijde van het bestreden besluit te hebben moeten voorzien. Op grond van deze omstandigheden is er volgens de rechtbank plaats voor het bij de toetsing betrekken van na het bestreden besluit ter beschikking gekomen informatie omtrent die luchtkwaliteit.

In dit verband moet gewezen worden op de resultaten van een nieuw onderzoek naar de luchtkwaliteit, het IBA-rapport 2007, dat een nadere invulling is van de prognoses omtrent verkeer en luchtkwaliteit zoals die golden ten tijde van het bestreden besluit. De rechtbank acht van belang dat de normoverschrijdingen waartoe IBA heeft geconcludeerd, geen aanzienlijke overschrijdingen inhouden. De door IBA berekende normoverschrijding van de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide varieert van 0,1 tot maximaal 0,4 microgram/m³. Dit betekent een overschrijding van slechts 0,25% tot maximaal 1%. Voor fijn stof is slechts een maximale toename van 1 overschrijdingsdag berekend, hetgeen een maximale overschrijding van 2,86 % betekent. De rechtbank acht niet aannemelijk dat deze maximale normoverschrijdingen gehaald zullen worden. De constatering in het IBA-rapport 2007 dat niet zonder meer geconcludeerd kan worden dat de concentratie van stikstofdioxide en fijn stof als gevolg van het bestemmingsplan per saldo verbetert of gelijk blijft, wordt door IBA immers nadrukkelijk genuanceerd vanwege de fasegewijze realisering van het bestemmingsplan, het ontbreken van precieze verkeersprognoses en het feit dat de verbetering van de luchtkwaliteit ten gevolge van het in uitvoer komen van het actieplan luchtkwaliteit niet is meegenomen in het onderzoek. Daarbij komt dat niet aannemelijk is te achten dat het bouwplan, een studentenwooncomplex, gelet op zijn aard en beoogde doelgroep, op zichzelf een zodanige verkeersaantrekkende werking zal hebben dat een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse is te verwachten. Zoals reeds is overwogen door de voorzieningenrechter in voornoemde uitspraak van 11 juli 2006, betreft het immers een woonbestemming voor studenten die slechts in beperkte mate van de auto gebruik plegen te maken. Verder is nog van belang dat het bestemmingsplan fasegewijs zal worden gerealiseerd, hetgeen te meer aannemelijk maakt dat de maximale normoverschrijdingen niet zullen worden gehaald. Ten slotte acht de rechtbank in dit verband nog van belang de voorgestelde wijziging van de Wet milieubeheer inzake luchtkwaliteitseisen, waaruit - kort gezegd - volgt dat projecten niet “in betekenende mate” negatief bijdragen aan de luchtkwaliteit als het negatief effect onder de 3% blijft.

Tegen deze achtergrond bezien acht de rechtbank de met bestemmingsplan De Eenhoorn samenhangende normoverschrijdingen, indien deze zich al voordoen, zodanig minimaal, dat niet aannemelijk is dat deze een reëel effect zullen hebben op de luchtkwaliteit. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat niet gezegd kan worden dat aan bestemmingsplan De Eenhoorn zodanige gebreken kleven op het gebied van de luchtkwaliteit, dat dit niet als een goede ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan kan worden beschouwd. Hierbij is nog van belang dat de Afdeling in de geconstateerde gebreken kennelijk geen aanleiding heeft gezien om de goedkeuring te onthouden aan bestemmingsplan De Eenhoorn. De rechtbank acht het voorts aannemelijk dat de door de Afdeling geconstateerde lacunes in de eerdere luchtkwaliteitsonderzoeken in afdoende mate zijn ingevuld door het IBA-rapport 2007.

Nu evenmin is gebleken van procedurele tekortkomingen in de totstandkoming van bestemmingsplan De Eenhoorn en het SPvE, zoals door eisers is betoogd, komt de rechtbank tot de slotsom dat het bestreden besluit is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing.

2.6.3 De toetsing aan de bouwverordening

Eisers hebben gesteld dat het bouwplan in strijd is met de bouwverordening, gelet op de ligging, hoogte en omvang van de nieuwbouw. Verweerder heeft gewezen op de voorrang van voorschriften op grond van het bestemmingsplan ingevolge artikel 9 van de Woningwet. Voorts heeft verweerder gesteld dat een volledige afweging inzake toegang van licht en lucht in woningen wordt geacht te zijn gemaakt bij het vrijstellingsbesluit.

De rechtbank overweegt dat de toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO een integrale vrijstelling van de geldende voorschriften van het bestemmingsplan impliceert en

- voor de toepassing van die voorschriften - daarvoor in de plaats treedt. Uit artikel 9 van de Woningwet volgt dat, voor zover de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de voorschriften van het desbetreffende bestemmingsplan, eerstbedoelde voorschriften buiten toepassing blijven, zodat het beroep van eisers op de voorschriften van de bouwverordening geen steek kan houden.

2.6.4 Vrijstelling 19:2 WRO getoetst aan het Besluit luchtkwaliteit 2005

Met de beroepsgrond van eisers dat de luchtkwaliteit met het bouwplan verder zal verslechteren, ligt de vraag voor of het bouwplan waarvoor vrijstelling is verleend op zichzelf toetsing aan het bepaalde in artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, van het Blk 2005 kan doorstaan. Het aanvankelijke standpunt van verweerder dat de rechtbank aan deze beroepsgrond voorbij dient te gaan omdat eisers dit punt pas in beroep hebben opgeworpen, is ongegrond. Weliswaar is deze beroepsgrond niet letterlijk in het bezwaarschrift opgenomen, maar het onderwerp lucht is daarin wel genoemd. Bovendien blijkt uit de gedingstukken dat luchtkwaliteit reeds langer een twistpunt is tussen partijen, onder meer in verband met bestemmingsplan De Eenhoorn.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat een overschrijding van de norm uit artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, van het Blk 2005 voor het bouwplan niet aannemelijk is. Immers, blijkens hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen zijn overschrijdingen met een reëel effect op de luchtkwaliteit voor het gehele bestemmingsplan De Eenhoorn reeds niet aannemelijk. Daarbij komt dat het bouwplan slechts een onderdeel van dat gehele bestemmingsplan is. Bovendien is, gelet op de aard van het bouwplan, niet aannemelijk dat het verkeer dat daarmee samenhangt in betekenende mate zal bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. De rechtbank is overigens op laatstgenoemde grond met verweerder van oordeel dat verweerder heeft kunnen afzien van een specifiek op het bouwplan toegespitst onderzoek naar de luchtkwaliteit. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit toetsing aan het Blk 2005 doorstaat.

2.6.5 Strijd met de Hoogbouw Effect Rapportage/Bouwbesluit 2003

Volgens eisers heeft geen zorgvuldig onderzoek plaatsgevonden naar de elementen die gewoonlijk in een HER worden onderzocht. Eisers hebben gewezen op tekortkomingen in de door verweerder uitgevoerde zonnestudie en het windhinderonderzoek, alsmede onduidelijkheid met betrekking tot de totale achteruitgang in daglichttoetreding.

Ten aanzien van deze aspecten overweegt de rechtbank, zoals de Afdeling reeds heeft overwogen onder rechtsoverweging 2.8. van bovengenoemde uitspraak, dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zich niet één van de situaties voordoet, genoemd in de beleidsnotitie “De Hoogbouweffect-rapportage”, waarvoor het opstellen van een HER is aangewezen. Daarom gaat de rechtbank voorbij aan de stellingen van eisers op dit punt.

2.6.6 Het vrijstellingsbesluit voor het overige getoetst

De rechtbank komt vervolgens toe aan de vraag of verweerder overigens in redelijkheid en zonder in strijd te komen met beginselen van behoorlijk bestuur, vrijstelling op grond van 19, tweede lid, van de WRO heeft kunnen verlenen. Vooropgesteld wordt dat verweerder beleidsvrijheid toekomt bij de beantwoording van de vraag of vrijstelling moet worden verleend. Dit betekent dat de rechtbank de besluitvorming van verweerder hieromtrent terughoudend dient te toetsen.

Naar het oordeel van de rechtbank is uit hetgeen eisers hebben gesteld omtrent woningnood van bewoners van het [naam woning], de ombouw van kantoren, het gebruik van de Leegstandwet en een alternatief bouwplan voor kavel D, niet gebleken van een onevenredige belangenafweging door verweerder. In dit verband wordt opgemerkt dat in een geval als het onderhavige, verweerder enkel dient te beoordelen of vrijstelling kan worden verleend voor het voorliggende bouwplan. Eventuele alternatieve bouwplannen blijven daarbij buiten beschouwing.

Uit hetgeen eisers hebben gesteld, is de rechtbank niet gebleken dat het bestreden besluit tot stand is gekomen in strijd met zorgvuldigheidsbeginsel of het motiveringsbeginsel. Ter zake van het beroep van eisers op het vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank dat de enkele omstandigheid dat in de Ontwikkelingsvisie Eenhoorngebied 2002 wordt uitgegaan van een maximaal aantal bouwlagen van 6, niet met zich meebrengt dat eisers daaraan de gerechtvaardigde verwachting konden ontlenen dat verweerder nimmer een vrijstelling zou verlenen voor een bouwplan met een hoger aantal bouwlagen.

Vastgesteld dient te worden dat de liftopbouw met een hoogte van 34,48 meter, hoger is dan de maximumhoogten genoemd in bestemmingsplannen De Eenhoorn II en De Eenhoorn.

Ingevolge bestemmingsplan De Eenhoorn, dat heeft gefungeerd als ruimtelijke onderbouwing van het bestreden besluit, is voor de liftschacht een vrijstelling mogelijk tot 34 meter, zodat een overschrijding resteert van 0,48 meter.

Met verweerder is de rechtbank evenwel van mening dat, gelet op de geringe overschrijding van 0,48 meter op de totale 34 meter en de ruime afstand van minimaal 52 meter tot de woningen, de overschrijding van de bouwhoogte visueel niet of nauwelijks effect heeft. De rechtbank is dan ook niet van oordeel dat verweerder op deze grond in redelijkheid geen vrijstelling heeft kunnen verlenen.

De slotsom is derhalve dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Hetgeen door eisers overigens is aangevoerd, kan niet tot een andersluidend oordeel leiden. Het beroep van eisers zal derhalve ongegrond worden verklaard.

Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten of een vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep van de in bijlage 1 van het beroepschrift genoemde eisers niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 1 mei 2007 door mr. J.J. Bade, rechter, in tegenwoordigheid van M.P. Osinga, griffier, en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De rechter,

(Niet in staat te tekenen)

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

DOC: B