Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BA4576

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-02-2007
Datum publicatie
08-05-2007
Zaaknummer
323896
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

gevolgen van fusie voor brandverzekering, uitleg polisvoorwaarden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2008, 79
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 323896 / HA ZA 05-2522

Vonnis van 14 februari 2007

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HANDELMIJ ROESTVRIJ BV,

gevestigd te Helmond,

eiseres,

procureur: eerst mr. L.P. Broekveldt, thans mr. P.N. van Regteren Altena,

tegen

1. de naamloze vennootschap

FORTIS CORPORATE INSURANCE N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

gedaagde,

procureur mr. F.B. Falkena,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

procureur mr. F.B. Falkena,

3. de commanditaire vennootschap

AON NEDERLAND C.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

procureur mr. C.W.M. Lieverse.

Partijen zullen hierna Roestvrij, Fortis, Delta Lloyd en Aon genoemd worden. Fortis en Delta Lloyd zullen voorts gezamenlijk worden aangeduid als “de verzekeraars”.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaardingen van 16 augustus 2005 en 18 augustus 2005, met bewijsstukken,

- de conclusie van antwoord van de zijde van de verzekeraars,

- de conclusie van antwoord van de zijde van Aon, met bewijsstukken,

- het tussenvonnis van 14 december 2005,

- het proces-verbaal van comparitie van 5 oktober 2006, met de door Roestvrij, de verzekeraars en Aon ingebrachte aantekeningen.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Roestvrij handelt in roestvrije industrieproducten. Zij is gevestigd in de haar in eigendom toebehorende opstallen gelegen aan de Vossenbeemd 109 te Helmond (hierna: de opstallen).

2.2. Via bemiddeling van Aon heeft Handelmaatschappij Roestvrij B.V. (hierna: “Roestvrij (oud)”), rechtsvoorgangster van Roestvrij, met ingang van 1 januari 1997 ten behoeve van de opstallen een brandverzekering afgesloten onder polisnummer B00843945 (hierna: de brandverzekering). De polis is ondertekend door Tollener & Wegener, gevolmachtigd agent van de bij die polis verbonden verzekeraars.

2.3. Nadat per 1 januari 2002 de assuradeurenverdeling op deze polis was gewijzigd, heeft Fortis daarin een aandeel van 60% en Delta Lloyd een aandeel van 40% verkregen.

2.4. Op deze brandverzekering zijn van toepassing de Nederlandse Beurs Brandvoor-waarden (hierna: de polisvoorwaarden), die, voor zover van belang, luiden als volgt:

“1 Begripsomschrijvingen

In deze polis wordt verstaan onder:

(...)

1.6 Goederen

Grond- en hulpstoffen, halffabrikaten, eindproducten, goederen in bewerking, emballage, reinigingsmiddelen en brandstoffen.

(...)

11. Verzekerd belang. Overgang.

11.1 Ten aanzien van goederen strekt de verzekering ten behoeve zowel van verzekerde als van derden, onverschillig wanneer die derden belanghebbenden zijn geworden, met of zonder lastgeving.

11.2. Ten aanzien van de overige verzekerde zaken geldt, dat de verzekering het verzekerd belang volgt indien en voor zover het op een ander overgaat, echter met inachtneming van het in 11.2.1 en 11.2.2 bepaalde.

11.2.1 Na overgang van het verzekerd belang door overlijden kunnen zowel de nieuwe verzekerde als verzekeraars de overeenkomst opzeggen binnen 3 maanden nadat zij daarvan kennis hebben gekregen, met inachtneming van een termijn van 30 dagen.

11.2.2 Na overgang van het verzekerd belang anders dan door overlijden vervalt de overeenkomst door verloop van 30 dagen, tenzij de nieuwe verzekerde binnen die termijn aan verzekeraars heeft verklaard, dat hij de verzekering overneemt. In dat geval mogen de verzekeraars binnen 30 dagen na ontvangst van deze verklaring de overeenkomst aan de nieuwe verzekerde met een termijn van ten minste 8 dagen opzeggen.”

2.5. In november 2000 zijn Roestvrij (oud) en Avesta Sheffield B.V. (hierna: Avesta Sheffield) een juridische fusie (hierna: de fusie) aangegaan in de zin van artikel 2:309 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Als gevolg hiervan is Roestvrij (oud) per 14 december 2000 opgehouden te bestaan. Haar vermogen is per die datum onder algemene titel overgegaan op Avesta Sheffield.

2.6. Op 27 maart 2001 is de statutaire naam van Avesta Sheffield gewijzigd in Avesta Polarit. Tot 12 januari 2004 is deze vennootschap de naam Roestvrij als handelsnaam blijven gebruiken. Op laatstgenoemde datum is de statutaire naam opnieuw gewijzigd in Outokumpu B.V. In januari 2005 is deze naam weer veranderd in de huidige naam: Handelmij Roestvrij B.V.

2.7. Na de totstandkoming van de fusie is aan de verzekeraars nimmer een verklaring uitgebracht dat het verzekerd belang is overgegaan.

2.8. Op 16 januari 2002 heeft brand gewoed in de opstallen. Daarbij is schade ontstaan tot een bedrag van € 1.219.550,--.

3. Het geschil

3.1. Roestvrij vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

de verzekeraars, ieder voor het aandeel dat haar aangaat, veroordeelt tot betaling van € 1.214.550,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2002, met hoofdelijke veroordeling van de verzekeraars in de kosten van het geding;

subsidiair:

Aon veroordeelt tot betaling van € 1.214.550,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2002, met veroordeling van Aon in de kosten van het geding.

3.2. De door Roestvrij telkens gevorderde hoofdsom is het onder 2.7. genoemde schadebedrag, na aftrek van een bedrag van € 5.000,-- wegens eigen risico.

3.3. Primair vordert Roestvrij van de verzekeraars nakoming van de brandverzeke-ring, door uitkering van de gevorderde hoofdsom.

3.4. De verzekeraars voeren verweer. Zij baseren hun weigering om tot uitkering over te gaan op artikel 11.2 in verbinding met artikel 11.2.2 van de polisvoorwaarden (zie hiervoor onder 2.4.). Doordat de in artikel 11.2.2 bedoelde verklaring niet tijdig aan hen is uitgebracht, is de brandverzekering 30 dagen nadat op 14 december 2000 het verzekerd belang was overgegaan op Avesta Sheffield, vervallen. Ten tijde van de brand op 16 januari 2002 was er derhalve geen sprake meer van een brandverzekering, aldus nog steeds de verzekeraars.

3.5. Roestvrij voert in reactie hierop aan dat als gevolg van de fusie tussen Avesta Sheffield en Roestvrij (oud), die immers inhield dat eerstgenoemde vennootschap de voortzetter is van de volledige rechtspositie van laatstgenoemde vennootschap, geen overgang van een verzekerd belang als bedoeld in artikel 11.2. van de polisvoorwaarden heeft plaats gehad. Bovendien ziet dit artikel, behoudens de uitzondering van artikel 11.2.1 in geval van overlijden, niet op een overgang onder algemene titel, of op de overgang van het verzekerd belang van Roestvrij (oud) op Avesta Sheffield als gevolg van de juridische fusie tussen beide. Zou dit anders zijn, dan zou ook een afzonderlijke bepaling zijn opgenomen voor de overgang onder algemene titel die plaatsvindt doordat tussen huwelijkspartners door boedelmenging een gemeenschap van goederen ontstaat. Een dergelijke bepaling ontbreekt echter. Dit alles betekent volgens Roestvrij dat de verzekering het verzekerd belang is gevolgd en dus op Avesta Sheffield, thans Roestvrij is overgegaan.

3.6. Mochten de hierboven genoemde polisvoorwaarden in het onderhavige geval wel van toepassing zijn, dan stelt Roestvrij dat het beroep van de verzekeraars op deze polisvoorwaarde in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, nu er geen reden is te veronderstellen dat, bij een tijdige mededeling aan verzekeraars, deze de verzekeringsovereenkomst zouden hebben opgezegd. Volgens Roestvrij is er geen sprake van een wijziging in activiteiten of handelsnaam, maar komt de fusie uitsluitend neer op een verandering in de statutaire naamgeving.

3.7. De verzekeraars stellen in reactie hierop dat voor de beoordeling of toepassing van artikel 11.2.2. van de polisvoorwaarden in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, niet ter zake doet of zij bij een tijdige melding de verzekering zouden hebben opgezegd, en dat overigens tussen partijen geenszins vaststaat dat zij dat niet zouden hebben gedaan.

3.8. Subsidiair, indien de rechtbank mocht oordelen dat de verzekeraars niet hoeven uitkeren, stelt Roestvrij dat Aon jegens haar niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend tussenpersoon mocht worden verwacht, omdat Aon volgens Roestvrij ervoor had moeten zorg dragen dat, na de overgang van het verzekerd belang, aan Tollener & Wegener werd doorgegeven dat Avesta Sheffield de brandverzekering van Roestvrij (oud) had overgenomen. Roestvrij vordert schadevergoeding ter hoogte van het bedrag dat de verzekeraars volgens haar zouden hebben uitgekeerd als hun tijdig was gemeld dat het verzekerd belang was overgegaan op Avesta Sheffield.

Volgens Roestvrij moet Aon hebben geweten dat Avesta Sheffield de handelsactiviteiten van Roestvrij (oud) had overgenomen. Voor 1997 was de premienota van Roestvrijs toenmalige brandverzekering gericht aan “Roestvrij”. Vanaf 1997 tot en met 2001 was de premienota voor de brandverzekering gericht aan “Roestvrij p/a Avesta Sheffield”. Vanaf 2002 werden de nota’s verzonden aan “Roestvrij p/a Avesta Polarit B.V.”, aldus Roestvrij. Deze wijzigingen hadden Aon in elk geval ertoe moeten bewegen bij Roestvrij (oud) dan wel Avesta Sheffield navraag te doen. Aon zou dan van de fusie op de hoogte zijn gekomen en Tollener & Wegener op de hoogte hebben kunnen stellen.

3.9. Aon voert verweer. Zij stelt dat zij niet van de fusie op de hoogte was of behoorde te zijn. Volgens haar waren de premienota’s van de verzekering, zowel vóór als na de fusie, steeds op naam gesteld van “Handelmaatschappij Roestvrij B.V.”. Deze nota’s zijn steeds zonder mankeren betaald. Overige correspondentie is ook verzonden aan “Handelmaatschappij Roestvrij B.V.”, zij het “p/a Avesta Polarit B.V.”. Volgens Aon was er ten tijde van de voor haar onbekende fusie dan ook geen enkele reden om een onderzoek in te stellen.

4. De beoordeling

De primaire vordering

4.1. De fusie tussen Roestvrij (oud), als verdwijnende vennootschap, en Avesta Sheffield, als verkrijgende vennootschap, heeft een overgang onder algemene titel van het verzekerd belang op Avesta Sheffield tot gevolg gehad. Dit volgt uit artikel 3:80 lid 2 in verbinding met artikel 2:309 BW.

Roestvrij kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat deze overgang niet wordt bestreken door meergenoemde artikelen 11.2 en 11.2.2 van de polisvoorwaarden. De formulering van deze bepalingen laat daarvoor geen ruimte. Uit die bepalingen volgt ondubbelzinnig, dat iedere overgang anders dan door overlijden binnen 30 dagen aan verzekeraars dient te worden gemeld op straffe van verval van de verzekering. Nu artikel 11.2.1. handelt over een overgang door overlijden, kan de conclusie niet anders zijn dan dat het begrip “overgang” in artikel 11.2 tevens overgangen onder algemene titel omvat. Niet aannemelijk is dat vervolgens artikel 11.2.2 slechts zou zien op overgangen onder bijzondere titel, zodat de polisvoorwaarden geen nadere uitwerking van artikel 11.2 zouden kennen in geval van andere overgangen onder algemene titel dan door overlijden, zoals een juridische fusie. Immers, naar de verzekeraars met recht betogen, is de ratio van artikel 11.2.2, dat een verzekeraar de mogelijkheid moet hebben niet iedere opvolgende rechtsverkrijgende (op dezelfde voorwaarden) als verzekerde te hoeven aanvaarden, terwijl juist bij fusies van rechtspersonen sprake kan zijn van een aanmerkelijke verzwaring van de aan de verzekering verbonden risico’s.

Dat artikel 11.2 van de polisvoorwaarden geen afzonderlijke regeling kent voor de overgang onder algemene titel als gevolg van boedelmenging bij het ontstaan van een gemeenschap van goederen, maakt dat niet anders. Evenmin is van belang dat artikel 263 van het Wetboek van Koophandel (oud), waarin was bepaald dat de verzekering het verzekerd belang volgt, niet ziet op een overgang onder algemene titel. Deze bepaling is immers van regelend recht, zodat daarvan kan worden afgeweken.

De conclusie is, dat beide clausules van toepassing zijn.

4.2. Dit oordeel betekent dat de rechtbank toekomt aan Roestvrijs stelling dat het beroep van de verzekeraars op artikel 11.2.2. van de voorwaarden in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Ter toelichting van dit beroep op artikel 6:248 lid 2 BW stelt Roestvrij dat de verzekeraars, bij een tijdige verklaring als bedoeld in artikel 11.2.2, Avesta Sheffield zonder meer als nieuwe verzekerde zouden hebben aanvaard en derhalve geen gebruik zouden hebben gemaakt van de mogelijkheid de verzekering op te zeggen.

De verzekeraars bestrijden dit gemotiveerd.

4.3. Gelet op de aard van het in artikel 6:248 lid 2 BW neergelegde criterium (“onaanvaardbaarheid”), is terughoudendheid bij de toepassing daarvan geboden. Strekking van artikel 11.2.2 is dat een verzekeraar moet kunnen beoordelen of hij de rechtsopvolger van zijn verzekerde eveneens wenst te verzekeren en, zo ja, of hij dit onder dezelfde voorwaarden wenst te doen. In het bijzonder zal hij er belang bij hebben te kunnen beoordelen of sprake is van een verzwaring van de aan de verzekering verbonden risico’s Derhalve kan, anders dan Roestvrij betoogt, niet worden geoordeeld dat de verzekeraars geen rechtens te respecteren belang hebben bij toepassing van artikel 11.2.2. Naar de verzekeraars terecht hebben aangevoerd, staat het hun immers op grond van dit artikel vrij, ook bij tijdige melding van de overgang van het verzekerd belang, de verzekering om hen moverende redenen op te zeggen. Nu Roestvrij de verzekeraars een beoordeling als bedoeld in artikel 11.2.2 heeft ontnomen, zodat zij aan een dergelijke beoordeling niet hebben kunnen toekomen, kan zonder bijzondere omstandigheden, die echter niet zijn gesteld of gebleken, niet worden geoordeeld dat toepassing van artikel 11.2.2 van de polisvoorwaarden in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. In dit verband is nog van belang dat de rechtsopvolgster van Roestvrij (oud) nalatig is geweest de overgang van het verzekerd belang aan de verzekeraars te melden, hoewel artikel 11.2.2 van de polisvoorwaarden omtrent de gevolgen daarvan glashelder is. Dat Roestvrij kennelijk destijds geen kennis had genomen van deze polisvoorwaarde of zich de betekenis daarvan niet had gerealiseerd, is eveneens een omstandigheid die in relatie tot de verzekeraars voor haar rekening komt. Nu Roestvrij geen andere, klemmende, feiten of omstandigheden ter zake heeft gesteld, heeft zij niet aan haar stelplicht voldaan, zodat de rechtbank haar bewijsaanbod passeert. Haar beroep op artikel 6:248 lid 2 BW wordt verworpen.

4.4. Dit alles leidt tot de slotsom dat het verweer van de verzekeraars slaagt. Roestvrijs primaire vordering zal worden afgewezen.

4.5. Roestvrij zal als de ten aanzien van de primaire vordering in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten van de verzekeraars. Deze worden tot op heden begroot op € 4.584,= wegens vast recht en € 6.422,-- (2 punten à tarief € 3.211,--) voor salaris procureur, totaal € 11.006,=.

Ten aanzien van de subsidiaire vordering.

4.6. Nu de primaire vordering wordt afgewezen, komt de rechtbank toe aan een beoordeling van de jegens Aon ingestelde subsidiaire vordering.

4.7. De rechtbank kan Roestvrijs stelling dat Aon weet had van de fusie of daarvan redelijkerwijs weet behoorde te hebben, niet volgen. Ter onderbouwing daarvan heeft Roestvrij slechts gewezen op een wijziging van de adressering van de premienota’s per 1 januari 1997 en 1 januari 2002. Aon heeft daartegenover onbetwist gesteld dat de tenaamstelling van de verzekering niet is gewijzigd, dat er slechts sprake is van wijziging van een correspondentieadres en dat alle premienota’s zijn verzonden aan “Handelmaatschappij Roestvrij B.V.” en zonder mankeren zijn betaald.

Naar het oordeel van de rechtbank behoefde Aon uit de wijziging van het correspondentie-adres nog niet af te leiden dat sprake was van een overgang van het verzekerd belang als bedoeld in artikel 11.2.2 van de polisvoorwaarden, waaromtrent een mededeling aan de verzekeraars moest worden gedaan, op straffe van verval van de verzekering. Hierbij komt dat ten tijde van de wijziging van de adressering van de premienota per 1 januari 1997 nog geen sprake was van een fusie, die immers pas op 1 november 2000 is aangegaan met als gevolg dat Roestvrij (oud) pas op 14 december 2000 is verdwenen. Voorts valt zonder nadere toelichting, die echter ontbreekt, niet in te zien hoe een wijziging van de adressering per 1 januari 2002 redengevend kan zijn voor de conclusie dat Aon in de periode van 30 dagen na de datum van overgang van het verzekerd belang als gevolg van de fusie (14 december 2000) daarvan op de hoogte behoorde te zijn.

4.8. Roestvrij heeft aldus ook haar subsidiaire vordering onvoldoende onderbouwd en dus niet aan haar stelplicht voldaan. Om die reden zal ook ten aanzien van de subsidiaire vordering haar bewijsaanbod worden gepasseerd. De vordering moet worden afgewezen.

4.9. Roestvrij zal als de ten aanzien van de subsidiaire vordering in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten van Aon worden veroordeeld. Deze kosten worden begroot op € 4.584,-- voor vast recht en € 6.422,-- (2 punten à tarief € 3.211,--) voor salaris procureur, totaal € 11.006,--.

5. De beslissing

De rechtbank

Ten aanzien van het primair gevorderde:

5.1. wijst de vordering af,

5.2. veroordeelt Roestvrij in de proceskosten aan de zijde van de verzekeraars gevallen, tot op heden begroot op € 11.006,=,

5.3. verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

ten aanzien van het subsidiair gevorderde:

5.4. wijst de vordering af,

5.5. veroordeelt Roestvrij in de proceskosten aan de zijde van Aon gevallen, tot op heden begroot op € 11.006,=.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.V.T. de Bie en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2007.?