Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BA4545

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-03-2007
Datum publicatie
07-05-2007
Zaaknummer
AWB 05/4671 WAO en 05/4672 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzwegen inkomsten uit arbeid welke op grond van art. 44 WAO leiden tot uitbetaling van de uitkering naar een lager arbeidsongeschiktheidspercentage. Eiser ontkent als vrachtwagenchauffeur te hebben gewerkt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder gelet op de gegevens uit het frauderapport voldoende grond had om aan te nemen dat eiser werkzaamheden heeft verricht. Onder verwijzing naar rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is de rechtbank voorts van oordeel dat het ontbreken van verifieerbare gegevens omtrent het aantal per week door eiser gewerkte uren geheel voor zijn rekening en risico komen. Verweerder heeft en mocht dit aantal schattenderwijs op vijf dagen en vijf uren per dag vaststellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in de gedingen met registratienummers

AWB 05/4671 WAO en 05/4672 WAO

van:

[eiser], wonende te [woonplaats],

eiser,

tot 2 februari 2007 vertegenwoordigd door mr. W. Bulterman,

tegen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV),

gevestigd te Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. C.W.P. van den Berg.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 11 oktober 2005 een beroepschrift ontvangen gericht tegen twee afzonderlijke besluiten van verweerder van 20 september 2005 (nr. 831.047.29, hierna: bestreden beslissing 1. en nr. 831.048.29, hierna: bestreden beslissing 2.).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 12 januari 2007.

2. OVERWEGINGEN

De feiten

Verweerder heeft eiser per 11 februari 2000 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

Verweerder heeft op basis van de bevindingen van een fraudeonderzoek twee besluiten genomen over de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser. Bij besluit van 2 mei 2005 heeft verweerder de WAO-uitkering van eiser ingaande 3 juli 2005 ingetrokken. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 10 mei 2005 eiser meegedeeld dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid over de periode van 1 juli 2001 tot en met 31 december 2003

55 tot 65% bedraagt. Eiser heeft tegen beide besluiten afzonderlijk bezwaar gemaakt.

Bij bestreden besluit 1. heeft verweerder, naar aanleiding van bezwaren tegen het primaire besluit van 10 mei 2005, aan eiser meegedeeld dat hij per 1 juli 2001 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt wordt geacht maar dat op basis van verzwegen inkomsten de uitkering van 1 juli 2001 tot 1 juli 2003 dient te worden uitbetaald naar de klasse 55 tot 65 % en na 1 juli 2003 weer dient te worden uitbetaald naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op een Rapport Werknemersfraude van 20 december 2004 met bijlagen, opgesteld door het directoraat Fraude Preventie en Opsporing van het UWV (hierna: het frauderapport), waarin een schatting is gemaakt van de inkomsten van eiser in voornoemde periode .

Bij bestreden besluit 2. heeft verweerder, naar aanleiding van de bezwaren tegen het primaire besluit van 2 mei 2005, aan eiser meegedeeld dat hij per 3 juli 2005 onveranderd voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt wordt geacht en dat zijn uitkering ook naar deze klasse zal worden uitbetaald.

Standpunt van partijen

Eiser heeft de bevindingen in het frauderapport bestreden en stelt dat verweerder daaruit niet de conclusie heeft kunnen trekken dat eiser werkzaamheden heeft verricht.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de gegevens van het frauderapport kan worden afgeleid dat eiser in de betreffende periode gemiddeld 25 uur per week als vrachtwagenchauffeur heeft gewerkt bij [werkgever], gevestigd aan de [adres]. Daarbij is aangenomen dat door eiser aanspraak op betaling van loon gemaakt kan worden ter hoogte van €8,-- netto per uur.

De rechtbank overweegt als volgt.

In artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAO is – kort samengevat – bepaald dat, indien degene, die recht heeft op een WAO-uitkering inkomsten uit arbeid geniet, zolang niet vaststaat of deze arbeid geschikt is voor hem, de WAO-uitkering niet wordt ingetrokken of herzien, maar wordt uitbetaald tot een bedrag ter grootte van de WAO-uitkering, zoals deze zou zijn vastgesteld, indien die arbeid wel geschikt zou zijn voor hem.

Voorts geldt dat degene die in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge artikel 80 van de WAO verplicht is om uit eigen beweging mededeling te doen van al zijn inkomsten uit arbeid.

Daarbij geldt, volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, dat indien achteraf de omvang van de in strijd met voornoemd wetsartikel verzwegen inkomsten niet meer kan worden bepaald aan de hand van betrouwbare schriftelijke gegevens, het uitvoeringsorgaan deze inkomsten op een redelijke wijze mag schatten. Wel zal aan die schatting voldoende onderzoek vooraf moeten gaan en daarbij de nodige zorgvuldigheid moeten worden betracht teneinde tot een vaststelling te kunnen komen die de werkelijkheid zo dicht mogelijk benadert. De rechtbank wijst er op dat de gevolgen van het ontbreken van concrete, verifieerbare gegevens over eisers inkomsten in de perioden in geding geheel binnen de risicosfeer van eiser vallen.

De rechtbank is allereerst van oordeel dat de gedingstukken en verhandelde ter zitting voldoende grond bieden voor de door verweerder aan het bestreden besluit 1. ten grondslag gelegde aannames dat eiser vanaf 1 juli 2001 tot 1 juli 2003 heeft gewerkt voor [werkgever].

Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Uit het dossier blijkt dat in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar bijstandsfraude door [getuige 1], dat plaatsvond medio 2002, een aantal niet nader omschreven observaties zijn gedaan en getuigen zijn gehoord. De getuigenverklaringen zijn in de vorm van op ambtseed opgemaakte proces-verbalen aan het dossier toegevoegd.

In elk geval vier getuigen die werkzaam zijn bij bedrijven naast of in de directe omgeving van de pallethandel hebben verklaard dat een man met grijs haar van ongeveer 45 jaar dan wel “de man die vanochtend bij u in de auto zat” op dat moment (begin september 2002) al ongeveer 2 tot 3 jaar bij [werkgever] werkte als chauffeur van de vrachtwagen. Ook [getuige 1] verklaart dat eiser af en toe op de vrachtwagen reed.

Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij begin september 2002 bij een onderzoek op het bedrijf van [werkgever] in de auto van één van de onderzoekers is gehoord.

Hoewel deze verklaringen niet zijn afgelegd in het kader van een onderzoek naar de uitkeringsfraude van eiser en wellicht daarom enigszins summier zijn ten aanzien van de positie van eiser, is de rechtbank van oordeel dat zij, in samenhang bezien met de observaties en bevindingen van 2003 – waarbij eiser op de helft van de dagen waarop de pallethandel is geobserveerd op het bedrijf aanwezig was en éénmaal achter het stuur van de vrachtwagen is aangetroffen – alsmede in samenhang met de verklaring van [getuige 2] – welke van april tot augustus 2002 bij [werkgever] heeft gewerkt terwijl hij een Wajong-uitkering ontvangt, de conclusie rechtvaardigen dat eiser zeer regelmatig en voor meer dan de door hemzelf aangegeven 5 uur per week op de pallethandel aanwezig was en daar, onder meer als vrachtwagenchauffeur, werkzaamheden verrichtte. De hiervan afwijkende verklaringen van [werkgever] en [getuige] en eiser zelf, acht de rechtbank niet geloofwaardig.

Ter zitting heeft eiser zijn stelling dat hij nooit op de vrachtwagen heeft gereden en alleen af en toe langskwam om koffie te drinken en een kaartje te leggen, herhaald. Desgevraagd hebben zowel eiser als [werkgever] ter zitting niet kunnen ophelderen wie dan de persoon is geweest waarover in de diverse getuigenverklaringen wordt gesproken als de vaste chauffeur van [werkgever].

Gezien het vorenstaande bestond naar het oordeel van de rechtbank voor verweerder voldoende grond om aan te nemen dat eiser werkzaamheden verrichtte die op geld waardeerbaar zijn. Daarbij is niet van belang of eiser daadwerkelijk werd betaald voor zijn activiteiten. Niet in geschil is dat eiser deze werkzaamheden niet bij verweerder heeft gemeld. De wijze waarop verweerder in dit geval de op grond van artikel 44 van de WAO te verrekenen inkomsten heeft bepaald, namelijk door uit te gaan van het gemiddelde loon dat volgens [werkgever] netto aan zijn personeel werd uitbetaald, komt de rechtbank alleszins aanvaardbaar voor. Voorts acht de rechtbank het - gelet op de verklaringen en observaties vermeld in het dossier - gerechtvaardigd dat verweerder is uitgegaan van 5 werkuren per werkdag en vijf werkdagen per week. Daarbij wijst de rechtbank op voornoemde rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. De rechtbank is in lijn met deze rechtspraak van oordeel dat het ontbreken van verifieerbare gegevens omtrent het aantal per week door eiser gewerkte uren geheel voor zijn rekening en risico komen.

Verweerder heeft dan ook op de in het bestreden besluit aangegeven gronden kunnen beslissen om eisers uitkering over de periode 1 juli 2001 tot 1 juli 2003 op basis van de geschatte inkomsten uit te betalen naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van

55 tot 65 %.

Nu ook overigens niet is gebleken dat verweerder met het bestreden besluit heeft gehandeld in strijd met enige rechtsregel of enig algemeen rechtsbeginsel dient het namens eiser ingediende beroep ongegrond te worden verklaard.

De rcchtbank ziet geen aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten dan wel om te bepalen dat het griffierecht dient te worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 7 maart 2007 mr. A.C. Loman, rechter,

in tegenwoordigheid van R.E. Toonen, griffier,

en bekend gemaakt door toezending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: C