Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BA4524

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-01-2007
Datum publicatie
07-05-2007
Zaaknummer
338669
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

artikel6:225 lid 3 BW ‘Battle of forms’

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 338669 / HA ZA 06-895

Vonnis in incident van 17 januari 2007

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TRANSEQUITY NETWORK B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

procureur mr. E.T. van den Hout,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

A BOUW B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

procureur mr. C.P.A.T. van Goethem.

1. De procedure

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in het incident van 2 augustus 2006;

- de incidentele conclusie van repliek;

- de incidentele conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling in het incident

2.1. Bij vonnis van 2 augustus 2006 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten over het mondelinge contact tussen partijen van 4 april 2005 en de brief van 7 april 2005 van de zijde van VCL. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat indien de opdrachtbevestiging van 7 april 2005 van VCL heeft te gelden als aanvaarding van een mondeling aanbod van A, aan de verwijzing van A naar haar eigen algemene voorwaarden in haar opdrachtbevestiging van 20 mei 2005 geen werking toekomt.

2.2 A heeft gesteld dat er op 4 april 2005 mondeling overleg is geweest tussen haar en VCL, maar dat zij op dat moment geen opdracht aan VCL heeft verstrekt. Wel heeft het overleg van 4 april 2005 uiteindelijk geleid tot de opdrachtbevestiging van 20 mei 2005 van A aan VCL, aldus A. A betwist dat de brief van VCL van 7 april 2005 een ‘contractstuk’ vormt tussen haar en VCL. Dit leidt zij onder meer af uit de inhoud van deze brief die zich op wezenlijke punten onderscheidt van de opdrachtbevestiging van

20 mei 2005.

2.3 Transequity heeft hier tegenover gesteld dat er op 4 april 2005 wel degelijk tussen partijen overeenstemming is bereikt over de door VCL voor A uit te voeren werkzaamheden. VCL heeft de gemaakte afspraken bevestigd in haar opdrachtbevestiging van 7 april 2005 waarin wordt gerefereerd aan het gesprek van 4 april 2005 en de door A verleende opdracht. A heeft deze opdrachtbevestiging ontvangen en zonder protest behouden, aldus Transequity. De brief van A van 20 mei 2005 regelde alleen een aantal aanvullende zaken, aldus Transequity, en was geen opdrachtbevestiging van A.

2.4 Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat tussen partijen vaststaat dat op 4 april 2005 mondeling contact tussen partijen heeft plaatsgevonden ter zake de uitvoering van werkzaamheden door VCL ten aanzien van de realisatie van Ambulant Centrum Oost te Amsterdam. Naar aanleiding van dat contact heeft VCL op 7 april 2005 een opdrachtbevestiging aan A gestuurd waarin is verwezen naar haar algemene voorwaarden. Gezien het belang dat A kennelijk aan haar eigen voorwaarden hecht, had het op haar weg gelegen om op deze opdrachtbevestiging direct te reageren, indien zij het niet eens was met de inhoud van deze opdrachtbevestiging en/of de toepasselijkheid van de voorwaarden van VCL. A heeft dit evenwel niet gedaan. Nu voorts door haar niet wordt betwist dat de voorbereiding van de werkzaamheden al na 7 april 2005 (en vóór 18 juli 2005, toen het als productie 2 bij dagvaarding overgelegde stuk werd ontvangen door VCL) door VCL is aangevangen, zoals door Transequity gesteld, en door haar niet is aangegeven wat de status van de brief van 7 april 2005 anders moet zijn geweest, is de rechtbank van oordeel dat de opdrachtbevestiging van VCL van 7 april 2005 gezien dient te worden als de schriftelijke aanvaarding van een eerder gedaan mondeling aanbod, waarmee een overeenkomst tot stand is gekomen.

2.5 Het voorgaande leidt tot het oordeel dat op de voet van artikel 6:225 lid 3 BW aan de verwijzing in de opdrachtbevestiging van 20 mei 2005 van A naar haar eigen voorwaarden (waarin een arbitraal beding is opgenomen) geen werking toekomt. Dat de opdrachtbevestiging van 7 april 2005 van VCL door A wordt aangemerkt als een offerte, doet hieraan niet af. De enkele verwijzing in de opdrachtbevestiging naar offertebepalingen maakt niet dat eerstgenoemd stuk daardoor verandert in een offerte. Het beroep van A op niet-ontvankelijkheid van Transequity zal dan ook worden verworpen.

2.6 Daarmee komt de rechtbank toe aan de vordering van A hoger beroep open te stellen van het onderhavige vonnis indien de vordering van A wordt afgewezen. Transequity heeft zich hiertegen verzet. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de hoofdregel dat hoger beroep slechts tegelijk met dat van het eindvonnis kan worden ingesteld en zal dan ook geen hoger beroep openstellen van de onderhavige beslissing.

2.7 Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

3. De beslissing

De rechtbank

in het incident:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt A in de kosten van het incident, aan de zijde van Transequity tot op heden begroot op € 904,--;

- verklaart dit vonnis wat de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak:

- bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 28 februari 2007 voor conclusie van antwoord aan de zijde van A;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort en in het openbaar uitgesproken op

17 januari 2007.?