Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BA4516

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-03-2007
Datum publicatie
07-05-2007
Zaaknummer
AWB 06/5970 BESLU en AWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het ingediende beroep tegen de door het stadsdeel Amsterdam Oud-Zuid verleende monumentenvergunning ten behoeve van het stedelijk museum wordt ongegrond verklaard. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat in de plannen voldoende rekening is gehouden met de door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en de Commissie voor Welstand en Monumenten geformuleerde kritiekpunten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

voorlopige voorzieningen

Uitspraak

in het geding met reg.nr: AWB 06/5970 BESLU

AWB 07/674 BESLU

van:

Projectmanagementbureau van de gemeente Amsterdam,

verzoeker,

vertegenwoordigd door mr. G. Koop,

tegen:

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam Oud Zuid,

vertegenwoordigd door mr. F.E.W. van den Broek,

verweerder,

Voorts heeft als partij aan het geding deelgenomen:

Stichting Monumentenbehoud Nederland, gevestigd te Amsterdam,

vertegenwoordigd door A.R. Kuyper.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 9 februari 2007 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvangen. Dit verzoek hangt samen met een door de Stichting Monumentenbehoud Nederland (hierna: de Stichting) bij brief van 14 december 2006 ingediend beroep tegen de beslissing van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam Oud Zuid (hierna: het stadsdeel) van 27 oktober 2006.

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 8 maart 2007.

2. OVERWEGINGEN

Bij brief van 7 maart 2007 heeft [betrokkene 1] namens de Stichting Nieuw Wijkcentrum Vondelpark-Concertgebouwbuurt en [betrokkene 2] de voorzieningenrechter (hierna: de rechter) gevraagd om krachtens artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) als partij aan het geding te kunnen deelnemen. De rechter heeft dit verzoek ter zitting afgewezen, nu [betrokkene 1] ter zitting heeft verklaard dat door hem noch door degenen namens wie het verzoek is gedaan, beroep is ingesteld tegen het besluit van verweerder van 27 oktober 2006 vanwege het niet kunnen voldoen van het verschuldigde griffierecht.

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

Ingevolge artikel 8:86 Awb is de rechter bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 Awb wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de rechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

De rechter is van oordeel dat de feiten en omstandigheden in de hoofdzaak geen nader onderzoek vergen. Nu partijen in de uitnodiging voor de zitting zijn gewezen op de mogelijkheid dat gebruik kan worden gemaakt van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:86 Awb, bestaat er geen beletsel voor toepassing van dat artikel.

Verzoeker heeft op 30 november 2005 bij het stadsdeel een aanvraag ingediend voor een vergunning ten behoeve van het Stedelijk Museum, gelegen aan de Paulus Potterstraat 13 te Amsterdam voor:

a. het gedeeltelijk wijzigen van de indeling van het bestaande gebouw met behoud van de bestemming tot expositieruimte;

b. het oprichten van een gebouw op het na sloop vrijgekomen terrein, met de bestemming daarvan tot expositie-, auditorium-, opslag- en personeelsruimten;

c. het maken van een los- en laadplatform.

Het stadsdeel heeft voor zover de gevraagde vergunning betrekking heeft op sloop en wijziging van het Stedelijk Museum op de voet van artikel 16, eerste lid en artikel 15, eerste lid van de Monumentenwet 1988 advies ingewonnen bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (hierna: de Rijksdienst) en de Commissie voor Welstand en Monumenten Amsterdam (hierna: de Welstandscommissie). Het ontwerpbesluit heeft conform artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Monumentenwet 1988 vanaf 1 augustus 2006 zes weken ter inzage gelegen. Naar aanleiding van het ontwerpbesluit heeft de Stichting een zienswijze ingediend.

Het advies van de Welstandscommissie is neergelegd in notulen van diverse vergaderingen uit de periode juni 2005 tot en met februari 2006. Uit de notulen van het plenum van 22 februari 2006 blijkt het volgende:

“ Tijdens het ontwerpproces heeft regelmatig overleg plaatsgevonden met bMA en is er in grote lijnen overeenstemming bereikt over de aanpak van het bestaande gebouw. Er resten nu nog enkele discussiepunten, zoals onder andere de behandeling van twee resterende kruiskozijnen ter plaatse van de entreepartij aan de westzijde, het slopen van een wand in de rechtervleugel op begane grondniveau, de situering van de doorgangen vanuit het bestaande museum naar de centrale hal in de nieuwbouw. Bovendien dient er aandacht te worden besteed aan de eventuele gevolgschade voor het bestaande museum door isolerende maatregelen en klimaatvoorzieningen en zal de aansluiting van de nieuwbouw op de oudbouw nog nader moeten worden uitgewerkt. Gezien de tot nu toe nauwe samenwerking tussen de architect en bMA bestaat de overtuiging dat deze punten tot tevredenheid zullen worden opgelost.”

In de notulen van de vergadering van Welstandscommissie II van 21 juni 2006 is de volgende passage opgenomen:

“Hoewel de gekozen blinde aansluiting tussen de oud- en nieuwbouw leidt tot het doorsnijden van het muurwerk en gevellijsten, heeft de commissie geen bezwaar tegen deze oplossing. Zij is van mening dat mogelijke alternatieven een onwenselijk gevelbeeld opleveren. De commissie gaat eveneens akkoord met het behouden van de oorspronkelijke kruiskozijnen in de noordgevel, de sterk in omvang gereduceerde koekoek en de overige ingrepen in de kelder. Wel dient het kozijn om de hoek van de risalerende noordgevel behouden te blijven. De aanpak en wijze van isoleren wekt voldoende vertrouwen en de commissie heeft op dit punt een positieve grondhouding. Voor een definitief oordeel over de isolerende maatregelen worden de uitkomsten van het onderzoek afgewacht.

De commissie constateert dat aan de opmerkingen over de doorbraken in de wanden van het centrale trappenhuis op de eerste verdieping niet tegemoet is gekomen. Zij blijft van mening dat de positie van de doorbraken een grove aantasting is van de gesloten wand die wezenlijk onderdeel van de hal vormt. Ook blijft zij bezwaar houden tegen het slopen van de schuin geplaatste wanden in de kabinetten. Deze vormen eveneens een oorspronkelijk onderdeel van het Museum Weissman en dienen behouden te blijven”.

Bij schrijven van 13 februari 2006 heeft de Rijksdienst, namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, advies uitgebracht. Het advies luidt als volgt:

"Gelet op het bovenstaande bestaan er van uit het oogpunt van monumentenzorg geen bezwaren tegen de uitvoering van het hierboven beoordeelde plan en adviseer ik u derhalve positief, met uitzondering van de volgende onderdelen:

1. de doorbraken in de centrale hal op de verdieping

2. het verwijderen van de twee kruiskozijnen in de noordgevel

3. het verwijderen van de schuine wanden in de kabinetten rechts van de hoofdingang

4. de buitengevel isolatie

Met betrekking tot deze onderdelen adviseer ik u negatief.

Ik verwacht dat u dit advies zult betrekken bij uw belangenafweging ten behoeve van de door u te nemen beslissing op de vergunningaanvraag.”.

Naar aanleiding van dit advies heeft de architect het plan aangepast en heeft de Rijksdienst bij brief van 6 juni 2006 als volgt gereageerd:

“Concluderend kan worden gesteld dat het positief is dat de architect onderdelen van het plan gewijzigd heeft dan wel nader onderbouwd. Het valt echter te betreuren dat er niet meer met de opmerkingen van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg is gedaan. Met name de nieuwe openingen in het centrale trappenhuis moeten als buitengewoon ernstige aantastingen van het monument worden beschouwd. Ik kan dan ook niet anders dan nogmaals erop aan te dringen dat deze openingen niet worden vergund.”

Bij primair besluit van 27 oktober 2006 heeft het dagelijks bestuur aan verzoeker krachtens artikel 11 van de Monumentenwet vergunning verleend ten behoeve van de verbouwing van het Stedelijk Museum. Nadat het besluit op 2 november 2006 aan de Stichting is verzonden heeft zij bij brief van 14 december 2006 tijdig tegen dit besluit een beroepschrift ingediend. Dit beroep is geregistreerd onder Awb 06/5970 BESLU.

Dientengevolge is de werking van het bestreden besluit op grond van het bepaalde in artikel 16, zesde lid, van de Monumentenwet opgeschort.

Artikel 16, zesde lid, van de Monumentenwet luidt als volgt: "De werking van de vergunning wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. De vergunninghouder kan de voorzieningenrechter van de rechtbank, onderscheidenlijk de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzoeken de opschorting op te heffen. Titel 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomsti-ge toepassing.".

Vastgesteld wordt dat verzoeker houder is van een vergunning als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet. Vastgesteld wordt voorts dat de vergunning de verbouwing van het Stedelijk Museum toestaat. In dit geval is er sprake van ingrijpen-de en onherstelbare veranderingen.

Verzoeker heeft aangevoerd dat de monumentenvergunning rechtmatig is verleend. Daartoe is gesteld dat het bestreden besluit blijk geeft van een goede belangenafweging, de geplande aanpassingen geen afbreuk doen aan het monumentale karakter van het Stedelijk Museum en de Rijksdienst en de Welstandscommissie positief hebben geadviseerd. Tevens is renovatie noodzakelijk vanwege de slechte bouwkundige staat en de schade aan tentoongestelde werken door een slechte klimaatbeheersing. Verzoeker heeft aan de hand van de bouwtekeningen ter zitting een toelichting gegeven op de plannen.

De Stichting stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. De renovatie van het Stedelijk Museum is niet noodzakelijk en kost te veel geld. De Stichting verwijst naar de verzelfstandiging van het Stedelijk Museum, het door de directie van het Stedelijk Museum gevoerde beleid, de positie van het Ministerie van Onderwijs bij de benoeming van de directie van het Stedelijk Museum, de rol van de wijkcentra en de uitvoering van grote infrastructurele projecten in de stad. Het beroep richt zich ook tegen de reeds gesloopte Sandbergvleugel van het Stedelijk Museum. Tenslotte maakt de voorgevel van de nieuwbouw aan de zijde van het Museumplein met een opvallende luifel een grote inbreuk op de architectonische omgeving en doet deze geen recht aan het bestaande gebouw van Weissman, aldus de Stichting.

De rechter stelt vast dat verweerder het besluit heeft genomen op grond van de adviezen van de Rijksdienst en van de Welstandscommissie, deze heeft overgenomen en geheel tot de zijne heeft gemaakt. Voorts stelt de rechter vast dat de Rijksdienst in het advies van 13 februari 2006 uit het oogpunt van monumentenzorg geen bezwaren heeft tegen de uitvoering van het beoordeelde plan en positief adviseert met uitzondering van enkele eerder genoemde onderdelen. Uit de stukken is gebleken dat alle adviezen zijn opgevolgd.

De rechter overweegt dat niet is gebleken dat de genoemde adviezen op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, dan wel anderszins dusdanige gebreken vertonen dat vergunningverlener daarop niet had mogen afgaan.

De rechter is van oordeel dat vergunningverlener bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid de monumentenvergunning heeft kunnen verlenen en ziet in hetgeen door de Stichting is aangevoerd, noch anderszins, aanknopingspunten voor de veronderstelling dat het bestreden besluit geen stand kan houden.

Het standpunt van de Stichting dat de voorgevel van de nieuwbouw aan de zijde van het Museumplein met een opvallende luifel een grote inbreuk maakt op de architectonische omgeving en geen recht doet aan het bestaande gebouw van Weissman, wordt door de rechter niet gevolgd. Daartoe wordt overwogen dat dit standpunt niet nader is onderbouwd en de Rijksdienst en de Welstandscommissie hun waardering hebben uitgesproken voor de nieuwbouw. De Rijksdienst heeft in haar advies van 13 februari 2006 met de nieuwbouw achter de oudbouw ingestemd en zich op het standpunt gesteld dat op een verantwoorde wijze een duidelijk ontworpen uitbreiding gerealiseerd wordt die het oude gebouw voldoende in zijn waarde laat. De Welstandscommissie spreekt haar waardering uit voor het plan dat haars inziens zowel recht doet aan het bestaande gebouw alsook een eigentijdse en waardevolle architectuur toevoegt. In hetgeen overigens door de Stichting is aangevoerd heeft de rechter evenmin aanknopingspunten gevonden voor gegrondverklaring van het beroep.

Voldoende aannemelijk is gemaakt dat in de plannen voldoende rekening is gehouden met door de Rijksdienst en de Welstandscommissie geformuleerde kritiekpunten. De plaatsvervangend directeur van de Rijksdienst concludeert in zijn brief van 1 maart 2007 dat ondanks de onduidelijkheid met betrekking tot de isolatie, de plannen zijn aangepast aan de kritiekpunten zoals verwoord in het advies.

Verzoeker heeft voorts aangevoerd dat hij door het voortduren van de schorsing onevenredig nadeel lijdt. De vertraging is voor de bouw van het Stedelijk Museum maatschappelijk ongewenst en het verlaten gebouw is kwetsbaar. Voorts zijn de financiële consequenties aanzienlijk.

Gelet op het voorgaande heeft het stadsdeel het bestreden besluit in redelijkheid kunnen nemen. Het beroep wordt dan ook ongegrond verklaard. Gelet op de uitspraak in de hoofdzaak bestaat er thans geen aanleiding om de schorsing ingevolge artikel 16, zesde lid, van de Monumentenwet op te heffen en wordt het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen afgewezen.

De rechter ziet geen aanleiding om gebruik te maken van de bevoegdheid tot veroordeling in de proceskosten. Evenmin is een grond aanwezig om te bepalen dat het griffierecht moet worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek af;

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 19 maart 2007 door mr. L.C. Bachrach, voorzieningenrechter,

in tegenwoordigheid van mr. I. Sulenta, griffier, en bekendgemaakt door toezending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak kunnen, voor zover deze betreft het oordeel in de hoofdzaak

(AWB 06/5970 BESLU), een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: C