Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BA4308

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-04-2007
Datum publicatie
03-05-2007
Zaaknummer
13.497.020-2007
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het Amtsgericht Aken heeft op vordering van de Duitse zaaksofficier bij besluit van 16 maart 2007 het Duitse aanhoudingsbevel onder voorwaarden geschorst. De opgeëiste persoon kan aantonen aan de voorwaarde tot betaling van een borgsom op 19 maart 2007 te hebben voldaan. Hij heeft zich bereid verklaard de tevens aan hem gestelde voorwaarde om zich elke twee weken te melden op het politiebureau te Aken na te leven. Onder deze omstandigheden heeft de raadsman verklaard geen verweer te zullen voeren tegen de verzochte overlevering en zich niet te verzetten tegen toewijzing van de ex artikel 13, tweede lid, OLW gedane vordering, daar hij van mening is dat de belangen van de opgeëiste persoon in de vorm van de dubbele WOTS garantie en de bescherming van het specialiteitsbeginsel voldoende zijn gewaarborgd. De raadsman heeft verzocht de overlevering, gelet op de overeenstemming die inmiddels met de Duitse autoriteiten is bereikt, toe te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.020-2007

RK nummer: 07/710

Datum uitspraak: 3 april 2007

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 2 februari 2007 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op

7 november 2006 door de justitiële autoriteit, de hoofdofficier van justitie, verbonden aan de Staatsanwaltschaft te Aken (Duitsland).

Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeeiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende op het adres [adres],

wiens overleveringsdetentie met ingang van 16 januari 2007 is geschorst,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 20 maart 2007. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. G.A.C. Beckers, advocaat te Stein gehoord.

Op deze zitting is de termijn genoemd in artikel 22, lid 1 OLW op grond van artikel 22, lid 3 OLW verlengd met dertig dagen aangezien de rechtbank er wegens haar volle agenda en gelet op het toenemend aantal zaken, niet in slaagt binnen de gestelde termijn uitspraak te doen.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een arrestatiebevel ten grondslag, uitgevaardigd door het Amtsgericht te Aken en gedateerd 21 september 2006 (dossiernummer 41 Gs 3312/06 a)).

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul-dig heeft gemaakt aan 25 naar het recht van Duitsland strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage 1 aan deze uitspraak is gehecht en nader omschreven in bovengenoemd arrestatiebevel, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als

bijlage 2 aan deze uitspraak is gehecht.

Uit een aanvullende brief d.d. 23 januari 2007, afkomstig van de hoofdofficier van justitie te Aken leidt de rechtbank af dat het EAB tevens geacht wordt het verzoek te bevatten om inbeslagname en afgifte van de voorwerpen die zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon. Nu niet is gebleken dat er sprake is van onder de opgeëiste persoon in beslag genomen voorwerpen, als bedoeld in artikel 49, eerste lid, OLW en de officier van justitie bij zijn vordering geen lijst als bedoeld in het derde lid van dit artikel aan de rechtbank heeft overgelegd en niet heeft gevorderd dat over de afgifte dan wel de teruggave van in beslag genomen voorwerpen een beslissing wordt genomen, zal de rechtbank voorbij gaan aan de desbetreffende passage uit bovengenoemde aanvullende brief.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

4.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van het recht van de uitvaardigende lidstaat - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen - heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. De feiten vallen onder nummer 5 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Op deze feiten is bovendien naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 7, eerste lid onder f OLW.

De rechtbank stelt, met de officier van justitie, vast dat het eerste feit waarvoor de overlevering wordt verzocht naar Nederlands recht inmiddels verjaard is. Nu het gestelde in artikel 9, eerste lid onder f van de OLW de overlevering in een dergelijk geval verbiedt, zal de rechtbank de verzochte overlevering ten aanzien van dit feit weigeren.

De rechtbank zal zich in haar verdere beoordeling van het EAB beperken tot de in het EAB onder 2 tot 25 aangeduide feiten en feit 1 verder buiten beschouwing laten.

6. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan deze feiten, is niet gebleken.

7. Terugkeergarantie

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien de uitvaardigende justitiële autoriteit de in artikel 6, eerste lid, van de OLW bedoelde garantie geeft.

De hoofdofficier van justitie te Aken heeft op 23 januari 2007 schriftelijk de volgende garantie gegeven:

Er wordt verzekerd dat de vervolgde in geval van een rechtsgeldige veroordeling tot een vrijheidsstraf, waarvan de uitvoering niet voorwaardelijk is, in aansluiting aan de overeenkomst over de overhandiging van veroordeelde personen van 21 maart 1983 voor de verdere tenuitvoerlegging van de straf naar Nederland zal worden gebracht, en wel onvoorwaardelijk, zo dat het omzettingsproces volgens artikel 11 van de bovenvermelde overeenkomst kan worden toegepast.

Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna VOGP) volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren. Aan deze voorwaarde is voldaan.

De onder 4.1 genoemde en in het EAB onder 2 tot 25 aangeduide feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook gewaarborgd dat, zo de opgeëiste persoon ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 van het VOGP zal kunnen worden omgezet.

8. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a OLW

Uit de stukken blijkt dat de feiten bedoeld onder 4.1 waarvoor de Duitse justitie de opgeëiste persoon wil vervolgen gedeeltelijk in Nederland zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, onder a OLW verbiedt in dit geval de overlevering voor deze feiten.

Op grond van het tweede lid van genoemd artikel heeft de officier van justitie gevorderd dat om redenen van goede rechtsbedeling dient te worden afgezien van bedoelde weigeringgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

Slechts een deel van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht is mogelijk op Nederland grondgebied gepleegd, te weten de levering/verkrijging van de verdovende middelen, doch het overgrote deel, te weten: de invoer, het vervoer en de levering van de verdovende middelen heeft in Duitsland plaatsgevonden.

De verdovende middelen waren voor verdere distributie en handel in Duitsland bestemd, zodat de rechtsorde in Duitsland zwaarder is geschonden.

In Duitsland is met betrekking tot de onderhavige transporten van verdovende middelen de zoon van de opgeëiste persoon en medeverdachte [medeverdachte] aangehouden en veroordeeld en hij is in Duitsland nog steeds gedetineerd, zodat met overlevering van

[opgeeiste persoon] de vervolging en berechting in Duitsland geconcentreerd worden.

De bewijsmiddelen – waaronder de in beslag genomen hash, de verklaringen van getuigen en van medeverdachten – zijn in overwegende mate in Duitsland.

Ter zake van de in het EAB omschreven feiten loopt geen eigen onderzoek door Nederlandse opsporingsinstanties of heeft ooit een onderzoek gelopen. De Duitse opsporings- en vervolgingsinstanties en de Duitse rechter houden zich al langere tijd bezig met deze zaak, zodat de zaak het beste kan worden afgedaan in Duitsland.

Het voorgaande brengt met zich dat op grond van de goede rechtsbedeling overlevering aan de Duitse autoriteiten de voorkeur geniet boven de eventuele overname van de strafzaak door Nederland, aldus de officier van justitie.

De raadsman heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering maar in dit verband wel het volgende naar voren gebracht. Het Amtsgericht Aken heeft op vordering van de Duitse zaaksofficier bij besluit van 16 maart 2007 het Duitse aanhoudingsbevel onder voorwaarden geschorst. De opgeëiste persoon kan aantonen aan de voorwaarde tot betaling van een borgsom op 19 maart 2007 te hebben voldaan. Hij heeft zich bereid verklaard de tevens aan hem gestelde voorwaarde om zich elke twee weken te melden op het politiebureau te Aken na te leven. Onder deze omstandigheden heeft de raadsman verklaard geen verweer te zullen voeren tegen de verzochte overlevering en zich niet te verzetten tegen toewijzing van de ex artikel 13, tweede lid, OLW gedane vordering, daar hij van mening is dat de belangen van de opgeëiste persoon in de vorm van de dubbele WOTS garantie en de bescherming van het specialiteitsbeginsel voldoende zijn gewaarborgd. De raadsman heeft verzocht de overlevering, gelet op de overeenstemming die inmiddels met de Duitse autoriteiten is bereikt, toe te staan.

Gelet op de onderscheidenlijk door de officier van justitie en de raadsman aangevoerde argumenten is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie op de door hem aangevoerde gronden in redelijkheid tot zijn vordering heeft kunnen komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13 Overleveringswet bedoelde weigeringsgrond.

9. Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan, met uitzondering van het in het EAB onder 1 aangeduide feit.

10. Toepasselijke wetsartikelen

artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht;

de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet;

de artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 van de Overleveringswet.

11. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeeiste persoon] aan de hoofdofficier van justitie, verbonden aan de Staatsanwaltschaft te Aken (Duitsland), ten behoeve van het in Duitsland tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar de in het EAB onder 2 tot 25 aangeduide feiten, waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

WEIGERT de overlevering van [opgeeiste persoon] aan de hoofdofficier van justitie, verbonden aan de Staatsanwaltschaft te Aken (Duitsland) voor het in het EAB onder

1 aangeduide feit wegens verjaring van dit feit.

Aldus gedaan door

mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzit-ter,

mrs. A.R.P.J. Davids en N. Rozemond, rech-ters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, grif-fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 3 april 2007.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.