Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BA3920

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-04-2007
Datum publicatie
27-04-2007
Zaaknummer
DX 06-2696
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

effectenlease, depot, artikel 1: 88BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2007/153 met annotatie van mr. J.A. Voerman, tevens behorend bij «JOR» 2007/151 en «JOR» 2007/152
RAV 2007, 19
RF 2007, 49
JOR 2007/153 met annotatie van mr. J.A. Voerman, tevens behorend bij «JOR» 2007/151 en «JOR» 2007/152

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Kanton

Locatie Amsterdam

rolnummer: DX 06-2696

Vonnis van: 27 april 2007

F.no.: 438

Vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

1. [eiser 1],

2. [eiser 2],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in (voorwaardelijke) reconventie

tezamen ook nader te noemen [Partij K.],

gemachtigde: mr. M.M.H.J. Rompelberg,

t e g e n:

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in (voorwaardelijke) reconventie,

nader te noemen Dexia,

gemachtigde: mr. G.P. Roth.

De procedure

De volgende processtukken zijn ingediend:

- de dagvaarding van 11 juni 2004 inhoudende de vordering van [Partij K.];

- de akte waarmee [Partij K.] producties heeft overgelegd;

- de conclusie van antwoord – met eis in (voorwaardelijke) reconventie – van Dexia met producties.

Bij tussenvonnis van 21 september 2004 is bepaald dat schriftelijk werd voortgeprocedeerd. Vervolgens is ingediend:

- de conclusie van repliek in conventie en antwoord in (voorwaardelijke) reconventie van [Partij K.] met producties.

Na ambtshalve aanhouding tot 6 december 2005 heeft [Partij K.] verzocht deze zaak zo spoedig mogelijk weer op de rol te plaatsen. Dexia heeft verweer gevoerd tegen dat verzoek. Bij rolmededeling van 12 juli 2005 is beslist dat de zaak werd verwezen naar de rolzitting van 23 augustus 2005 voor conclusie van dupliek in conventie, repliek in (voorwaardelijke) reconventie.

Nadat aan Dexia tweemaal uitstel is verleend voor het nemen van de conclusie van dupliek in conventie en repliek in (voorwaardelijke) reconventie, de laatste maal met vermelding dat dit het allerlaatste uitstel was, is op 18 oktober 2005 akte verleend van het niet nemen van deze conclusie.

Daarna heeft Dexia bij akte schorsing van de procedure aangezegd krachtens de WCAM. Bij daarop volgende rolmededeling is vastgesteld dat de procedure was geschorst.

Daarop zijn ingediend:

- de akte van [Partij K.] houdende een vordering tot hervatting van de procedure;

- de akte waarmee Dexia zich tegen die hervatting verzet.

Bij incidenteel vonnis d.d. 23 mei 2006 is hervatting van de procedure afgewezen.

Na de zogenoemde WCAM-beschikking d.d. 25 januari 2007 van het gerechtshof Amsterdam heeft [Partij K.] een afschrift overgelegd van de opt-outverklaring als bedoeld in art. 7:908 lid 2 BW, waarin deze partij verklaart niet aan de verbindendverklaring gebonden te willen zijn. Naar aanleiding daarvan is beslist dat deze zaak wordt hervat.

Daarna is vonnis bepaald.

Gronden van de beslissing

Indeling van het vonnis

Het vonnis heeft de volgende onderdelen:

1. Feiten

2. Vorderingen [Partij K.] in conventie

3. Standpunten [Partij K.]

4. Standpunten Dexia

5. Vorderingen Dexia in (voorwaardelijke) reconventie

6. Verweer [Partij K.] in (voorwaardelijke) reconventie

7. Algemene inleiding bij de beoordeling van de vorderingen en de verweren

8. Algemene beoordeling van de rechtsvragen

9. Verdeling van het nadeel; algemeen

10. Beoordeling van de vorderingen in conventie en (voorwaardelijke) reconventie

De feiten

In conventie en in reconventie

Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:

1.1. Dexia is de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V. (hierna: Labouchere). Waar hierna sprake is van Dexia wordt (worden) haar rechtsvoorganger(s) daaronder mede begrepen.

1.2. [eiser 2] (hierna: [eiser 2]) is (en was bij het aangaan van de hieronder bedoelde overeenkomsten) de echtgenote van [eiser 1] (eiser/verweerder sub 1, hierna: [eiser 2]).

1.3. Op of omstreeks 8 september 1999 heeft [eiser 2] een lease-overeenkomst ondertekend met de naam Winstverdriedubbelaar (hierna: de Winstverdriedubbelaar) waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Labouchere. Deze overeenkomst is aangegaan onder nummer 74221439. De overeenkomst is aangegaan voor een periode van 3 jaar. De overeenkomst bepaalt onder meer dat [eiser 2] in totaal voor een aankoopsom (hoofdsom) van € 39.013,65 aandelen leaset (ABN AMRO, AHOLD, ING) en dat [eiser 2] 36 maandelijkse termijnen van telkens € 227,38 verschuldigd was. De totale leasesom beliep € 47.199,51 waarin begrepen € 8.185,86 rente over 3 jaar. Deze overeenkomst werd op 9 september 2003 met drie jaar verlengd op (nagenoeg) gelijkblijvende voorwaarden. Per november 2003 is deze overeenkomst door Dexia beëindigd.

1.4. Op of omstreeks 16 november 1999 heeft [eiser 2] een lease-overeenkomst ondertekend met de naam IB-Plan (hierna: IB-Plan) waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Labouchere. Deze overeenkomst is aangegaan onder nummer 13001462. De overeenkomst is aangegaan voor een periode van 5 jaar. De overeenkomst bepaalt onder meer dat [eiser 2] in totaal voor een aankoopsom (hoofdsom) van € 3.203,81 aandelen leaset (AHOLD, ING, Kon. Olie). De totale leasesom beliep € 5.035,01 waarin begrepen € 1.831,20 rente over 5 jaar. [eiser 2] diende het rentebedrag van € 1.831,20 op of omstreeks de 1e van de maand volgend op de aankoopdatum te voldoen. [eiser 2] diende verder een termijn te voldoen van € 45,38 op of omstreeks de dag vallend 59 maanden na de aankoopdatum. Tenslotte diende [eiser 2] een termijn van € 3.158,43 te betalen op of omstreeks de dag vallend na 60 maanden na de aankoopdatum.

1.5. Op of omstreeks 22 december 2000 heeft [eiser 2] een lease-overeenkomst ondertekend met de naam Overwaarde Effect Maandbetaling zonder Herbelegging (hierna: Overwaarde Effect) waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Labouchere. Deze overeenkomst is aangegaan onder nummer 22083200. De overeenkomst is aangegaan voor een periode van 20 jaar, met het recht van [eiser 2] om de overeenkomst na 5 jaar te beëindigen met betaling of verrekening van de restant hoofdsom van dat moment. De overeenkomst bepaalt onder meer dat [eiser 2] in totaal voor een aankoopsom (hoofdsom) van € 80.826,90 aandelen leaset (AHOLD, ING, Unilever en Kon. Olie) en dat [eiser 2] 240 maandelijkse termijnen van telkens € 861,94 verschuldigd was. De totale leasesom beliep € 206.865,60 waarin begrepen € 126.038,70 rente over 20 jaar. In de maandtermijnen was de aflossing van de hoofdsom in 20 jaar begrepen.

1.6. Met het oog op de voldoening van de termijnen van de Overwaarde Effect overeenkomst ad € 861,94 per maand heeft [eiser 2] op 11 december 2000 via Spaar Select Utrecht B.V. (hierna: Spaar Select) een “Aanvraagformulier Depot Aandelenlease” bij Dexia ingediend voor een storting van een depot groot NLG 120.000,- . Op dit formulier stond vermeld “Global Aandelenfonds” met daarachter handgeschreven “ f 120.000,- “. Dit depot is door [eiser 2] deels gefinancierd met eigen geld en deels met een tweede hypotheek op de overwaarde van zijn woning. Van het gedeponeerde bedrag zijn participaties gekocht in Labouchere Global Aandelenfonds N.V. (hierna: Global Aandelenfonds).

1.7. [eiser 2] verkeerde bij het aangaan van de lease-overeenkomsten in de volgende omstandigheden. Hij was circa 50 jaar, gehuwd, had drie thuis wonende kinderen en was van beroep logistiek medewerker bij Defensie. Zijn netto inkomen bedroeg circa € 2.100,- per maand en de andere gezinsleden hadden geen inkomsten. Vanaf de aanvang van de laatste overeenkomst was [Partij K.] hypothecaire lasten verschuldigd van circa € 800,- per maand (eerste en tweede hypotheek). Op grond van de Winstverdriedubbelaar was [eiser 2] een maandelijkse termijn van € 227,38 verschuldigd. De verplichtingen uit het IB-Plan bestonden voornamelijk uit een éénmalige storting van € 1.831,20 en een eindtermijn van € 3.158,43.

1.8. Bij brief van 10 februari 2003 heeft [eiser 2] met een beroep op art. 1:89 BW de nietigheid ingeroepen van de overeenkomst betreffende Overwaarde Effect, althans vernietiging in rechte aangekondigd, en terugbetaling gevorderd. Bij brief van 24 februari 2003 heeft Dexia op deze brief gereageerd.

1.9. Bij brief van 16 juni 2003 heeft [eiser 2] met een beroep op art. 1:89 BW de nietigheid ingeroepen van de overeenkomst betreffende de Winstverdriedubbelaar, althans vernietiging in rechte aangekondigd, en terugbetaling gevorderd. Bij brief van 23 juni 2003 heeft Dexia op deze brief gereageerd.

1.10. Bij brief van 23 oktober 2003 heeft [eiser 2] met een beroep op art. 1:89 BW de nietigheid ingeroepen van de overeenkomst betreffende het IB-Plan, althans vernietiging in rechte aangekondigd, en terugbetaling gevorderd. Bij brief van 5 november 2003 heeft Dexia op deze brief gereageerd.

1.11. Nadien heeft (de gemachtigde van) [Partij K.] in diverse brieven nog een beroep gedaan op de nietigheid van de hiervoor bedoelde overeenkomsten, onder meer wegens dwaling, daarnaast terugbetaling gevorderd en voorts Dexia aansprakelijk gesteld voor geleden schade wegens tekortkoming(en) en onrechtmatige daad.

1.12. Op 25 november 2003 heeft Dexia een eindafrekening opgesteld van de Winstverdriedubbelaar, volgens welke [eiser 2] nog verschuldigd is € 18.248,64, waarvan € 1.137,90 plus € 45,38 aan achterstallige termijnbetalingen uit de lease-overeenkomst, en waaruit een waardedaling (aankoop minus opbrengst) van de effecten blijkt van € 16.768,15.

2. Vorderingen in conventie

[Partij K.] vordert – na wijziging van eis bij repliek – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

“1.

primair:

te verklaren voor recht:

a. dat de ten processe bedoelde aandelenlease-overeenkomsten nietig zijn;

b. dat de ten processe bedoelde aandelenlease-overeenkomsten bij brieven d.d. 10 februari, 16 juni en 23 oktober 2003 (en bevestigd bij faxen d.d. 19 maart 2004) rechtsgeldig buitengerechtelijk zijn vernietigd;

c. dat gedaagde jegens eisers toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de krachtens overeenkomst(en) op haar jegens eisers rustende verplichtingen;

d. dat de ten processe bedoelde aandelenlease-overeenkomsten bij brieven en faxen (zoals sub b genoemd) rechtsgeldig buitengerechtelijk zijn ontbonden;

e. dat gedaagde jegens eisers onrechtmatig heeft gehandeld;

f. dat gedaagde jegens eisers aansprakelijk is voor de schade die eisers lijden, geleden hebben en zullen lijden ten gevolge van de door gedaagde en/of de tussenpersoon gepleegde wanprestatie en/of onrechtmatige daad;

subsidiair:

de ten processe bedoelde aandelenlease-overeenkomsten, alsmede de depot-overeenkomst nietig te verklaren, te vernietigen dan wel te ontbinden.

2.

gedaagde te veroordelen om aan eisers binnen twee dagen na betekening van een in dezen te wijzen veroordelend vonnis te betalen:

primair:

d. alle door eisers betaalde bedragen met betrekking tot het aangaan van de in het kader van de ten processe bedoelde overeenkomst(en) benodigde extra hypothecaire geldlening, waaronder in elk geval (doch niet beperkt tot) de op 26 april 2001 (door verrekening bij de notaris) betaalde bedragen:

kosten hypotheekakte: € 500,04

afsluitprovisie: € 462,86

kadastraal recht € 108,68

taxatiekosten € 430,63

telefonische overboeking € 6,81

subtotaal € 1.509,04

e. alle door eisers betaalde bedragen met betrekking tot de aan de onder a bedoelde hypothecaire geldlening en rente;

f. alle door eisers aan gedaagde betaalde bedragen met betrekking tot de ten processe bedoelde overeenkomsten, waaronder in elk geval (doch niet beperkt tot):

i. Winstverdriedubbelaar: 45 termijnen à € 227,58: € 10.241,10

ii. IB plan: € 1.831,20

iii. Overwaarde Effect € 67.531,51

iv. Rente tweede hypotheek 2001 t/m 2003 € 6.384,08

v. Rente tweede hypotheek 2004-06-08 P.M.

Subtotaal: € 85.987,89 + P.M.

Althans, een bedrag door U E.A. Kantonrechter in goede justitie te bepalen;

g. de wettelijke rente over alle bovenbedoelde betaalde bedragen, met ingang van de tijdstippen van de betaling tot aan de dag van de terugbetaling;

h. de buitengerechtelijke kosten die eisers aan hun advocaat hebben betaald in de aanloop tot de procedure, te weten € 2.522,80 incl. kantoorkosten en BTW, althans een bedrag door U E.A. Kantonrechter in goede justitie te bepalen;

subsidiair:

1. schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de Wet;

2. een voorschot op nader op te maken schadevergoeding, van € 50.000,=, althans

een bedrag door U E.A. Kantonrechter in goede justitie te bepalen;

primair en subsidiair:

de proceskosten van deze instantie, alsmede de kosten van de ten uitvoerlegging.

3.

Gedaagde te gebieden om binnen twee dagen na betekening van een in dezen te wijzen veroordelend vonnis aan de stichting Buro Kredietregistratie (BKR) schriftelijk en onvoorwaardelijk te berichten dat registratie van de ten processe bedoelde overeenkomst(en) en alle eventueel daarop gebaseerde andere inschrijvingen ten laste van eisers, blijvend worden verwijderd en/of gestaakt c.q. en/of gewijzigd ten gunste van eisers, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,= per (gedeelte van een) dag dat gedaagde sub I zou nalaten aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 100.000,=.”

3. Standpunten [Partij K.]

3.1. Volgens [Partij K.] dienen de lease-overeenkomsten te worden aangemerkt als huurkoop en derhalve als koop op afbetaling.

3.2. [Partij K.] stelt dat de lease-overeenkomsten nietig zijn wegens het ontbreken van de toestemming van [eiser 2] als bedoeld in art. 1:88 BW. Volgens [Partij K.] zijn de lease-overeenkomsten tijdig vernietigd, althans is tijdig een beroep gedaan op de nietigheid daarvan.

3.3. [Partij K.] legt voorts aan zijn vorderingen ten grondslag dat [eiser 2] door toedoen van Dexia heeft gedwaald, althans dat Dexia tekort is geschoten in de nakoming van haar zorgplicht(en), en/of onrechtmatig heeft gehandeld, waarbij [Partij K.] mede verwijst naar de persoonlijke omstandigheden van [eiser 2].

3.4. Daartoe stelt [Partij K.] - kort gezegd - dat Dexia niet aan haar verplichting heeft voldaan om een cliëntenprofiel op te stellen althans om onderzoek te doen naar zijn beleggingservaring en -doelstellingen, en dat Dexia voorts onvoldoende heeft gewezen op de aard en omvang van de risico’s die de overeenkomsten met zich meebrachten. Volgens [Partij K.] is [eiser 2] niet medegedeeld en heeft hij ook niet kunnen of behoren te begrijpen dat er sprake was van een belegging in effecten met geleend geld waaruit een restschuld zou kunnen ontstaan. Evenmin heeft [eiser 2] opdracht gegeven tot de aan- of verkoop van participaties Global Aandelenfonds. [Partij K.] stelt dat Dexia de overeenkomst niet heeft uitgevoerd via de beurs, maar slechts binnen haar interne organisatie. Volgens [Partij K.] zijn de teksten in de brochures waar Dexia zich op beroept misleidend. Volgens [Partij K.] heeft Dexia gehandeld in strijd met de Wet Toezicht Effectenverkeer (Wte), de Colportagewet, de Wet op de Identificatieplicht (WID), de Wet op het Consumentenkrediet (WCK) en de Algemene Bankvoorwaarden (ABV).

3.5. Volgens [Partij K.] is Dexia aansprakelijk voor de door haar geleden schade. De schade bestaat volgens [Partij K.] uit alle financiële gevolgen van het aangaan van de lease-overeenkomsten, althans uit de reeds door hem betaalde bedragen, waarbij [Partij K.] tevens aanspraak maakt op buitengerechtelijke kosten.

4. Standpunten Dexia

4.1. Dexia betwist de vorderingen van [Partij K.] en voert - kort gezegd – aan dat de lease-overeenkomsten niet kunnen worden aangemerkt als huurkoop.

4.2. Voorts voert Dexia aan dat er geen sprake is van vernietigbaarheid als bedoeld in art. 1:89 BW omdat – kort gezegd – art. 1:88 BW geen betrekking heeft op vermogensrechten als de onderhavige, er geen sprake is van huurkoop bij gebrek aan aflevering en omdat partijen niet hebben beoogd om de afnemer de effecten te doen verkrijgen.

4.3. Dexia betwist dat de lease-overeenkomsten door dwaling tot stand zijn gekomen, dat zij tekort zou zijn geschoten in de nakoming van haar zorgplichten of dat zij onrechtmatig zou hebben gehandeld. Volgens Dexia beschikte [Partij K.] bij het aangaan van de overeenkomsten over alle relevante informatie. Dexia betwist aansprakelijk te zijn voor het handelen of nalaten van de tussenpersoon. Ook betwist Dexia dat zij de bepalingen – voor zover van toepassing – van de door [Partij K.] genoemde wetten en regelingen niet in acht zou hebben genomen.

4.4. Tenslotte betwist Dexia de schade, althans betwist zij daarvoor aansprakelijk te zijn.

5. Vorderingen Dexia in (voorwaardelijke) reconventie

5.1. In onvoorwaardelijke reconventie vordert Dexia [Partij K.] te veroordelen tot betaling van € 18.246,64, zijnde (volgens Dexia) het na de onder 1.12 bedoelde eind-afrekening resterende saldo, vermeerderd met de wettelijke rente, stellende dat [Partij K.] in verzuim is met de nakoming van zijn verplichtingen uit de Winst-verdriedubbelaar.

5.2. In voorwaardelijke reconventie, namelijk voor het geval de in conventie ingestelde vordering tot vernietiging of ontbinding van de lease-overeenkomsten (geheel of gedeeltelijk) wordt toegewezen, vordert Dexia [Partij K.] te veroordelen tot betaling van een bedrag gelijk aan het verschil tussen de aankoopwaarde van de geleasete effecten respectievelijk de aangekochte participaties in Labouchere Global Aandelenfonds N.V., en de waarde van bedoelde effecten op de datum van verkoop, althans van gehele of gedeeltelijke vernietiging van de lease-overeenkomsten. Dexia doet een beroep op art. 6:278 BW.

5.3. Dexia verzoekt uitdrukkelijk om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

6. Verweer [Partij K.] in (voorwaardelijke) reconventie

6.1. Onder verwijzing naar het debat in conventie voert [Partij K.] naar aanleiding van de (hiervoor onder 5.1. weergegeven) onvoorwaardelijk ingestelde tegenvordering van Dexia aan dat deze om de hiervoor bedoelde redenen niet toewijsbaar is.

6.2. Onder verwijzing naar het debat in conventie voert [Partij K.] naar aanleiding van de (hiervoor onder 5.2. weergegeven) voorwaardelijk ingestelde tegenvordering van Dexia aan dat er geen grond bestaat voor toewijzing van de vorderingen van Dexia. Art. 6:278 BW is volgens [Partij K.] in dit geval niet van toepassing. Voorts voert [Partij K.] aan dat de vernietiging niet voortkomt uit de waardedaling van de effecten maar uit de aard van het product.

7. Algemene inleiding bij de beoordeling van de vorderingen en de verweren

7.1. Dexia en enkele van haar rechtsvoorgangsters hebben vanaf medio 1992, rechtstreeks of door tussenkomst van tussenpersonen, verschillende soorten effectenlease-overeenkomsten aangeboden aan consumenten. Deze overeenkomsten zijn aanvankelijk in sommige gevallen profijtelijk voor de afnemers geweest dankzij de koersontwikkeling van de effecten. Dit werd anders toen de koersen langdurig en sterk daalden. Zo daalde de AEX-index van september 2000 tot mei 2003 van 700 tot 270 punten. Sedert 2002 is Dexia geconfronteerd met zeer vele individuele en collectieve klachten, aanspraken en vorderingen met betrekking tot de effectenlease-overeenkomsten, die zijn gebaseerd op een verscheidenheid aan juridische grondslagen. De verkoop van deze producten is eind 2003 gestaakt. Volgens Dexia heeft zij over de periode 1992-2003 in totaal 713.540 overeenkomsten met in totaal 394.486 afnemers gesloten, neerkomend op een marktaandeel van 65%.

7.2. In de onderhavige zaak is (onder meer) een zogenoemde depotconstructie aan de orde. Dat is een samenstel van overeenkomsten met doorgaans de volgende kenmerken. De afnemer stort een bedrag in depot bij Dexia. Dit bedrag wordt door Dexia belegd in een beleggingsfonds, veelal het Labouchere Global Aandelenfonds. Het in het depot belegde bedrag is door de afnemer ofwel geleend bij een financiële instelling tegen een tweede hypotheek op (de overwaarde van) zijn huis, ofwel afkomstig uit eigen middelen van de afnemer. Tegelijkertijd sluit de afnemer met Dexia een of meer lease-overeenkomsten. Volgens deze overeenkomsten neemt Dexia op zich om voor rekening en risico van de afnemer effecten te kopen, waarbij de afnemer de aankoopsom schuldig blijft. Het gaat ook hier dus om een belegging met geleend geld. De afnemer is maandelijks rente verschuldigd over het geleende bedrag. Het depotbedrag is meestal zodanig gekozen dat daaruit, rekening houdende met dividenden, maar niet met koersdalingen, gedurende 5 jaar de maandtermijnen uit hoofde van de lease-overeenkomsten kunnen worden voldaan door middel van geleidelijke verkoop van de participaties in het beleggingsfonds.

7.3. De lease-overeenkomst bij een depotconstructie is (vrijwel altijd) een zogenoemd aflossingsproduct; de contractsduur is meestal 20 jaar. Na ommekomst van die termijn is de aankoopsom van de geleasede effecten (de hoofdsom) via de maandtermijnen afbetaald en kan er dus geen restant hoofdsom meer zijn. De afnemer is echter doorgaans gerechtigd de overeenkomst na 5 jaar zonder boeterente te beëindigen en de restant hoofdsom en de tweede hypothecaire lening af te lossen. Door de gedaalde koersen van de geleasede effecten is de waarde daarvan inmiddels echter lager geworden dan de aankoopsom, zodat er bij beëindiging van de lease-overeenkomst na 5 jaar vrijwel altijd een (aanzienlijke) restant hoofdsom bestaat, die de afnemer dan dient te voldoen.

7.4. De risico’s van de lease-overeenkomst zijn aanzienlijk, met name in verband met de kosten die op de afnemer van het product zijn gelegd. Daarom is een beduidende koersstijging van de geleasede effecten vereist, bemeten over de volle looptijd van de overeenkomst, om een positief rendement te behalen. Voortzetting van de lease-overeenkomst na 5 jaar tot de contractuele einddatum vergt van de afnemer nog aanzienlijke investeringen die hij in veel gevallen niet of slechts moeizaam kan opbrengen en die alleen bij aanzienlijke toekomstige koersstijgingen van de betreffende effecten tot een positief rendement leiden.

7.5. Bij depotconstructies zoals de onderhavige zijn de risico’s nog groter. De afnemer loopt immers niet alleen de hiervoor bedoelde aan de geleasede effecten verbonden risico’s, maar raakt bij dalende koersen ook zijn investering in het beleggingsfonds waarin het depot belegd is, (ten dele) kwijt. De verwachting dat hij gedurende de eerste 5 jaar de leasetermijnen zou kunnen voldoen uit de opbrengsten van het beleggingsdepot en dat hij dan na 5 jaar met winst uit zowel de lease-overeenkomst als de depotbelegging zou kunnen stappen, zoals hem bij het aangaan van de overeenkomst veelal door de tussenpersoon werd voorgehouden, kan niet gerealiseerd worden. Hij blijft na 5 jaar achter met een verlies op zijn depotbelegging en in veel gevallen bovendien met een tweede hypotheekschuld die hij niet kan aflossen met de opbrengsten van de depotconstructie.

7.6. Vanaf eind 2002 hebben Stichting Leaseverlies, Stichting Eegalease en Consumentenbond, daarin ondersteund door Vereniging van Effectenbezitters (VEB), diverse procedures tegen Dexia aanhangig gemaakt, onder meer ter zake van effectenlease-overeenkomsten. Ook andere belangenvertegenwoordigers procederen of hebben tegen Dexia geprocedeerd. Verder is Dexia partij (geweest) bij een groot aantal rechtszaken die door individuele afnemers van effectenlease-producten tegen Dexia of door Dexia tegen individuele afnemers zijn aangespannen. Bovendien is een groot aantal zaken aanhangig gemaakt bij de Klachtencommissie van het Dutch Securities Institute (DSI) en enkele zaken bij de Beroepscommissie van het DSI.

7.7. Op verscheidene manieren is gezocht naar een algemeen geldende minnelijke oplossing voor de geschillen. Dexia heeft in 2003 een minnelijke regeling aangeboden aan afnemers van “restschuldproducten”. Op 13 juli 2004 heeft de door de minister van Financiën ingestelde Commissie Geschillen Aandelenlease, met als voorzitter mr. M. Oosting, haar rapport uitgebracht. Haar werkzaamheden zijn niet in een minnelijke regeling uitgemond, maar het rapport bevat wel een voorstel voor een generieke regeling die gelijkenis vertoont met de hieronder te noemen WCAM-overeenkomst.

7.8. Onder leiding van dr. W.F. Duisenberg is op 28 april 2005 tussen de in 7.6 genoemde partijen de zogenoemde Duisenbergregeling overeengekomen. Op 23 juni 2005 is de zogenoemde WCAM-overeenkomst gesloten, alsmede enkele bijkomende overeenkomsten. Op 8 mei 2006 is de WCAM-overeenkomst bij "aanvullende overeenkomst" met ingang van dezelfde datum gewijzigd. Een groot aantal afnemers heeft op grond van die overeenkomsten recht op gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van (alleen) de restant hoofdsom; een kleiner deel heeft geen recht op enige vergoeding. De Duisenbergregeling en de WCAM-overeenkomsten zien niet op depot-leaseconstructies, maar worden hier volledigheidshalve vermeld.

7.9. De in 7.6 genoemde partijen en Dexia hebben op 18 november 2005 een verzoekschrift ingediend bij het gerechtshof te Amsterdam met – zakelijk weergegeven – het verzoek de WCAM-overeenkomst algemeen verbindend te verklaren als bedoeld in art. 7:907 BW.

7.10. Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij beschikking van 25 januari 2007 (LJN AZ7033), zakelijk weergegeven, de WCAM-overeenkomst algemeen verbindend verklaard en de einddatum van de opt-outmogelijkheid als omschreven in art. 1015 lid 2 sub b jo. 227 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) jo. art. 7:908 lid 2 BW bepaald op 31 juli 2007.

7.11. De bovengenoemde ontwikkelingen zagen in hoofdzaak op het zoeken naar generieke, algemeen geldende oplossingen voor de geschillen. De rechtbank staat voor de taak om specifieke conflictoplossingen te vinden, dus op zaaksniveau in de lopende dossiers. Dat neemt echter niet weg dat ook de specifieke oordelen van de rechtbank in individuele gevallen in een zeker generiek kader geplaatst moeten worden.

In de eerste plaats zijn de beginselen van rechtsvorming en rechtseenheid van groot belang. Hoewel de casuïstiek per dossier verschillend is, vertonen de procedures veel overeenkomsten, waarover zoveel mogelijk in gelijkluidende zin geoordeeld moet worden. Dat brengt mee dat de rechtbank een zo groot mogelijke samenhang in haar uitspraken over effectenlease wil bewerkstelligen.

In de tweede plaats is de proceseconomie van belang. De afdoening per zaak is tijdrovend, terwijl in veel procedures al geruime tijd op een oordeel wordt gewacht. Er zullen partijen zijn die de voorkeur geven aan een minnelijke oplossing van hun geschillen, maar zich ter zake mede willen oriënteren op gerechtelijke uitspraken. De rechtbank wil kenbare handvatten bieden.

7.12. De in Amsterdam en elders lopende procedures hebben formele en materiële rechtsvragen opgeleverd. Het formele aspect heeft betrekking op de bevoegdheid van de sectoren van de rechtbank: is het financiële belang maatgevend en dus (in de meeste gevallen) de sector civiel recht bevoegd of is de effectenlease-overeenkomst aan te merken als huurkoop en daarmee onderworpen aan het oordeel van de kantonrechter? De materiële aspecten betreffen de beoordeling van de inhoudelijke geschillen.

7.13. Aanvankelijk heeft Dexia zelf tegen afnemers in het gehele land vorderingen ingesteld tot betaling van onbetaalde termijnen en restant hoofdsommen. Later zijn in toenemende mate Dexia en soms tussenpersonen door afnemers gedagvaard. Dat gebeurde door individuele particulieren, al dan niet in verzameldagvaardingen, maar ook in collectieve acties op de voet van art. 3:305a BW zoals genoemd in 7.6. Nu Dexia in Amsterdam gevestigd is, nam het aantal procedures bij deze rechtbank vanaf 2003 sterk toe.

7.14. Omdat de in 7.7 en 7.8 genoemde buitengerechtelijke geschillenbeslechting niet c.q. slechts ten dele resultaat opleverden en de WCAM de mogelijkheid van opt-out biedt, is de focus thans gericht op gerechtelijke conflictoplossing. Bij deze rechtbank lopen inmiddels enkele duizenden zaken. In het merendeel van die procedures treden de afnemers op als eiser, hetzij in individuele dagvaardingen hetzij in zogenoemde verzameldagvaardingen, waarin voor meerdere (enkele tot honderden) afnemers met uiteenlopende vorderingen wordt geprocedeerd. Onzeker is thans in hoeveel zaken een opt-outverklaring zal worden afgegeven, hoeveel zaken na schikking of intrekking doorgehaald zullen worden en hoeveel nieuwe zaken nog aangebracht zullen worden. De rechtbank heeft per 1 januari 2007 als samenwerkingsverband tussen de sectoren kanton en civiel recht het Team Effectenlease opgericht, dat als taak heeft de effectenlease-procedures af te handelen buiten de normale zaakstromen om.

7.15. De rechterlijke behandeling van de effectenlease-geschillen is in veel opzichten bijzonder. In materieel opzicht liggen er veel nog niet eenduidig beantwoorde rechtsvragen, deels van dogmatische en deels van meer feitelijke aard. Voorbeelden van de eerste categorie zijn de vragen of de lease-constructies aan te merken zijn als huurkoop, of de bescherming van niet-meetekenende echtgenoten op de voet van art. 1:88/89 BW van toepassing is, of de Wet op het consumentenkrediet (WCK) geldt, hoever de zorgplicht van de effecteninstellingen strekt en welke positie tussenpersonen hebben. Voorbeelden van de tweede categorie zijn of de afnemers zich in het concrete geval kunnen beroepen op een wilsgebrek, of aan de voormelde zorgplicht is voldaan en welke overwegingen gelden ten aanzien van de verdeling van de schade, bijvoorbeeld op grond van de art. 6:2, 6:101, 6:248 en 6:278 BW. Vooral de tweede categorie vereist rechterlijk maatwerk.

7.16. De materie wordt echter niet alleen door materiële, kwalitatieve aspecten gekenmerkt, maar ook door kwantitatieve. Uit het bovenstaande blijkt dat er grote aantallen procedures lopen die eerst onder de WCAM-schorsing vielen en – gelet op die omvang – thans niet op korte termijn in rechte afgehandeld kunnen worden. Omdat het debat over de uiteenlopende rechtsvragen nog niet is afgerond, kunnen partijen zich in hun verwachtingen over de afloop van de procedure slecht oriënteren. Hun beslissingen, waaronder het besluit om al dan niet gebruik te maken van de opt-outregeling van de WCAM, worden sterk bepaald door duiding van de voorhanden (lagere) rechtspraak in de uiteenlopende individuele zaken.

7.17. Uit de uitspraken op het gebied van de effectenlease – van rechterlijke instanties en van de Klachten- en Beroepscommissie van het DSI – blijkt dat de materie vanuit zeer verschillende invalshoeken benaderd wordt. De uitkomsten lopen daarom ook uiteen, nog los van de beoordeling van de casuïstiek in het individuele dossier. De rechtbank heeft zich bij de formulering van de onderstaande oordelen gebaseerd op de behandelde dossiers en op de huidige stand van de rechtspraak. Dat is meer dan een momentopname, maar geen onwrikbaar gegeven. Ook na dit vonnis zullen de argumenten van partijen worden gewogen en zal acht geslagen worden op ontwikkelingen in de rechtsvorming.

7.18. De rechtbank geeft in de eerste plaats in de rechtsoverwegingen onder 8 oordelen over de dogmatische vraagstukken. Niet alle rechtsvragen zijn in het onderhavige dossier opgeworpen. Deze uitspraak wil echter de algemene, huidige inzichten van de rechtbank weergeven. In de tweede plaats heeft de rechtbank in de rechtsoverwegingen onder 9 een kader opgesteld, waarbinnen zij de individuele omstandigheden van het geval beoordeelt. Aldus wordt beoogd om de generieke en de specifieke aspecten van de materie met elkaar te verbinden.

8. Algemene beoordeling van de rechtsvragen

8.1. Huurkoop; bevoegdheid

8.1.1. Er is sprake van producten waarbij aandelen geleased worden en producten waarbij de afnemer zogenoemde certificaten leaset, die recht geven op de koerswaarde van een pakket aandelen in een bepaalde samenstelling. Naar het oordeel van de rechtbank dient de lease-overeenkomst in beide gevallen te worden aangemerkt als huurkoop (en derhalve ook als koop op afbetaling). De overeenkomst voldoet aan de definitie van huurkoop in art. 7A:1576h BW, heeft althans dezelfde strekking. Voor de motivering van dit oordeel verwijst de rechtbank naar de overwegingen in het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 1 maart 2007 (LJN: AZ9721), welke overwegingen de rechtbank hier overneemt en tot de hare maakt. Kort samengevat is de rechtbank van oordeel dat huurkoop op de voet van de art. 7:47 en 7A:1576 lid 5 BW betrekking kan hebben op vermogensrechten (als de onderhavige). De afnemer heeft zich verbonden de prijs te betalen in termijnen, waarvan twee of meer verschijnen nadat de aandelen aan hem/haar zijn afgeleverd. Hierbij is niet relevant of de termijnen aflossing en/of rente betreffen en evenmin welke omvang zij hebben.

8.1.2. Bij de lease van aandelen is van belang dat Dexia zich heeft verbonden de aandelen in eigendom over te dragen onder de opschortende voorwaarde van algehele betaling van de prijs. Dexia heeft zich verder verbonden de aandelen af te leveren. Zij heeft zich immers verbonden de aandelen voorwaardelijk ten name van afnemer bij te schrijven in haar administratie overeenkomstig art. 17 Wet giraal effectenverkeer (Wge), en aan de afnemer kwamen, dadelijk nadat hij/zij de overeenkomst was aangegaan, alle (dividend)baten en alle waardeveranderingen van de aandelen toe.

8.1.3. Bij de lease van certificaten is van belang dat Dexia zich heeft verbonden de desbetreffende vordering in eigendom over te dragen onder de opschortende voorwaarde van algehele betaling van de prijs. Dexia heeft zich verder verbonden de vordering af te leveren. In dit verband is, naast deze voorwaardelijke overdracht, het volgende van belang: Dexia heeft aan de afnemer een eerste pandrecht op de vordering verleend (waarvan zij dadelijk mededeling diende te doen aan de uitgevende instelling); aan de afnemer kwamen, dadelijk nadat hij/zij de overeenkomst was aangegaan, alle waardeveranderingen van de vordering toe, al dan niet omdat de (dividend)baten van de effecten waarop het certificaat betrekking had direct werden verwerkt in de (koers)waarde van het certificaat.

8.1.4. Nu beide typen overeenkomsten in beginsel, behoudens andersluidende omstandigheden, kwalificeren als huurkoop is de kantonrechter bevoegd.

8.1.5. Indien de inhoud van de overeenkomst tussen partijen in een concreet geval afwijkt van de hiervoor genoemde uitgangspunten zal dit tot een ander oordeel kunnen leiden. Hierna zal onder 10 worden nagegaan of dit zich voordoet in het individuele geval waarop dit vonnis betrekking heeft.

8.2. Art. 1:88/89 BW; toepasselijkheid, toestemming, verjaring en gevolgen

8.2.1. Toepasselijkheid

Voor het geval een afnemer, althans de echtgenoot (waar sprake is van echtgenoot wordt in een voorkomend geval tevens gedoeld op de echtgenote en de geregistreerd partner) van de afnemer, ten aanzien van de lease-overeenkomst een beroep heeft gedaan op de nietigheid daarvan krachtens de art. 1:88 en 1:89 BW, wordt overwogen als volgt. De vraag of art. 1:88 lid 1 onder d BW van toepassing is op een effectenlease-overeenkomst als de onderhavige is bevestigend beantwoord in het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 1 maart 2007 (LJN: AZ9721). De overwegingen in dat arrest worden hier overgenomen. Behoudens andere specifieke omstandigheden bestaat geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De beschermingsfunctie van het toestemmingsvereiste dient van toepassing te zijn op de gehele wettelijke regeling van de koop op afbetaling, met inbegrip van de in art. 7A:1576 lid 5 BW bedoelde vermogensrechten zoals die van de onderhavige effecten.

8.2.2. Toestemming echtgenoot

Vervolgens is de vraag aan de orde of de echtgenoot van een afnemer van de overeenkomst moet hebben geweten en of hij (op grond daarvan) geacht moet worden al dan niet impliciet zijn toestemming te hebben gegeven. Dexia heeft over dit vraagstuk betoogd dat blijkens het bepaalde in art. 7A:1576j lid 3 BW de schriftelijke vorm voor huurkooptransacties niet is voorgeschreven, zodat voor de echtgenoot niet het schriftelijke vormvereiste geldt. Het ontbreken van een akte zou niet de geldigheid van de transactie raken, maar slechts het eigendomsvoorbehoud buiten werking stellen. Dat betoog wordt niet gevolgd. Art. 1:88 lid 3 BW houdt in dat de echtgenoot schriftelijk toestemming moet verlenen, indien de wet voor het verrichten van de rechtshandeling een vorm voorschrijft. Nu volgens art. 7A:1576i BW huurkoop bij akte wordt aangegaan, diende de echtgenoot derhalve schriftelijk toestemming te geven voor de overeenkomst (vgl. het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 1 maart 2007, LJN: AZ9721, rechtsoverweging 2.12.3). Bij het ontbreken van een schriftelijke toestemming heeft de echtgenoot de bevoegdheid een beroep te doen op de hier bedoelde vernietigbaarheid (vgl. het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 1 maart 2007, LJN: AZ9721, rechtsoverweging 2.12.3).

8.2.3. Verjaring beroep op art. 1:88/89 BW

Voor het geval de echtgenoot van een afnemer een beroep heeft gedaan op de in art. 1:89 BW bedoelde vernietigbaarheid en Dexia de verjaring van dit beroep heeft ingeroepen, wordt overwogen als volgt. De verjaringstermijn voor dit beroep is op grond van art. 3:52 lid 1 sub d BW 3 jaar. De termijn vangt aan op het moment dat degene aan wie de bevoegdheid tot vernietiging toekomt bekend wordt met de overeenkomst. Niet noodzakelijk is dat deze bekend is met de juridische kwalificatie van die overeenkomst (vgl. HR 5 januari 2007, RvdW 2007, 68 en LJN: AY8771). De bekendheid van de echtgenoot met de lease-overeenkomst zal onder meer kunnen worden afgeleid uit betalingen van op grond van die overeenkomst verschuldigde bedragen die hebben plaatsgevonden vanaf de en/of-bankrekening die op naam van beide echtgenoten stond. Indien zodanige betalingen hebben plaatsgevonden moet ervan worden uitgegaan dat de echtgenoot op de hoogte was van de lease-overeenkomst, met ingang van de ontvangstdatum van de bankafschriften waarop die betalingen staan vermeld. Dan is 3 jaar later het beroep verjaard.

De stelling van Dexia dat er in de Nederlandse gezinsverhoudingen van uitgegaan mag worden dat de echtgenoot er steeds van op de hoogte is wanneer de partner investeringen zoals de onderhavige doet, moge in veel gevallen juist zijn maar is onvoldoende om deze bekendheid ook aan te nemen in gevallen waarin de afnemer heeft betwist dat dit ook voor de echtgenoot gold. Van de afnemer mag in het kader van deze betwisting verlangd worden dat hij gemotiveerd aangeeft wanneer en aan de hand van welke feiten de echtgenoot voor het eerst kennis heeft genomen van de lease-overeenkomst(en). Bij een voldoende gemotiveerde betwisting ligt het op de weg van Dexia om feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit volgt dat het recht om de vernietiging van art. 1:89 BW in te roepen is verjaard.

8.2.4. Gevolgen vernietiging

Indien het voormelde beroep tijdig en op juiste gronden is gedaan, is de lease-overeenkomst vernietigd. Dat betekent dat hetgeen ter zake van (uitsluitend) de lease-overeenkomst aan Dexia is betaald, dient te worden gerestitueerd (verminderd met de eventuele door de afnemer genoten opbrengsten zoals dividenden). Voor zover de vordering betrekking heeft op andere nadelen dan betalingen krachtens de lease-overeenkomst zal moeten worden onderzocht of toewijzing daarvan op een van de andere door de afnemer gestelde gronden mogelijk is. De eigendom van de geleasede effecten verblijft bij Dexia. Het beroep van Dexia op art. 6:278 BW wordt in het geval van vernietiging op grond van art. 1:88 BW afgewezen. Weliswaar draagt ook afnemer een eigen verantwoordelijkheid voor de door hem gekozen belegging, maar dat kan er niet toe leiden dat op de restitutieplicht van Dexia naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid gekort behoort te worden. Aan art. 1:89 BW ligt de gedachte ten grondslag dat de partner, c.q. het gezin, beschermd dient te worden tegen verplichtingen als bedoeld in art. 1:88 BW die zonder toestemming van de ene partner door de ander zijn aangegaan. Hiermee is niet te verenigen dat op de restitutieplicht van Dexia gekort zou worden op grond van omstandigheden die niet aan enige gedraging van die andere partner toegerekend kunnen worden (vgl. het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 1 maart 2007, LJN: AZ9721).

8.2.5. Nietigheid ex art. 1:88/89 BW ziet alleen op lease-overeenkomst

De vernietiging van een lease-overeenkomst op deze grond betekent niet dat daardoor ook de aan het beleggingsdepot ten grondslag liggende overeenkomst vernietigd wordt, nu daarvoor de in art. 1:88 BW bedoelde toestemming van de echtgenoot niet is vereist. De vernietiging van de lease-overeenkomst heeft (uitsluitend) tot gevolg dat Dexia gehouden is terug te betalen hetgeen de afnemer op grond van die overeenkomst aan Dexia heeft betaald, verminderd met de eventuele door de afnemer uit die lease-overeenkomst genoten opbrengsten zoals dividenden. Het in het beleggingsdepot gestorte bedrag als zodanig valt niet aan te merken als een krachtens de lease-overeenkomst gedane betaling. Als zodanig zijn wel aan te merken de door Dexia uit het beleggingsdepot ontvangen termijnbetalingen. Het totaal van laatstbedoelde termijnbetalingen is lager dan het oorspronkelijk in depot gestorte bedrag, dit als gevolg van de waardedaling van de participaties in het effectenfonds waarin dat depot was belegd. Het verschil tussen het in depot gestorte bedrag en het totaal aan door Dexia uit dat depot ontvangen betalingen zal hierna worden aangeduid als het waardeverlies van het depot.

8.3. Strijd met WCK en andere wetten en regelingen

8.3.1. Dexia beschikte niet over een vergunning krachtens de WCK, op welke grond de (ver)nietig(baar)heid van de overeenkomst is bepleit. Daarnaast wordt aangevoerd dat sprake is van nietigheid van de overeenkomst, dan wel een tekortkoming of onrechtmatig handelen jegens de afnemer, wegens strijd met andere wetten en regelingen zoals de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Wte 1995), de Colportagewet, de Wet op de identificatieplicht (WID), met bepalingen in of krachtens de Wet identiteitsvaststelling bij financiële dienstverlening, de Wet identificatie bij dienstverlening (WIF), en/of met de Algemene Bankvoorwaarden. Naar aanleiding daarvan wordt overwogen als volgt.

8.3.2. Indien de overeenkomst op een van de bovenbedoelde gronden zou worden vernietigd, dan ontstaan daaruit voor beide partijen verplichtingen. Enerzijds zal Dexia de reeds geleverde prestaties ongedaan dienen te maken (er is dan sprake van onverschuldigde betaling). Anderzijds zal in dat geval, op grond van art. 6:278 BW, de waardedaling van de geleasede effecten voor rekening van de afnemer komen. Beide verplichtingen dienen te worden beoordeeld en (zonodig) beperkt (eventueel tot nihil) met toepassing van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 BW). Die maatstaven van redelijkheid en billijkheid en de daarbij in aanmerking te nemen feiten en omstandigheden van het individuele geval zijn dezelfde als welke dienen te gelden zonder toepasselijkheid van de betreffende wet waardoor het eindresultaat in beide gevallen hetzelfde zal zijn. Voorts dient Dexia in de onderhavige gevallen ook buiten hetgeen is bepaald in de WCK en de andere bedoelde wetten en regelingen reeds aan een zorgplicht te voldoen waaraan hoge eisen worden gesteld. Niet valt in te zien dat er een verschil bestaat tussen laatstbedoelde algemene zorgplichten – waaraan hierna zal worden getoetst – en de zorgplichten die de hier bedoelde wetten en regelingen in het algemeen beogen te waarborgen.

8.3.3. De slotsom is dat het beroep op de WCK en/of op de bovenbedoelde andere wetten en regelingen in beginsel niet tot een ander oordeel kan leiden omtrent de (door elk van partijen te dragen) gevolgen van het aangaan van de betreffende overeenkomst, dan zou hebben te gelden zonder een zodanig beroep. Uit het voorgaande volgt dat er voldoende gronden bestaan om de toepasselijkheid van de WCK en de andere hier bedoelde wetten en regelingen in het midden te laten.

8.4. Misleidende reclame

8.4.1. Maatstaf bij de vraag of sprake is van misleidende reclame is – kort gezegd – hetgeen kon worden begrepen door een gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument bij kennisneming van de betreffende reclame (HvJ EG 16 juli 1998, C-210/96, NJ 2000, 374).

8.5. Dwaling

8.5.1. Een persoon die overweegt een overeenkomst aan te gaan, is tegenover de wederpartij gehouden om, binnen redelijke grenzen, maatregelen te nemen teneinde te voorkomen dat hij onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken met die overeenkomst instemt. Uit die verplichting volgt dat van een potentiële afnemer mag worden verwacht dat hij deze overeenkomst zorgvuldig leest alvorens ermee in te stemmen en zich naar vermogen inspant om de reikwijdte van zijn daaruit volgende verplichtingen en risico’s te begrijpen. Als hij nalaat zich op de hier bedoelde wijze te informeren en vervolgens onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken een overeenkomst aangaat, komt die onjuiste voorstelling voor zijn eigen risico. In dat geval kan zij krachtens art. 6:228 lid 2 BW niet tot vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling leiden.

8.5.2. Een en ander laat onverlet dat Dexia tekort kan zijn geschoten in de nakoming van haar zorgplicht als zij de daaruit voortvloeiende waarschuwingsplicht heeft geschonden. Dat is een ander criterium dan dat geldt ten aanzien van dwaling. Op die tekortkoming kan aansprakelijkheid van Dexia berusten.

8.6. Aankoop effecten

8.6.1. Voor zover afnemer heeft bedoeld te stellen dat Dexia de in de lease-overeenkomst genoemde effecten niet daadwerkelijk heeft gekocht wordt overwogen als volgt. Het gerechtshof te Amsterdam heeft in zijn zogenoemde WCAM-beschikking van 25 januari 2007 (LJN: AZ7033) op basis van een rapportage van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) geoordeeld dat er onvoldoende reden is te twijfelen aan de feitelijke verwerving van de effecten door Dexia. De rechtbank ziet geen aanleiding thans anders te oordelen.

8.7. Aansprakelijkheid voor tussenpersonen

8.7.1. Bij de beantwoording van de vraag of een instelling als Dexia aansprakelijk is voor gedragingen van een tussenpersoon, door wiens toedoen overeenkomsten als de onderhavige tot stand zijn gekomen, wordt aansluiting gezocht bij het bepaalde in art. 6:76 BW, te weten dat de schuldenaar die bij de uitvoering van een verbintenis gebruik maakt van andere personen, voor hun gedragingen op gelijke wijze aansprakelijk is als voor eigen gedragingen. Er is geen reden hierover anders te oordelen indien de tussenpersoon zich alleen heeft beziggehouden met het voorbereidingstraject en dit traject geleid heeft tot een overeenkomst met Dexia. Hierbij is niet van belang of de tussenpersoon al dan niet kan worden beschouwd als vertegenwoordiger van Dexia. Het gaat erom dat de tussenpersoon gehandeld heeft ten voordele van Dexia. Nadelige gevolgen van gedragingen van de tussenpersoon behoren dan niet te worden afgewenteld op de wederpartij, maar dienen voor risico te komen van Dexia.

8.7.2. Dexia is derhalve aansprakelijk voor het handelen en nalaten van de tussenpersoon bij de totstandkoming van de lease-overeenkomst. Daaraan kan nog worden toegevoegd dat het een eigen verantwoordelijkheid is van Dexia als bank en effecteninstelling om er zorg voor te dragen dat de afnemers van haar producten de informatie ontvangen die behoort bij haar zorgplicht. Dexia dient er op toe te zien dat tussenpersonen die voorlichting naar behoren geven en dient bij gebreke daarvan zelf voor de noodzakelijke informatie zorg te dragen. Een en ander vindt steun in het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 1 maart 2007 (LJN: AZ9722, rechtsoverweging 2.15) en de beslissing van de Beroepscommissie van het DSI van 27 januari 2005 (JOR 2005, 67).

8.8. Toepasselijkheid Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer (NR)

8.8.1. Er bestaat debat over de toepasselijkheid van de NR zoals deze van kracht was ten tijde van het aangaan van de lease-overeenkomst (en). In het voetspoor van het vonnis van deze rechtbank van 30 juni 2004, NJF 2004, 410 (LJN: AP4933), van de daaromtrent gedane uitspraken van de Klachtencommissie van het DSI van 5 februari 2004, NJF 2004, 446 en het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 1 maart 2007 (LJN: AZ9722) is de rechtbank van oordeel dat Dexia bij het aanbieden van het onderhavige product gehouden was aan de in de NR gecodificeerde zorgplicht, waaraan niet afdoet dat zij een kant-en-klaar effectenproduct aan een breed publiek aanbood. Voor zover Dexia heeft gesteld dat de NR onverbindend is treft dit geen doel, omdat de NR haar wettelijke basis vindt in art. 11 van de Wte 1995 (HR 24 november 2006, NJ 2006, 644 (LJN: AY9222)). Voorts volgen de daarin neergelegde regels ook uit de zorgplicht, waarvan de Hoge Raad in zijn arrest van 9 januari 1998, NJ 1999, 285, JOR 1998, 116 (LJN: ZC2536), heeft beslist “dat de maatschappelijke functie van de banken een bijzondere zorgplicht meebrengt, zowel jegens haar cliënten uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding, als ten opzichte van derden met wier belangen zij rekening behoren te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.”

8.9. Nakoming zorgplicht

8.9.1. Zoals onder 7.4 en 7.5 van dit vonnis reeds is toegelicht, zijn de risico’s van de depotconstructie aanzienlijk. Dexia behoorde zich als professionele dienstverlener bewust te zijn van de gerede mogelijkheid dat de koersstijging van de desbetreffende effecten ontoereikend zou zijn om de afnemer ten minste zijn inleg terug te bezorgen en eventueel zijn (resterende) schuld uit hoofde van de lease-overeenkomst (de restant hoofdsom) aan Dexia af te lossen. Dexia had zich tenminste rekenschap behoren te geven van de vraag of haar potentiële wederpartij naar redelijke verwachting over voldoende bestedingsruimte zou beschikken om aan de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen te kunnen voldoen. Tenslotte behoorde Dexia de (potentiële) afnemer op niet mis te verstane wijze omtrent deze risico’s te informeren en daarvoor te waarschuwen.

8.9.2. Dat klemt temeer omdat Dexia het product voor een breed publiek beschikbaar heeft gesteld. Dexia had er op bedacht dienen te zijn dat tot haar wederpartijen personen zouden behoren die niet over voldoende inzicht in beleggen beschikken om zich zelfstandig in effectentransacties te begeven. Zij heeft het product zelden rechtstreeks en veelal via (zelfstandige) tussenpersonen aangeboden. Zodoende heeft Dexia zich voor de kwaliteit van de informatieverstrekking aan individuele (potentiële) wederpartijen ten dele afhankelijk gemaakt van die tussenpersonen. Reeds daarom diende Dexia het door haarzelf verspreide voorlichtingsmateriaal – brochures, formulieren voor het aanvragen c.q. aangaan van de overeenkomsten, (concept)overeenkomsten en bijbehorende (algemene) voorwaarden – zodanig in te richten dat degene die overwoog de onderhavige overeenkomst aan te gaan daarin nadrukkelijk de hiervoor bedoelde waarschuwing aantrof, in bewoordingen die voor de betreffende ondeskundige afnemer duidelijk zijn.

In het bijzonder is ten aanzien van een beleggingsproduct als het onderhavige, met een complexiteit die de risico's voor een niet-deskundige consument verhult, een zo compleet mogelijke en niet voor misverstand vatbare voorlichting dringend geboden. Die voorlichting diende in elk geval te waarschuwen voor de niet te verwaarlozen kans dat, afhankelijk van de ontwikkelingen op de effectenmarkten, de investering – het totaal van de contractueel voorziene termijnbetalingen – verloren zou gaan en dat in een voorkomend geval bovendien een schuld aan Dexia kon resteren.

8.9.3. In al die gevallen dat Dexia heeft nagelaten de afnemer de hiervoor genoemde informatie te geven, is zij tekort geschoten in haar zorgplicht. Hetzelfde geldt als het onderzoek van Dexia naar de bestedingsruimte van haar afnemer beperkt is gebleven tot de – voor dat onderzoek ontoereikende – vraag of deze bij het Bureau Krediet Registratie (BKR) geregistreerd stond.

9. Verdeling van het nadeel; algemeen

9.1. Onderzocht moet worden, voor zover een beroep op vernietiging niet slaagt, of het niet nakomen door Dexia van haar zorgplicht met zich brengt dat Dexia aansprakelijk is voor de daarvan door de afnemer ondervonden negatieve gevolgen, hierna aan te duiden als het nadeel. Het in art. 6:98 BW vereiste causaal verband tussen die tekortkoming en dat nadeel laat zich niet, althans bezwaarlijk, vaststellen omdat achteraf niet met zekerheid kan worden vastgesteld of de lease-overeenkomst tot stand zou zijn gekomen indien Dexia wel aan haar zorgplicht had voldaan. Gelet op de aard van de geschonden norm en de ernst van de schending zal derhalve moeten worden geschat wat de kans is dat de onderhavige lease-overeenkomst ook bij afdoende nakoming van de zorgplicht door Dexia tot stand zou zijn gekomen en de afnemer, die zich wel bewust was van de risico’s, de kwade kansen van een koersdaling dus wenste te accepteren in het vertrouwen dat die daling zich niet zou voortdoen. Indien die kans als zeer groot moet worden aangemerkt, zal Dexia niet aansprakelijk zijn voor het door de afnemer geleden nadeel. Indien die kans als zeer klein moet worden aangemerkt, zal Dexia het door de afnemer geleden nadeel dienen te vergoeden. Ten aanzien van tussen beide uitersten gelegen gevallen is het, mede gelet op de aan de art. 6:99, 6:101 en 6:248 BW ten grondslag liggende uitgangspunten, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om Dexia onverkort alle nadeel te laten dragen en dient het voor rekening van Dexia komende nadeel te worden verminderd in evenredigheid met de, op een gemotiveerde schatting berustende, mate waarin aan de afnemer toe te rekenen omstandigheden tot diens nadeel hebben bijgedragen. Dit overeenkomstig hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in zijn arrest van 31 maart 2006, RvdW 2006, 328 (LJN: AU6092). Een en ander zal tot uitdrukking worden gebracht door toepassing van de hierna bedoelde maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

9.2. Afnemer heeft ter zake van het samenstel van de lease- en depotovereenkomsten de volgende uitgaven en kosten besteed, die geleid hebben tot het door hem ondervonden nadeel:

I. de inleg in het depot (dat deels is opgegaan aan de uit het depot betaalde termijnen van de lease-overeenkomst en deels aan waardeverlies van het fonds waarin het depot belegd is),

II. de financieringskosten van het depot (dat is ofwel de aan de hypotheekbank betaalde rente, notariskosten, provisiekosten, royementskosten etc. ofwel de eigen rentederving wanneer het depot met eigen geld is ingelegd),

III. de maandtermijnen die nog betaald of verschuldigd zijn in de periode tussen het moment dat het depot op was en het moment dat de lease-overeenkomst werd beëindigd, over een maximumperiode van 5 jaar na ingangsdatum van de overeenkomst,

IV. de restant hoofdsom, te verminderen met de verkoopwaarde van de effecten en met de aan de afnemer uitgekeerde of nog uit te keren dividenden.

9.3. Alle door de afnemer geleden nadeel wordt in aanmerking genomen, maar voor de hoogte van de vergoeding wordt onderscheid gemaakt tussen die onderdelen van het nadeel die bij een toerekening naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid voor 100% voor rekening van de afnemer dienen te blijven, respectievelijk voor 100% voor rekening van Dexia, of die in een procentuele sleutel tussen partijen verdeeld dienen te worden. Bij deze verdeling speelt niet slechts een rol in welke mate het nadeel aan ieder van partijen is toe te rekenen, maar eveneens in hoeverre de toegekende vergoeding per onderdeel passend is in het totaal van de aan afnemer toegekende vergoeding. Bijzondere omstandigheden die gelegen kunnen zijn in de persoon van de afnemer, zijn kennis en ervaring, financiële omstandigheden of het bestemmingsdoel van de belegging, kunnen evenwel een afwijking van deze toerekening rechtvaardigen.

9.4. De verschillende componenten van het door de afnemer geleden nadeel zullen als volgt aan ieder van partijen worden toegerekend:

A. het waardeverlies van de depotbelegging (het verschil tussen de inleg en de uit het depot betaalde leasetermijnen) komt voor 100% voor rekening van Dexia;

B. de aan Dexia verschuldigde maandtermijnen op de lease-overeenkomst, vermeerderd met de reststand hoofdsom en verminderd met de uitgekeerde of nog uit te keren dividenden, alsmede met de verkoopwaarde van de effecten, komen voor 80 tot 90% voor rekening van Dexia; dit omvat dus zowel de termijnen die uit het depot betaald zijn, als de daarna nog verschuldigde termijnen; er zijn over maximaal 5 jaar maandtermijnen verschuldigd;

C. de financieringskosten van het depot blijven geheel voor rekening van de afnemer.

9.5. De rechtbank gaat er – mede op grond van de door de afnemer doorgaans van de tussenpersoon ontvangen adviezen – bij de hiervoor genoemde maximumtermijn voor de maandtermijnen vanuit dat de afnemer zich niet voor langere tijd aan de betaling van de maandtermijnen heeft willen binden, dan tot het moment dat de overeenkomst boetevrij tussentijds beëindigd kon worden. Deze termijn wordt door de rechtbank gemaximeerd tot 5 jaar na aanvang van de overeenkomst, nu een langere termijn, bijzondere omstandigheden daargelaten, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aanvaard kan worden.

9.6. De rechtbank zal in dit gedeelte van dit vonnis niet ingaan op bijzondere casusposities die zich kunnen voordoen indien de afnemer de oorspronkelijke looptijd van de lease-overeenkomst na het verstrijken daarvan heeft verlengd en/of indien hij de overeenkomst wel eerder boetevrij had kunnen beëindigen, maar zulks heeft nagelaten. De rechtbank zal hieromtrent nader beslissen aan de hand van de omstandigheden van het geval, indien zich zodanig geval voordoet.

9.7. Nadat partijen met elkaar hebben afgerekend zoals de rechtbank zal beslissen, zullen zij uit hun rechtsverhouding geen verplichtingen meer jegens elkaar hebben en zal de eigendom van de effecten bij Dexia verblijven.

10. Beoordeling van de vorderingen in conventie en (voorwaardelijke) reconventie

10.1. De vorderingen in conventie en reconventie lenen zich voor een gezamenlijke behandeling, tot anders wordt aangegeven. Waar nodig zal hierna nader worden ingegaan op de stellingen en verweren van partijen. Geoordeeld wordt als volgt.

10.2. Gelet op hetgeen onder 8.1.1 e.v. is overwogen worden de onderhavige overeenkomsten aangemerkt als huurkoop en derhalve als koop op afbetaling.

10.3. Gelet op hetgeen hiervoor bij de algemene beoordeling van de rechtsvragen is overwogen wordt het beroep van [Partij K.] op dwaling en/of misleiding afgewezen. Dat [eiser 2] geen opdracht zou hebben gegeven tot de (geleidelijke) verkoop van participaties Global Aandelenfonds kan niet worden aanvaard, nu op het door hem ondertekende aanvraagformulier als bedoeld onder 1.6 uitdrukkelijk is ingevuld dat de storting plaatsvindt in het Global Aandelenfonds, op het formulier staat vermeld dat na ontvangst van het betreffende bedrag de aankoop van participaties plaats zal vinden, en voorts dat de maandelijkse storting uit het depot plaats zou vinden ten behoeve van lease-overeenkomst Overwaarde Effect. Dit laatste zou niet mogelijk zijn zonder verkoop van de betreffende participaties. Voorts zal het beroep van [eiser 2] op strijd met de door hem bedoelde wetten en regelingen buiten behandeling blijven om de hiervoor onder 8.3 bedoelde redenen. Hetgeen door [Partij K.] is aangevoerd vormt voorts geen aanleiding om af te wijken van het onder 8.6 geformuleerde uitgangspunt dat er van uit gaat dat Dexia de effecten heeft verworven.

10.4. [eiser 2] heeft ten aanzien van alle bovengenoemde overeenkomsten een beroep gedaan op de nietigheid daarvan krachtens de art. 1:88 en 1:89 BW. [eiser 2] heeft geen schriftelijke toestemming gegeven voor het aangaan van de lease-overeenkomsten. Dexia heeft geen beroep gedaan op eventuele verjaring van het beroep op nietigheid. Geconcludeerd wordt dat de drie lease-overeenkomsten rechtsgeldig buitengerechtelijk zijn vernietigd wegens strijd met art. 1:88 BW, met de onder 8.2.4 bedoelde rechtsgevolgen. Dit betekent voorts dat de gevorderde verklaring voor recht in zoverre toewijsbaar is.

Vorderingen ter zake van Winstverdriedubbelaar en IB-Plan

10.5. [Partij K.] heeft onbetwist gesteld dat aan Dexia is betaald ter zake van:

de Winstverdriedubbelaar € 10.241,10

IB-Plan € 1.831,20

Dat er sprake is geweest van nog niet verrekende, door [eiser 2] genoten opbrengsten is gesteld noch gebleken.

10.6. Uit het voorgaande volgt dat Dexia genoemde bedragen aan [Partij K.] dient terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente ingaande het moment waarop aanspraak werd gemaakt op die terugbetaling, in dit geval ingaande 16 juni 2003 (over € 10.241,10) en 23 oktober 2003 (over € 10.241,10 plus € 1.831,20).

Vorderingen ter zake van Overwaarde Effect

10.7. De vorderingen van [Partij K.] hebben betrekking op méér dan uitsluitend het terugontvangen van krachtens de lease-overeenkomst Overwaarde Effect betaalde bedragen. Zij hebben met name ook betrekking op het volledige in het beleggingsdepot gestorte bedrag en op de in verband daarmee, deels aan derden betaalde, (financierings)kosten.

10.8. Zoals hiervoor onder 8.2.5 reeds is overwogen heeft de vernietiging van de lease-overeenkomst uitsluitend tot gevolg dat Dexia gehouden is terug te betalen hetgeen de afnemer op grond van die overeenkomst aan Dexia heeft betaald, verminderd met de eventuele door de afnemer genoten opbrengsten zoals dividenden, en valt het in het beleggingsdepot gestorte bedrag als zodanig niet aan te merken als een zodanige betaling. Als zodanig zijn wel aan te merken de door Dexia uit het beleggingsdepot ontvangen termijnbetalingen.

10.9. Voor zover de vordering méér omvat dan hetgeen door de verplichtingen tot ongedaan maken wordt bestreken, zal moeten worden onderzocht of de vordering voor dat meerdere toewijsbaar is op een van de overige door [Partij K.] aangevoerde gronden. [Partij K.] heeft onder meer aangevoerd dat Dexia tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende zorgplicht. In verband daarmee wordt overwogen als volgt.

10.10. Het beleggingsdepot is direct verbonden met de lease-overeenkomst betreffende Overwaarde Effect, nu het beleggingsdepot uitsluitend ten behoeve van die lease-overeenkomst is aangegaan, op het aanvraagformulier reeds is aangekruist welke lease-overeenkomst (welk product) het betreft en op dat formulier staat voorgedrukt dat de aanvrager ermee bekend is dat Dexia na ontvangst van het formulier zal overgaan tot de aankoop van de onderliggende waarden uit de lease-overeenkomst.

10.11. Toepassing van de onder 8.9.1 e.v. geformuleerde maatstaven leidt tot de conclusie dat Dexia in het onderhavige geval tekort is geschoten in de nakoming van de daar bedoelde op haar rustende zorgverplichtingen.

Nadeelsverdeling Overwaarde Effect

10.12. Toepassing van de onder 8.2.4 en 8.9.1 e.v. geformuleerde maatstaven leidt in het onderhavige geval tot het volgende resultaat:

a. Op grond van de nietigheid van de lease-overeenkomst Overwaarde Effect dient Dexia alle op grond daarvan gedane betalingen aan [Partij K.] te restitueren;

b. Dexia dient 100% van het waardeverlies van de depotbelegging (het verschil tussen de inleg en het totaalbedrag aan termijnbetalingen ten behoeve van het product Overwaarde Effect dat uit het depot is voldaan) aan [Partij K.] te vergoeden;

c. De overige door haar gevorderde kosten en schaden blijven voor rekening van [Partij K.].

10.13. De hiervoor onder a. en b. bedoelde bedragen zijn tezamen gelijk aan het bedrag dat [eiser 2] in totaal aan Dexia heeft betaald ter zake van het product Overwaarde Effect.

10.14. [Partij K.] heeft onbetwist gesteld dat [eiser 2] aan Dexia heeft betaald ter zake van het product Overwaarde Effect € 67,531,51. Dat er sprake is geweest van nog niet verrekende, door [eiser 2] genoten opbrengsten is gesteld noch gebleken. Uit het voorgaande volgt dat Dexia dit bedrag aan [Partij K.] dient terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente ingaande het moment waarop aanspraak werd gemaakt op die terugbetaling, in dit geval ingaande 10 februari 2003.

10.15. In totaal dient Dexia derhalve aan [Partij K.] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente ingaande de hiervoor genoemde data:

de Winstverdriedubbelaar € 10.241,10

IB-Plan € 1.831,20

Overwaarde Effect € 67.531,51

Totaal € 79.603,81

Registratie BKR

10.16. Naar aanleiding van de vordering gericht op een bericht van Dexia aan BKR Tiel inhoudende dat de registratie van de lease-overeenkomsten en daarmee verband houdende inschrijvingen van [Partij K.] dienen te worden gestaakt c.q. verwijderd, heeft Dexia gesteld dat zij niet aan die vordering zal kunnen voldoen zolang de lease-overeenkomsten in stand blijven. Nu uit het voorgaande blijkt dat die overeenkomsten niet in stand blijven moet er derhalve van uit worden gegaan dat er grond is voor toewijzing van deze vordering en voorts dat Dexia ook in staat zal zijn daaraan te voldoen. Er bestaat aanleiding de gevorderde dwangsom te matigen en aan een maximum te binden.

Uitvoerbaar bij voorraad

10.17. Dexia heeft zich verzet tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring indien de vordering van [Partij K.] toegewezen zou worden. Dexia beroept zich op het grote aantal soortgelijke procedures dat tegen haar aanhangig is of dreigt te worden gemaakt en waarin eveneens de vraag aan de orde is of de echtgenote toestemming voor de lease-overeenkomst had dienen te geven. Het gaat daardoor om zeer grote bedragen. Er is tot dusverre in de lagere rechtspraak verschillend over deze rechtsvraag geoordeeld. Een belangenafweging brengt volgens Dexia met zich mee dat het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard en dat de beslissing in cassatie eerst afgewacht kan worden. Daarbij wijst Dexia nog op het restitutierisico indien zij later hetgeen reeds krachtens een veroordeling is voldaan, dient terug te vorderen en op de aan die terugvordering verbonden kosten.

10.18. Deze argumenten worden echter van onvoldoende gewicht geacht om de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring af te wijzen. Er zijn ook voor [Partij K.] aanzienlijke financiële belangen bij deze zaak betrokken en de investeringen van [Partij K.] in de lease-overeenkomsten dateren reeds van 1999 en 2000. Dat de overeenkomsten als de onderhavige vallen onder de bepaling van art. 1:88 lid 1 sub d BW is, buiten het hiervoor genoemde arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, eveneens beslist door het gerechtshof te ’s Hertogenbosch (1 februari 2005, LJN AS446, zie ook AS4449). Er zijn geen daarvan afwijkende uitspraken van enig ander gerechtshof bekend. Dat het om zeer veel soortgelijke zaken gaat is juist, maar komt voor risico van Dexia. Tenslotte heeft Dexia geen feitelijke onderbouwing gegeven aan het door haar gestelde restitutierisico, zodat daaraan voorbij gegaan zal worden. Het vonnis zal derhalve met betrekking tot de betalingsveroordeling wel uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard en er bestaat geen aanleiding om daaraan een voorwaarde te verbinden.

Overige vorderingen

10.19. De overige vorderingen van [Partij K.] gericht op een verklaring voor recht, worden afgewezen nu [Partij K.] daarbij, gelet op het voorgaande, geen belang meer heeft.

10.20. Dat ten behoeve van [Partij K.] buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht en dat [Partij K.] in verband daarmee buitengerechtelijke kosten heeft moeten maken staat voldoende vast. De door [Partij K.] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden over het toegewezen bedrag berekend naar het bij deze sector gebruikelijke tarief.

10.21. Uit het voorgaande volgt reeds dat de voorwaardelijk ingestelde tegenvordering van Dexia wordt afgewezen. Nu de overeenkomst waarvan Dexia nakoming vordert vernietigd is zal ook de onvoorwaardelijk ingestelde tegenvordering van Dexia worden afgewezen.

10.22. Nadat aan dit vonnis is voldaan zullen partijen geen verplichtingen meer jegens elkaar hebben uit de onderhavige rechtsverhouding en zal de eigendom van de effecten bij Dexia verblijven.

10.23. Dit betekent dat op de vorderingen van partijen wordt beslist als hieronder vermeld.

10.24. Gelet op de uitkomst van de procedure wordt omtrent de kostenveroordeling geoordeeld als hierna vermeld.

BESLISSING

De kantonrechter:

in conventie

I. verklaart voor recht dat de onder 1.3, 1.4 en 1.5 bedoelde overeenkomsten buitengerechtelijk zijn vernietigd bij brieven van respectievelijk 16 juni 2003, 23 oktober 2003 en 10 februari 2003;

II. veroordeelt Dexia om aan [Partij K.] te betalen € 79.603.81, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 februari 2003 berekend over € 67.531,51, vanaf 16 juni 2003 berekend over € 77.772,61 en vanaf 23 oktober 2003 berekend over € 79.603.81 tot aan de dag der voldoening;

III. veroordeelt Dexia om aan [Partij K.] te betalen € 1.785,00 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;

IV. veroordeelt Dexia om binnen acht dagen na betekening van dit vonnis aan de stichting Bureau Krediet Registratie (BKR) te Tiel schriftelijk te berichten dat de registratie van de in dit vonnis bedoelde lease-overeenkomsten en daarmee verband houdende inschrijvingen van [Partij K.] dienen te worden gestaakt c.q. verwijderd, met veroordeling van Dexia tot betaling aan [Partij K.] van een dwangsom van € 100,00 per dag of gedeelte van een dag dat Dexia nalaat aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum aan dwangsommen van € 10.000,00;

V. veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure aan de zijde van [Partij K.] gevallen, tot op heden begroot op:

voor verschuldigd griffierecht € 192,00

voor het exploot van dagvaarding € 83,78

voor salaris van gemachtigde € 1.200,00

In totaal: € 1.475,78

één en ander, voor zover verschuldigd, inclusief BTW;

VI. wijst af het meer of anders gevorderde;

In (voorwaardelijke) reconventie

VII. wijst de vordering af;

VIII. compenseert de proceskosten tussen partijen met dien verstande dat elke partij de eigen kosten draagt;

In conventie en (voorwaardelijke) reconventie

IX. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 april 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter