Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BA3691

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-04-2007
Datum publicatie
25-04-2007
Zaaknummer
351989 / HA ZA 06-3132 (AV)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering van eisers in bodemzaak om gedaagde te verbieden hen in het openbaar als moordenaar, verdachte of medeplichtige in de Deventer moordzaak aan te wijzen, wordt toegewezen. Gezien alle omstandigheden van het geval weegt het recht van eisers op bescherming van hun goede naam zwaarder dan het recht van vrijheid van meningsuiting van gedaagde. Veroordeling van gedaagde om zowel materiële- als immateriële schadevergoeding te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 351989 / HA ZA 06-3132 (AV)

Vonnis van 25 april 2007

in de zaak van

1. [eiser 1],

voorheen wonende te Deventer, thans wonende te [woonplaats],

2. [eiser 2],

voorheen wonende te Deventer, thans wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. C.B.M. Scholten van Aschat,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. J.P. Plasman.

Eisers zullen hierna afzonderlijk [eiser 1] en [eiser 2] ofwel gezamenlijk eisers genoemd worden. Gedaagde zal hierna [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met bewijsstukken;

- de conclusie van antwoord, met bewijsstukken;

- het tussenvonnis van 10 januari 2007, waarbij een comparitie van partijen is gelast die op 12 maart 2007 heeft plaatsgevonden en het daarvan opgemaakte proces-verbaal, met de daarin vermelde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 23 september 1999 is [slachtoffer] in haar woning in Deventer om het leven gebracht. Bij arrest van 22 december 2000 van het Gerechtshof te Arnhem is [veroordeelde] veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaar wegens het plegen van de moord op [slachtoffer]. Dat arrest is bij arrest van 9 februari 2004 van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch in revisie bekrachtigd, onder verbetering van gronden. De Hoge Raad heeft bij arrest van 22 februari 2005 het beroep tegen het arrest van 9 februari 2004 van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch verworpen. De veroordeling van [veroordeelde] voor de moord op [slachtoffer] is dan ook onherroepelijk geworden.

2.2. In 2003 is een artikel verschenen in HP-De Tijd en in 2004 in de Nieuwe Revu, waarin in het kader van de Deventer moordzaak werd geschreven over de rol van een klusjesman. In deze artikelen is op generlei wijze geschreven over een eventuele betrokkenheid van [eiser 2] (de levenspartner van [eiser 1]).

2.3. In 2006 heeft [gedaagde] bij herhaling in diverse media (waaronder zijn eigen websites: www.[naam].nl en www.geenonschuldigenvast.nl) [eiser 1] er van beschuldigd dat hij de moord op [slachtoffer] heeft gepleegd, of althans dat [eiser 1] haar heeft gedood. [eiser 1] wordt in de diverse publicaties aangeduid a[eiser 1]er 1]. of als de klusjesman. [eiser 2] wordt daarbij als medeplichtige van [eiser 1] genoemd, aangezien zij volgens [gedaagde] aan [eiser 1] een vals alibi zou hebben verschaft en ontkent dat zij een tweetal briefjes, die in de tuin van [slachtoffer] zijn aangetroffen, zou hebben geschreven. [eiser 2] wordt in die publicaties [eiser 2] of de vriendin van [eiser 1]. ofwel de vriendin van de klusjesman genoemd.

2.4. Op 20 januari 2006 heeft [gedaagde] zijn onderzoeksresultaten met betrekking tot de Deventer moordzaak overgedragen aan het college van Procureurs Generaal. Op grond van dit materiaal heeft voornoemd college op 24 januari 2006 een oriënterend vooronderzoek bevolen. Op 13 juni 2006 zijn de resultaten van het onderzoek bekend gemaakt. De conclusie van het onderzoeksteam was dat niet gebleken is van feiten en omstandigheden die, als ze destijds aan het OM en de rechter bekend zouden zijn geweest, tot een ander oordeel dan de veroordeling van [veroordeelde] hadden kunnen leiden.

2.5. In een uitzending van het TV programma van de VARA, de Woestijnruiters, heeft [gedaagde] op 26 februari 2006 over [eiser 1] gezegd dat hij 100% zeker weet dat [eiser 1]. [slachtoffer] heeft gedood en over [eiser 2], dat zij medeplichtig is, omdat zij het briefje in de tuin van [slachtoffer] heeft geschreven en zij heeft gelogen over het alibi van [eiser 1].

2.6. Op 5 juli 2006 hebben [eiser 1] en [eiser 2] aangifte gedaan tegen [gedaagde] ter zake van smaad, smaadschrift, laster en belaging.

2.7. Op 11 juli 2006 heeft [gedaagde] een door hem opgesteld stuk “Oordeel zelf” in een oplage van 500 stuks in Nederland verspreid. Zo heeft hij dit stuk onder andere toegezonden aan het parlement, de Koningin, bestuurders, universiteiten en rechters. Ook heeft hij dit stuk gepubliceerd op zijn website www.geenonschuldigenvast.nl.

2.8. In het najaar van 2005 hebben twee voormalig rechercheurs van politie in opdracht van [gedaagde], de bejaarde moeder van [eiser 2] tweemaal bezocht. In januari 2006 hebben de twee voormalig rechercheurs van politie [eiser 2] op haar werk (bij [werkgever]., welk werk zij via een uitzendbureau verrichtte) bezocht en ongeveer een uur met haar gesproken. Een dag later heeft [eiser 2] zich bij haar werkgever ziek gemeld. Van januari tot april 2006 heeft [eiser 2] in de ziektewet gezeten. Omstreeks april 2006 is [eiser 2] naar de bedrijfsarts geweest. Nadat [eiser 2] zichzelf beter had gemeld bleek dat zij niet opnieuw aan het werk kon bij [werkgever]. Thans ontvangt [eiser 2] een WW-uitkering. [eiser 2] heeft een arbeidsverleden waarin zij sinds 1991 heeft gewerkt voor verschillende werkgevers. Daarbij genoot zij een inkomen van ongeveer EUR 1.124,= netto per maand.

2.9. [eiser 1] is sinds 1976 voor verschillende werkgevers werkzaam geweest. In 2006 heeft [eiser 1] werkzaamheden verricht al[werkgever 1][werkgever 1]. Daarnaast was [eiser 1] in 2006 werkzaam als beveiligingsmedewerker voor [werk[werkgever 2]. [eiser 1] verdiende aldus een netto maandinkomen van ongeveer EUR 1.250,=. Op of omstreeks 6 februari 2006 heeft [eiser 1] zijn werkgever, [werkgever 1], ingelicht dat hij de persoon is waarover in de media wordt gesproken als de klusjesman ofwel als [eiser 1]. Op 9 februari 2006 is [eiser 1] tijdens zijn proeftijd ontslagen als nachtportier van [werkgever 1]. Ook werkt [eiser 1] sinds januari/februari 2006 niet meer voor [werkgever 2]. [eiser 1] ontvangt thans een WW-uitkering als aanvulling op zijn salaris dat hij ontvangt voor onregelmatig werk dat hij via een uitzendbureau verricht voor een asielzoekerscentrum.

2.10. Bij vonnis in kortgeding heeft deze rechtbank op 22 december 2006 -naar aanleiding van de vordering van [eiser 1]- het [gedaagde] verboden om [eiser 1] op welke wijze en onder welke benaming dan ook, in woord of geschrift, direct of indirect in het openbaar waaronder tevens te verstaan via internet, websites of weblog, als moordenaar van of verdachte van de moord op [slachtoffer] aan te wijzen op straffe van een dwangsom. Deze uitspraak is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN: AZ5082 en in Mediaforum 2007-2, nr. 7.

2.11. Tegen [gedaagde] is door het Openbaar Ministerie vervolging ingesteld vanwege smaad en smaadschrift op grond van de aangifte van [eiser 1] en [eiser 2]. Op 25 april 2007 zal in het kader van de strafzaak een regiezitting plaatsvinden.

3. De vordering

3.1. [eiser 1] en [eiser 2] vorderen, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. Te verklaren voor recht dat de uitlatingen van [gedaagde] zoals opgenomen in de producties 1 tot en met 6 bij dagvaarding, waarin [gedaagde] zegt dat [eiser 1]. en/of de klusjesman de moordenaar is van [slachtoffer], alsmede waarin hij zegt dat hij zeker weet of de overtuiging heeft dat [eiser 1]. of de klusjesman de moordenaar van [slachtoffer] is, jegens [eiser 1] onrechtmatig zijn;

II. Te verklaren voor recht dat de uitlatingen van [gedaagde] zoals opgenomen in de producties 9 tot en met 11 bij dagvaarding, waarin [gedaagde] zegt dat [eiser 2] of [eiser 2] of de vriendin van [eiser 1]. of van de klusjesman, medeplichtig is aan de moord op [slachtoffer] en/of waarin hij zegt dat zij heeft gelogen over het alibi van [eiser 1] en/of heeft

gelogen over de schrijver/schrijfster van de briefjes in de tuin van [slachtoffer] jegens haar onrechtmatig zijn;

III. Te verklaren voor recht dat alle door [gedaagde] na 24 januari 2006 in het openbaar gebrachte onderzoeksresultaten op de website www.geenonschuldigenvast.nl in de Deventer moordzaak en de publicatie “Oordeel zelf” waarin [gedaagde] [eiser 1] beschuldigt van de moord op [slachtoffer] en [eiser 2] beschuldigt van betrokkenheid/medeplichtigheid bij die moord en/of leugenachtige verklaringen met betrekking tot die moord jegens [eiser 1] en [eiser 2] onrechtmatig zijn;

IV. [gedaagde] te veroordelen aan [eiser 1] te voldoen een schadevergoeding wegens geleden en te lijden materiële schade wegens verlies van verdienvermogen van EUR 13.968,=, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2006 tot aan de voldoening;

V. [gedaagde] te veroordelen aan [eiser 1] en [eiser 2] te voldoen een schadevergoeding wegens redelijk gemaakte kosten ter beperking en afwending van schade van EUR 8.828,02, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 18 augustus 2006 tot aan de voldoening;

VI. [gedaagde] te veroordelen aan [eiser 1] te voldoen een schadevergoeding wegens geleden en te lijden immaterieel nadeel van EUR 100.000,=, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 31 januari 2006 tot aan de voldoening;

VII. [gedaagde] te veroordelen aan -naar de rechtbank begrijpt- [eiser 2] te voldoen een schadevergoeding wegens geleden en te lijden materiële schade wegens verlies van verdienvermogen van EUR 13.753,=, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 31 januari 2006 tot aan de voldoening;

VIII. [gedaagde] te veroordelen aan [eiser 2] te voldoen een schadevergoeding wegens geleden en te lijden immaterieel nadeel van EUR 50.000,=, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 31 januari 2006 tot aan de voldoening;

IX. [gedaagde] te verbieden om [eiser 1] en [eiser 2] in woord of geschrift, direct of indirect, middellijk of onmiddellijk, in verband te brengen met de moord op [slachtoffer], op straffe van een dwangsom van EUR 25.000,= per overtreding of dag dat een overtreding voortduurt, met een maximum van EUR 500.000,=;

X. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. Het standpunt van [eiser 1] en [eiser 2] komt, voor zover van belang, hierna aan de orde.

4. Het verweer

4.1. [gedaagde] heeft de vordering gemotiveerd betwist. Zijn verweer komt, voor zover relevant, hierna aan de orde.

5. De beoordeling

5.1. Bij vonnis in kortgeding van 22 december 2006 is in de zaak van [eiser 1] tegen [gedaagde] geoordeeld dat sprake is van een waar mediaoffensief ontketend door [gedaagde] waartegen [eiser 1] zich niet of amper kan verdedigen. Alle omstandigheden in aanmerking genomen is de kortgedingrechter tot het oordeel gekomen dat voldoende aannemelijk is dat het belang van [eiser 1] bij bescherming van zijn goede naam zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] om in verband met de door hem gesignaleerde misstanden in het openbaar de naam van [eiser 1] te noemen. Het blijven aanwijzen van [eiser 1] als moordenaar in de Deventer moordzaak is, zo oordeelde de rechter in kortgeding, dan ook onrechtmatig jegens [eiser 1]. De rechtbank is van oordeel dat de kortgedingrechter op goede gronden tot haar oordeel is gekomen en neemt die gronden hierbij over en maakt ze tot de hare.

5.2. Het betoog van [gedaagde] dat in dit geval de ernst van de misstand die hij door zijn uitingen aan de kaak beoogt te stellen -namelijk dat als gevolg van een volgens [gedaagde] onzorgvuldig opsporingsonderzoek en onzorgvuldige strafrechtelijke vervolging een onschuldige burger al ruim zes-en-een-half jaar vast zit als moordenaar van [slachtoffer]- zwaarder dient te wegen dan het recht van [eiser 1] op bescherming van zijn goede naam, faalt. De argumenten van [gedaagde] om zijn standpunt te onderbouwen kunnen ook met kracht naar voren worden gebracht zonder [eiser 1] als absolute schuldige aan te wijzen, zonder enige vorm van nuance en zonder enige reserve. Evenals de kortgedingrechter heeft overwogen is de rechtbank van oordeel dat indien er aanwijzingen bestaan dat een andere persoon dan degene die onherroepelijk is veroordeeld, als dader moet worden aangemerkt deze aanwijzingen ter kennis van de politie of het openbaar ministerie dienen te worden gebracht. Immers, zolang iemand niet door een rechter is veroordeeld, dient hij niet publiekelijk als moordenaar te worden bestempeld. Voor zover het eventueel falen van het openbaar ministerie aan de orde wordt gesteld is dat iets wat als ernstige misstand kan worden aangemerkt waaraan ruchtbaarheid mag worden gegeven. In dat verband gaat het bij herhaling en op indringende wijze in het openbaar aanwijzen van een ander, in dit geval [eiser 1], als de dader echter te ver.

5.3. Evenals de kortgedingrechter heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het doorgaan met het uiten van beschuldigingen jegens [eiser 1] bij de huidige stand van zaken niets wezenlijks meer zal toevoegen aan het door [gedaagde] gestelde doel. Inmiddels heeft -mede door de inspanningen van [gedaagde]- een oriënterend vooronderzoek plaatsgevonden, is bij de Hoge Raad een herzieningsverzoek aanhangig gemaakt ten aanzien van de veroordeling van [veroordeelde] en is het graf van [slachtoffer] geopend. Indien [gedaagde] nieuwe feiten of omstandigheden, die wijzen in de richting van [eiser 1] als dader en die van belang zijn voor de (verdere) behandeling van het herzieningsverzoek door de Hoge Raad, bekend worden, staat het [gedaagde] vrij om hierover contact op te nemen met het openbaar ministerie of met de advocaat van [veroordeelde] Het zoeken van publiciteit voegt dan niets meer toe.

5.4. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het onder I gevorderde (zie hiervoor onder 3.1.) zal worden toegewezen. Producties 1 tot en met 6 bij dagvaarding betreffen immers uitdraaien van de weblog van [gedaagde] (www.[naam].nl) van 10 februari 2006 tot en met 12 juli 2006, alsmede van zijn website (www.geenonschuldigenvast.nl), waarin [gedaagde] onder meer schrijft er voor 100% van overtuigd te zijn dat [eiser 1]. de weduwe heeft vermoord. Zoals hiervoor is overwogen zijn dit soort stellige uitlatingen onrechtmatig jegens [eiser 1].

5.5. Ten aanzien van [eiser 2] geldt het volgende. Ter comparitie heeft [gedaagde] verklaard dat hij niet heeft beweerd dat [eiser 2] medeplichtig is aan de moord op [slachtoffer] zoals in strafrechtelijke zin is bedoeld. [gedaagde] verklaarde dat hij heeft gezegd dat [eiser 2] de briefjes heeft geschreven die in de tuin van het slachtoffer zijn gevonden en dat zij meewerkt aan het verschaffen van een vals alibi voor [eiser 1]. Daaraan is zij medeplichtig, aldus [gedaagde]. Op zijn weblog (www.[naam].nl) schreef [gedaagde]:

op 1 maart 2006 (als productie 9 overgelegd bij dagvaarding):

“(...), waaronder de bevestiging dat [eiser 2], de vriendin van [eiser 1], een anoniem briefje heeft geschreven om een bekende als dader te ontlasten en dat tegelijk met het lijk is gevonden. (Zij heeft dus daderkennis) En er is een mondelinge bevestiging van [eiser 2] dat ze destijds gelogen heeft over het alibi en dat [eiser 1] dus geen alibi heeft voor de avond van de moord”.

op 20 maart 2006 (als productie 10 overgelegd bij dagvaarding):

“Zijn vriendin [eiser 2] heeft 100% zeker gelogen over het alibi dat ze hem in eerste instantie bij de politie verschafte en is de schrijfster van het briefje dat tegelijk met het lijk is gevonden. En wist dus van de moord en de betrokkenheid van haar vriend voordat het lijk gevonden werd. Wat hen nog meer kwalijk kan worden genomen dan de moord op zichzelf is het feit dat zij er mede verantwoordelijk voor zijn dat een onschuldige al 6 jaar in een hel leeft”.

op 17 maart 2006 (als productie 11 overgelegd bij dagvaarding):

“Het gelogen alibi, het anonieme briefje in de tuin, geschreven door de vriendin van [eiser 1], de leugens over de aankoop in de messenwinkel en het moment waarop van de moord is gehoord, etc”.

Ook in het TV programma Woestijnruiters van 26 februari 2006 heeft [gedaagde] beweerd dat [eiser 2] medeplichtig is, omdat zij het briefje in de tuin van het slachtoffer heeft geschreven en omdat zij heeft gelogen over het alibi van [eiser 1]. Ook deze zeer stellige uitlatingen van [gedaagde] omtrent [eiser 2] zijn onrechtmatig, omdat zij niet worden ondersteund door het beschikbare feitenmateriaal. Deze uitlatingen vormen een zeer ernstige aantasting van de goede naam van [eiser 2], terwijl dit -gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen- niet opweegt tegen het belang van [gedaagde] zijn mening vrijelijk te mogen uiten. Aldus zal ook het onder II gevorderde worden toegewezen.

5.6. Ook het onder III gevorderde zal worden toegewezen. Op 24 januari 2006 heeft het college van Procureurs Generaal op grond van het door [gedaagde] aangedragen materiaal een oriënterend vooronderzoek bevolen. Het daarna opnieuw op grote schaal zoeken van media-aandacht door onder meer het stuk “Oordeel zelf” op grote schaal te verspreiden, vormt een onevenredig grote inbreuk op de privacy en de goede naam van [eiser 1] en [eiser 2] terwijl het aan het door [gedaagde] beoogde doel, het aan de kaak stellen van een misstand, weinig bijdraagt.

5.7. [gedaagde] heeft bewijs aangeboden van zijn stelling dat zijn uitlatingen met betrekking tot de betrokkenheid van [eiser 1] bij de moord op [slachtoffer] en van de betrokkenheid van [eiser 2] bij dit delict na de dood van [slachtoffer], op waarheid berusten, door het doen horen van [eiser 1] en [eiser 2] als getuigen. [gedaagde] heeft niet aangevoerd waarom hij verwacht dat [eiser 1] en [eiser 2] als getuigen -anders dan zij tot nu toe in de gedingstukken hebben gedaan- zullen erkennen dat de aantijgingen van [gedaagde] juist zijn. Dit had, gelet op het feit dat de standpunten van partijen in deze procedure lijnrecht tegenover elkaar staan, vanuit een goede procesorde bezien wel van hem mogen worden verwacht. Daarom wordt zijn bewijsaanbod als onvoldoende onderbouwd gepasseerd.

5.8. Resteert de vraag of [gedaagde] ook schadevergoeding aan [eiser 1] en [eiser 2] verschuldigd is en of het onder IX gevorderde verbod toewijsbaar is. Zowel [eiser 1] als [eiser 2] hadden ten tijde van het door [gedaagde] in 2006 ingezette mediaoffensief geen vast dienstverband. Beiden hebben een arbeidsverleden van wisselende werkgevers en werkzaamheden verricht via uitzendbureaus. Derhalve valt niet te zeggen hoe hun werkzaamheden in 2006 en de periode daarna zouden zijn verlopen indien [gedaagde] zijn onrechtmatige uitlatingen niet zou hebben gedaan. De rechtbank acht echter wel voldoende aannemelijk geworden dat zonder de onrechtmatige uitlatingen van [gedaagde] [eiser 1] en [eiser 2] meer kans zouden hebben gehad op werk, zodat de rechtbank de door hen in dit kader geleden schade naar billijkheid begroot op EUR 5.000,= per persoon. Hierbij heeft de rechtbank in ogenschouw genomen dat ook vóórdat [gedaagde] betrokken raakte in “de Deventer Moordzaak” aan de betrokkenheid van “de klusjesman” aandacht is besteed in onder meer HP-De Tijd en in de Nieuwe Revu. Echter gesteld noch gebleken is dat in de eerdere publicaties een verwijzing heeft plaatsgevonden naar de naam van [eiser 1] en [eiser 2]. Bovendien hebben eerdere publicaties niet plaats gevonden op een schaal en een stelselmatige wijze als de publicaties waarvoor [gedaagde] heeft gezorgd. Aldus zal het sub IV en het sub VII gevorderde worden toegewezen tot een bedrag van (telkens) EUR 5.000,=.

5.9. Ten aanzien van het sub V gevorderde voeren [eiser 1] en [eiser 2] aan dat zij zich naar aanleiding van de stroom onrechtmatige publicaties hebben gewend tot een advocaat, teneinde te proberen tegenwicht te bieden aan de voortdurende inbreuk op hun rechten. Deze advocaat opereert in het kader van het onderzoek door het Openbaar Ministerie naar aanleiding van de door [gedaagde] gepresenteerde bewijzen tegen [eiser 1] op basis van een toevoeging, maar deze toevoeging is niet verleend ter afwending van verdere uitlatingen van [gedaagde] en het waar mogelijk onderhouden van mediacontacten om de schade te beperken. Voor de werkzaamheden die deze advocaat in dat kader heeft verricht bedragen de kosten thans EUR 8.828,02. Nu [gedaagde] dit gevorderde bedrag niet (gemotiveerd) heeft betwist, en voldoende aannemelijk is dat [eiser 1] en [eiser 2] kosten hebben moeten maken om adequaat te reageren op de door [gedaagde] aan hun adres geuite beschuldigingen, zal dit bedrag worden toegewezen.

5.10. De immateriële schadevergoeding wordt begroot met inachtneming van alle omstandigheden van dit geval, waaronder de omstandigheid dat [eiser 1] en [eiser 2] reeds voor de gewraakte uitlatingen van [gedaagde] enige persaandacht hebben gehad omtrent de Deventer moordzaak, maar ook de omstandigheid dat [gedaagde] een zwaar mediaoffensief heeft ingezet waarbij hij bij herhaling te stellige uitlatingen omtrent [eiser 1] en [eiser 2] heeft gedaan gedurende nagenoeg het hele jaar 2006, alsmede de omstandigheid dat [eiser 2] in opdracht van [gedaagde] op haar toenmalige werk is bezocht door twee voormalig rechercheurs van politie, de omstandigheid dat zelfs de bejaarde moeder van [eiser 2] door voornoemde rechercheurs in opdracht van [gedaagde] is bezocht, alsmede gelet op de bekendheid die [gedaagde] onder het grote publiek geniet waardoor zijn mededelingen beter beklijven. Ten aanzien van [eiser 1] wordt het toe te kennen bedrag naar billijkheid begroot op EUR 60.000,= en ten aanzien van [eiser 2] op EUR 30.000,=. Hierbij heeft de rechtbank tevens rekening gehouden met de ernst van de aantijgingen die [gedaagde] met betrekking tot [eiser 1] en [eiser 2] veelvuldig en in nagenoeg alle beschikbare media heeft geuit en de daardoor door [eiser 1] en [eiser 2] ondervonden gevolgen voor hun sociale en maatschappelijke leven. Het sub VI gevorderde zal worden toegewezen tot een bedrag van EUR 60.000,= en het sub VIII gevorderde tot een bedrag van EUR 30.000,=.

5.11. Ook het sub IX gevorderde zal worden toegewezen met dien verstande dat de dwangsom wordt beperkt tot een bedrag en een maximum als hierna volgt. Dit verbod houdt in dat [gedaagde] niet in het openbaar [eiser 1] als moordenaar of verdachte van de moord op [slachtoffer] mag aanwijzen. Evenmin mag [gedaagde] [eiser 2] als medeplichtige aanwijzen. Het staat [gedaagde] echter wel vrij om bij de daarvoor geëigende instanties zijn overtuiging hieromtrent uit te dragen. Tenslotte heeft met betrekking tot het toe te wijzen verbod te gelden dat indien de omstandigheden zich wijzigen en [eiser 1] en/of [eiser 2] alsnog door het Openbaar Ministerie als verdachten zouden worden aangeduid of indien [eiser 1] zou worden veroordeeld voor de moord op [slachtoffer] ofwel indien [eiser 2] zou worden veroordeeld wegens betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer], deze uitspraak opnieuw dient te worden bezien. In dit verband heeft tevens te gelden dat [eiser 1] en [eiser 2] het [gedaagde] niet zullen kunnen tegenwerpen indien [gedaagde] in de tegen hem aangespannen procedures (zowel de civiele procedures als de strafprocedure) tijdens rechtzittingen en in de processtukken het verbod overtreedt. [gedaagde] zal in die situatie geen dwangsommen verbeuren.

5.12. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 84,87

- betaald vast recht 225,00

- in debet gesteld vast recht 3.880,00

- salaris procureur 2.842,00 (2,0 punten × tarief EUR 1.421,00)

Totaal EUR 7.031,87

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. verklaart voor recht dat de uitlatingen van [gedaagde] zoals opgenomen in de producties 1 tot en met 6 bij dagvaarding, waarin [gedaagde] zegt dat [eiser 1]. en/of de klusjesman de moordenaar is van [slachtoffer], alsmede waarin hij zegt dat hij zeker weet of de overtuiging heeft dat [eiser 1]. of de klusjesman de moordenaar van [slachtoffer] is, jegens [eiser 1] onrechtmatig zijn,

6.2. verklaart voor recht dat de uitlatingen van [gedaagde] zoals opgenomen in de producties 9 tot en met 11 bij dagvaarding, waarin hij zegt dat [eiser 2] of [eiser 2] of de vriendin van [eiser 1]. of van de klusjesman, medeplichtig is aan de moord op [slachtoffer] en/of waarin hij zegt dat zij heeft gelogen over het alibi van [eiser 1] en/of heeft gelogen over de schrijver/schrijfster van de briefjes in de tuin van [slachtoffer] jegens [eiser 2] onrechtmatig zijn,

6.3. verklaart voor recht dat alle door [gedaagde] na 24 januari 2006 in het openbaar gebrachte onderzoeksresultaten op de website www.geenonschuldigenvast.nl in de Deventer moordzaak en de publicatie “Oordeel zelf” waarin hij [eiser 1] beschuldigt van de moord op [slachtoffer] en [eiser 2] beschuldigt van betrokkenheid/medeplichtigheid bij die moord en/of leugenachtige verklaringen met betrekking tot die moord, jegens [eiser 1] en [eiser 2] onrechtmatig zijn,

6.4. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser 1] te betalen een bedrag van EUR 65.000,= (vijf en zestigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2006 tot de dag van algehele voldoening,

6.5. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser 1] en [eiser 2] te betalen een bedrag van EUR 8.828,02 (achtduizend achthonderd achtentwintig euro en twee eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2006 tot de dag van algehele voldoening,

6.6. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser 2] te betalen een bedrag van EUR 35.000,= (vijf en dertigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2006 tot de dag van algehele voldoening,

6.7. verbiedt [gedaagde] -met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 5.11 is overwogen- na betekening van dit vonnis [eiser 1] en [eiser 2] in woord of geschrift, direct of indirect, middellijk of onmiddellijk, in het openbaar waaronder tevens te verstaan via internet, websites of weblog in verband te brengen met de moord op [slachtoffer], op straffe van een dwangsom van EUR 5.000,= per persoon voor iedere keer dat [gedaagde] dit verbod overtreedt, met een maximum van in totaal (dus voor beide eisers gezamenlijk) EUR 250.000,=,

6.8. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] tot op heden begroot op EUR 7.031,87, te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 19.23.25.728 ten name van MVJ Arrondissement Amsterdam onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer,

6.9. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.10. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Hees en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2007.?