Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BA3280

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-02-2007
Datum publicatie
18-04-2007
Zaaknummer
AWB 03-2732 ZFW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan de orde was de vraag of verweerder (SVB) de premies op grond van de Ziekenfondswet mocht inhouden op het (Nederlands) AOW-pensioen van eiseres, terwijl zij in Spanje woonachtig was en ook in Spanje recht had een ouderdomspensioen en op verstrekking ten behoeve van ziektekosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

meervoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 03/2732 ZFW

tussen:

[eisers], wonende te Spanje,

eisers,

vertegenwoordigd door W. Leufkens,

en:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gevestigd te Amstelveen,

verweerder,

vertegenwoordigd door drs. A. Slovacek.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 12 juli 2005 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 6 juli 2005 (hierna aangeduid als: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 16 november 2006.

2. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 10 april 1996 heeft verweerder aan [betrokkene] (hierna: betrokkene) medegedeeld dat zij verzekerd is ingevolge de Ziekenfondswet (Zfw) en met ingang van

1 mei 1996 ziekenfondspremie zal worden ingehouden op haar ouderdomspensioen. Bij besluit op bezwaar van 2 augustus 1996 heeft verweerder de bezwaren van eiseres gericht tegen het besluit van 10 april 1996 ongegrond verklaard. Betrokkene heeft hierin berust.

Bij brief van 31 december 2002 heeft betrokkene verzocht om per 1 januari 2003 de inhouding van de premies ingevolge de Zfw en de inhouding van de kosten in verband met het overmaken van het ouderdomspensioen naar Spanje, te beëindigen. Voorts heeft betrokkene bij voornoemde brief verzocht om restitutie van de vanaf 1 mei 1996 ingehouden premies ingevolge de Zfw en de ingehouden overmakingskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

Bij besluit van 28 februari 2003 heeft verweerder het verzoek van betrokkene om herziening van het besluit van 10 april 1996 afgewezen omdat naar mening van verweerder niet is gebleken van nieuwe relevante feiten, die tot een andere beslissing zouden leiden. Tegen dit besluit heeft betrokkene een bezwaarschrift ingediend.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe als volgt overwogen. Op grond van het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht, dient betrokkene aannemelijk te maken dat haar verzoek om herziening gebaseerd is op feiten en omstandigheden die bij het nemen van de beslissing van 10 april 1996 niet bekend waren of redelijkerwijs konden zijn en aanleiding geven tot heroverweging van de beslissing van 10 april 1996. Voorts acht verweerder zich, ook als geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, bevoegd om in het voordeel van betrokkene terug te komen van een eerdere rechtens onaantastbare beschikking als geconstateerd wordt dat deze rechtens onaantastbare beschikking onmiskenbaar onjuist is. De door betrokkene aangevoerde feiten en omstandigheden zijn geen nieuwe relevante feiten en/of omstandigheden, aldus verweerder. Ook overigens is niet gebleken dat het besluit van 10 april 1996 onmiskenbaar onjuist is. Het besluit van 28 februari 2003 is op juiste gronden tot stand gekomen, aldus verweerder.

Betrokkene heeft in beroep – samengevat – het volgende aangevoerd. Verweerder heeft ten onrechte premie ingevolge de Zfw ingehouden, nu betrokkene ingevolge Europese regelgeving verzekerd was in Spanje, tezamen met haar echtgenoot. Voorts is het besluit in strijd met artikel 3c van de Zfw en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 23 december 2002, gepubliceerd onder LJN: AF3116, aldus betrokkene.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt vast dat het besluit van 10 april 1996 in rechte vaststaat. Betrokkene heeft om herziening verzocht van voornoemd besluit.

Uit vaste jurisprudentie van de CRvB blijkt dienaangaande het volgende. Een bestuursorgaan is over het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 Awb staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid het eerdere besluit handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing alsof het betrof een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen.

In geval van een duuraanspraak is het aangewezen een onderscheid te maken tussen het verleden en de toekomst. Wat betreft de periode voorafgaand aan het verzoek om terug te komen, dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden en zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Wat betreft de periode daarna, moet een minder terughoudende toets worden gehanteerd. Om die reden zal het in beginsel bij een duuraanspraak in de regel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend blijvend aan betrokkene wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid waarop immers ook het bestuursorgaan aanspraak kan maken is voor de toekomst van minder belang dan voor het verleden.

Gelet op bovenstaande zal de rechtbank bij de beoordeling van het bestreden besluit onderscheid maken tussen twee perioden, namelijk de periode van 10 april 1996 tot

3 januari 2003, zijnde de datum van ontvangst van het verzoek om herziening van

31 december 2002 en de periode daarna.

De periode van 10 april 1996 tot 3 januari 2003:

Voor wat betreft onderhavige periode dient de rechtbank zich, gelet op eerder genoemde jurisprudentie, te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden en zo ja, of verweerder daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend, nu naar het oordeel van de rechtbank geen nieuw gebleken feiten en omstandigheden door betrokkene zijn aangedragen die ten tijde van het in rechte vaststaande besluit niet eerder bekend waren. Ten aanzien van het beroep van eisers op de uitspraak van de CRvB van 23 december 2002, gepubliceerd onder LJN: AF3116, overweegt de rechtbank als volgt. In voornoemde uitspraak heeft de CRvB geoordeeld dat het een belanghebbende vrijstaat een nieuw besluit te vragen met betrekking tot de verzekering ingevolge de Zfw en het in verband daarmee inhouden van premies. Hierbij tekent de CRvB aan dat, voor zover het verzoek van belanghebbende betrekking heeft op voor het verleden reeds onherroepelijk vastgestelde rechten en/of verplichtingen op grond van de Zfw dit dient te worden opgevat als een verzoek om terug te komen van een in rechte vaststaand besluit, maar ook hierop dient een beslissing te worden genomen en kan niet worden volstaan met een niet-ontvankelijkverklaring.

In onderhavig geval heeft verweerder, in lijn met vorenstaande uitspraak, het verzoek van betrokkene tot herziening van een in rechte vaststaand besluit behandeld en vervolgens afgewezen. Aldus heeft verweerder niet gehandeld in strijd met voornoemde uitspraak van de CRvB.

De periode vanaf 3 januari 2003

Voor wat betreft deze periode dient de rechtbank een minder terughoudende toets te hanteren dan bij bovenstaande periode.

Verweerder heeft volstaan met de vaststelling dat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden en dat het besluit van 10 april 1996 niet onmiskenbaar onjuist is. Aldus heeft verweerder voor wat betreft de periode vanaf 3 januari 2003 een onjuiste maatstaf aangelegd. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre een draagkrachtige motivering ontbeert en dat het reeds hierom wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht niet in stand kan blijven.

Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat ook voor de periode vanaf

3 januari 2003 de premies ingevolge de Zfw op juiste gronden zijn ingehouden, nu verweerder geen wijziging of correctie op het zogenoemde E121 formulier van het woonland Spanje heeft ontvangen. Verweerder heeft verzocht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op grond van het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, van de Awb, in stand te laten.

De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten en overweegt daartoe als volgt.

In artikel 27 van Verordening (EEG) 1408/71 (hierna: de Verordening) is het volgende bepaald.

De rechthebbende op pensioenen of renten, verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer Lid-staten, waaronder de Lid-staat op het grondgebied waarvan hij woonachtig is, die recht heeft op prestaties op grond van de wettelijke regeling van laatstbedoelde Lid-staat, eventueel met inachtneming van artikel 18 en van bijlage VI, krijgt evenals zijn gezinsleden, prestaties van het orgaan van de woonplaats en voor rekening van dit orgaan alsof de betrokkene uitsluitend recht had op een pensioen of rente, verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van deze Lid-staat.

In artikel 28, eerste lid, van de Verordening is het – voor zover van belang – volgende bepaald.

De rechthebbende op een pensioen of rente verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van een Lid-staat, of op pensioenen of renten verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer Lid-staten, die geen recht op prestaties heeft op grond van de wettelijke regeling van de Lid-staat op het grondgebied waarvan hij woont, heeft niettemin zelf, evenals zijn gezinsleden, recht op deze prestaties, voorzover hij op grond van de wettelijke regeling van de voor de pensioenverzekering bevoegde Lid-Staat, of ten minste een van de voor deze verzekering bevoegde Lid-Staten, eventueel met inachtneming van artikel 18 en van bijlage VI recht op prestaties zou hebben, indien hij op het grondgebied van de betrokken Staat woonde. (...).

Artikel 33, eerste lid, van de Verordening luidt:

Het orgaan van een Lid-Staat dat een pensioen of rente verschuldigd is en dat een wettelijke regeling toepast waarin is bepaald, dat voor rekening van een pensioen of rentetrekker bijdragen of premies worden ingehouden om de kosten van de prestaties bij ziekte en moederschap te dekken, is gemachtigd deze bedragen, berekend overeenkomstig de

betrokken wettelijke regeling, in te houden op het pensioen of de rente welke dit orgaan verschuldigd is, voorzover de prestaties krachtens de artikelen 27, 28, 28 bis, 29, 31 en 32 voor rekening van een orgaan van bedoelde Lid-Staat komen.

Aan de orde is de vraag of verweerder op juiste gronden ziekenfondspremie ingevolge de Zfw inhoudt op het pensioen van betrokkene. Ter beantwoording van deze vraag dient te worden beoordeeld of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat betrokkene op grond van het bepaalde in artikel 28 van de Verordening terecht in Nederland is ingeschreven ingevolge de Zfw, nu op grond van artikel 27 van de Verordening geen prevalerend recht in Spanje bestaat en derhalve terecht ziekenfondspremies worden ingehouden op het pensioen van betrokkene.

Ter zitting heeft verweerder een ‘Verklaring voor de inschrijving van de rechthebbenden op pensioen of rente en het bijhouden van de inventarissen’, een zogenoemd E121 formulier, overgelegd. Op dit E121 formulier heeft het betreffende woonland (Spanje) rubriek 8 ingevuld, hetgeen betekent dat het woonland heeft geconstateerd dat er geen prevalerend recht op grond van artikel 27 van de Verordening bestaat in het woonland en derhalve uitvoering wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 28 van de Verordening.

Onder de gedingstukken bevindt zich voorts een verklaring van het Instituo Nacional de Seguridad Social (INSS), gedateerd op 29 augustus 2003, waaruit blijkt dat betrokkene een zelfstandig recht heeft op medische zorg ten laste van de sociale zekerheid, als genietster van een premievrij pensioen. Uit een brief van 18 mei 2004 van het College voor zorgverzekeringen (CVZ), gericht aan het Ministerie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, blijkt dat het INSS van mening is dat een premievrij pensioen en een recht op zorg in het woonland niet kan leiden tot een prevalerend recht in het woonland als betrokkene een pensioen ontvangt uit een andere lidstaat waarvoor wel premie is betaald. Uit voornoemde brief blijkt voorts dat het CVZ van mening is dat artikel 27 van de Verordening geen aanleiding geeft voor deze beperkte interpretatie.

De rechtbank constateert dat betrokkene ten tijde in geding recht had op een Nederlands ouderdomspensioen en op een Spaans premievrij pensioen en dat zij naar Spaans nationaal recht aanspraak had op verstrekkingen krachtens de Spaanse wettelijke regeling. Gesteld noch gebleken is dat de Verordening niet van toepassing zou zijn op de wettelijke regeling krachtens welke betrokkene haar Spaanse pensioen ontving. Betrokkene voldoet derhalve naar het oordeel van de rechtbank aan het bepaalde in artikel 27 van de Verordening en heeft een prevalerend recht in Spanje. Spanje heeft het E121 formulier evenwel niet aangepast aan de feitelijke situatie van betrokkene. Verweerder heeft zich dienaangaande op het standpunt gesteld dat het E121 formulier voor de inschrijving in het ziekenfonds als uitgangspunt dient te worden genomen. Nu verweerder van het woonland Spanje vooralsnog geen wijziging dan wel correctie op het E121 formulier heeft ontvangen, is betrokkene volgens verweerder terecht in ziekenfonds ingeschreven.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het E121 formulier in onderhavig geval als uitgangspunt dient te worden genomen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Artikel 29 van Verordening (EEG) 574/72 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (hierna: de Toepassingsverordening) geeft toepassing aan het bepaalde in de artikelen 28 en 28 bis van de Verordening.

In artikel 29, eerste lid, van de Toepassingsverordening is – voor zover van belang – bepaald dat om in aanmerking te komen voor verstrekkingen op het grondgebied van de Lidstaat waar hij woont krachtens artikel 28, eerste lid, en artikel 28 bis, van de Verordening, de pensioen- of rentetrekker verplicht is zich te doen inschrijven bij het orgaan van de woonplaats, onder overlegging van een verklaring waarin wordt bevestigd dat hij krachtens de wettelijke regeling of krachtens een der wettelijke regelingen op grond waarvan een pensioen of rente verschuldigd is, voor zich zelf recht op genoemd verstrekkingen heeft.

Ingevolge het tweede lid, van artikel 29, van de Toepassingsverordening wordt deze verklaring op verzoek van de pensioen- of rentetrekker door het orgaan of een der organen die pensioen of rente verschuldigd zijn of, in voorkomend geval, door het orgaan dat over het recht op verstrekkingen moet beslissen afgegeven, zodra de pensioen- of rentetrekker voldoet aan de voorwaarden voor het ingaan van deze verstrekkingen. Indien de pensioen- of rentetrekker de verklaring niet overlegt, verzoekt het orgaan van de woonplaats het orgaan of de organen die het pensioen of de rente verschuldigd zijn, of in het voorkomende geval, het hiertoe gerechtigde orgaan daarom. In afwachting van de ontvangst van deze verklaring kan het orgaan van de woonplaats de pensioen- of rentetrekker voorlopig inschrijven op vertoon van de door dit orgaan toegelaten bewijsstukken. Deze inschrijving is voor het orgaan dat de kosten van de verstrekkingen moet dragen slechts bindend, wanneer laatstgenoemd orgaan de in lid 1 bedoeld verklaring heeft afgegeven.

Ingevolge het vijfde lid, van artikel 29, van de Toepassingsverordening, is de pensioen- of rentetrekker verplicht het orgaan van de woonplaats in kennis te stellen van elke wijziging in hun omstandigheden, waardoor het recht op verstrekkingen kan worden gewijzigd, in het bijzonder van elke schorsing of intrekking van het pensioen of de rente en elke overbrenging van hun woonplaats. De organen die pensioen of rente verschuldigd zijn, stellen het orgaan van de woonplaats van de pensioen- of rentetrekker in kennis van deze wijziging.

Blijkens de artikelen 27, 28 en 28 bis van de Verordening, bezien in hun onderlinge samenhang, krijgt de pensioengerechtigde steeds verstrekkingen van het orgaan van zijn woonland indien hij hierop aanspraak kan maken krachtens de nationale wettelijke regeling van ten minste één der lidstaten waaruit hij een pensioen ontvangt. Indien hij aanspraak heeft op prestaties krachtens de wettelijke regeling van het woonland en hij uit het woonland een pensioen ontvangt, komen de verstrekkingen voor rekening van het woonland. Indien hij geen aanspraak heeft op prestaties krachtens de wettelijke regeling van het woonland, of uit het woonland geen pensioen ontvangt, komen de verstrekkingen voor rekening van een pensioenstaat krachtens de wettelijke regeling waarvan hij wél aanspraak op verstrekkingen heeft. Blijkens artikel 29 van de Toepassingsverordening verleent het woonland de verstrekkingen echter slechts ten laste van een (andere) pensioenstaat als deze (andere) pensioenstaat een hiertoe strekkende verklaring (een E121 formulier) heeft afgegeven. Aldus dient het E121 formulier te worden beschouwd als het middel waarmee deze (andere) pensioenstaat het woonland autoriseert om de kosten van de vertrekkingen voor zijn rekening te brengen. Dit formulier is voor het orgaan van het woonland bindend. De rechtbank vindt noch in de tekst, noch in het systeem van artikel 29 van de Toepassingsverordening, noch in het meer algemene uitgangspunt van gemeenschapstrouw steun voor de opvatting dat deze (andere) pensioenstaat gebonden zou zijn aan de juridische kwalificatie van de feiten door het orgaan van het woonland, dan wel aan diens interpretatie van artikel 28 van de Verordening. Artikel 29 van de Verordening voorziet zelfs in het geheel niet in een (bindende) verklaring van het woonland aan de (andere) pensioenstaat.

De rechtbank vindt voor haar opvatting tevens steun in artikel 29, vijfde lid, van de Toepassingsverordening. Op grond van deze bepaling geeft Nederland eventuele wijzigingen in het recht op verstrekkingen door aan het woonland, Spanje. Derhalve is het niet de woonstaat, maar de pensioenstaat ten laste waarvan de verstrekkingen eventueel kunnen worden verleend, die hier uiteindelijk de doorslaggevende stem heeft. In onderhavig geval staat vast dat eiseres een zelfstandig recht heeft op medische zorg ten laste van de sociale zekerheid, als genietster van een premievrij pensioen in Spanje. Kennelijk zijn Spanje en Nederland verdeeld over de juridische kwalificatie van voornoemde feiten en de uitleg van artikel 28, eerste lid, onder a, van de Verordening. Hoewel het CVZ van mening is dat Spanje een onjuiste interpretatie hanteert van het bepaalde in artikel 27 van de Verordening, welke mening de rechtbank onderschrijft, heeft het CVZ het E121 formulier niet aangepast. Naar het oordeel van de rechtbank kan onder deze omstandigheden het formulier niet als uitgangspunt worden genomen bij de inschrijving ingevolge de Zfw.

De rechtbank concludeert dat artikel 28, eerste lid, van de Verordening niet op betrokkene van toepassing is, nu zij in Spanje recht heeft op verstrekkingen. Voorts is in dit geval geen sprake van een zodanige gebondenheid van de Nederlandse organen aan het invullen van punt 8 van het E121 formulier door Spanje, dat Nederland in het kader van de gemeenschapstrouw van de juistheid van de visie van het Spaanse orgaan zou moeten uitgaan zolang dit orgaan het E121 formulier niet heeft gewijzigd of zolang de Administratieve Commissie ter zake geen beslissing heeft gegeven. Om die reden acht de rechtbank de inhouding van ziekenfondspremies op het ouderdomspensioen van betrokkene vanaf 3 januari 2003 in strijd met artikel 33, eerste lid, van de Verordening. Derhalve dient het beroep gegrond te worden verklaard. Verweerder dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat de procedure in onderhavige zaak reeds lang voortduurt. Voor zover eisers hiermee hebben bedoeld een beroep te doen op het bepaalde in van het artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), merkt de rechtbank op dat eisers niet op duidelijke wijze hebben gesteld schade te hebben geleden in verband met de lengte van de procedure. Wel stelt de rechtbank vast dat de duur van de totale procedure vanaf de brief van 10 maart 2003 tot op heden (ca. 3 jaar en 11 maanden vanaf het bezwaarschrift tot de uitspraak in één rechterlijke instantie) een overschrijding oplevert van de redelijke termijn nu noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van betrokkene een rechtvaardiging is aangetroffen voor de lange duur van deze procedure. De rechtbank merkt hierbij op dat de overschrijding van de redelijke termijn mede aan verweerder te wijten is, nu deze eerst op 6 juli 2005 heeft beslist op het bezwaar gericht tegen het primaire besluit van 28 februari 2003.

Voor zover eisers hebben betoogd in deze procedure een verzoek om vergoeding van overige schade in te dienen als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb, overweegt de rechtbank dat verweerder zich bij het nog te nemen besluit zal dienen uit te laten omtrent dit verzoek.

De gemachtigde van eisers heeft verzocht om veroordeling van verweerder in de proceskosten. De rechtbank ziet geen aanleiding om gebruik te maken van de bevoegdheid tot veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb en overweegt daartoe als volgt. Gemachtigde van eisers heeft de kosten bij brief van 25 september 2006 gedeeltelijk gespecificeerd. Gemachtigde van eisers heeft onder meer verzocht om vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, als bedoeld in artikel 1, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Naar het oordeel van de rechtbank komen die kosten niet voor vergoeding in aanmerking, nu niet gebleken is dat de gemachtigde van eisers beroepsmatig rechtsbijstand heeft verleend. Voorts betreffen de kosten onder meer frankering, telefoon en kantoorbenodigdheden. Deze kosten komen naar het oordeel van de rechtbank evenmin in aanmerking voor vergoeding. Alleen indien sprake zou zijn van kosten voor internationale telefoongesprekken zouden deze voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Nu de opgevoerde kosten in het geheel niet zijn onderbouwd en gespecificeerd, ziet de rechtbank geen aanleiding deze kosten toe te wijzen. De rechtbank verwijst voor dit standpunt naar de uitspraken van de CRvB van 23 december 2002 en 27 januari 2006, gepubliceerd onder LJN: AF3116, respectievelijk LJN: AV0666, waarin de gemachtigde van eisers eveneens optrad als gemachtigde.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb, dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht met betrekking tot het beroep te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank het betaalde griffierecht van € 31,00 aan eisers vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 14 februari 2007 door mr. Th.P.J. de Graaf, voorzitter en mrs. E.E.V. Lenos en M.A.H. van Dalen- van Bekkum, in tegenwoordigheid van mr. R. Grimbergen, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: A/B/C