Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BA2063

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-03-2007
Datum publicatie
02-04-2007
Zaaknummer
AWB 06-4722 WET
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Medisch Specialisten Registratie Commissie (MSRC) van de KNMG heeft het verzoek van eiser tot inschrijving in het register van orthopedisch specialisten afgewezen. Eiser voldoet niet aan de eisen voor inschrijving in een specialistenregister zoals neergelegd in het Kaderbesluit van het Centraal College Medische Specialismen van de KNMG. Eiser stelt zich op het standpunt dat de MSRC had moeten afwijken van het Kaderbesluit. De rechtbank oordeelt dat het Kaderbesluit geen beleidsregels als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat m.b.t. de inschrijving in specialistenregisters. Artikel 4:84 van de Awb biedt dan ook geen grondslag voor het standpunt van eiser. Ook op andere gronden behoefde de MSRC niet af te wijken van het Kaderbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

meervoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 06/4722 WET

van:

[eiser], wonende te [woonplaats],

eiser,

vertegenwoordigd door mr. P.H.A. Boshouwers,

tegen:

de Medisch Specialisten Registratie Commissie (MSRC),

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. W.R. Kastelein.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft een beroepschrift van eiser ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 9 augustus 2006. Op 19 december 2006 heeft verweerder een nader besluit genomen (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 27 februari 2007.

2. OVERWEGINGEN

Verweerder heeft het verzoek van eiser tot inschrijving in het register van orthopedisch specialisten afgewezen. Verweerder heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard bij besluit van 9 augustus 2006. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het besluit van

9 augustus 2006 ingetrokken en een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser nog belang heeft bij een uitspraak op zijn beroepschrift voorzover dat is gericht tegen het besluit van verweerder van 9 augustus 2006. Het beroep wordt in zoverre dan ook niet-ontvankelijk verklaard.

Op het bestreden besluit van 19 december 2006 zijn van toepassing de bepalingen van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg zoals deze met ingang van 15 december 2006 in werking zijn getreden (Staatsblad 2006, 472).

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) kan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, kort gezegd en voorzover hier van belang, bepalen dat een titel die verbonden is aan een specialistenregister van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) als wettelijk erkende specialisten-titel wordt aangemerkt.

Het tweede lid, aanhef en onder d, van dit artikel bepaalt dat een dergelijk besluit uitsluitend wordt genomen indien onder andere is voldaan aan de voorwaarde dat de KNMG een orgaan kent dat regels stelt met betrekking tot de eisen die gesteld worden aan de inschrijving als specialist.

De KNMG heeft bij de Regeling inzake de opleiding en registratie van specialisten (de Regeling) het Centraal College Medische Specialismen (CCMS) ingesteld. Het CCMS is het orgaan als bedoeld in artikel 14, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet BIG.

Artikel 12 van de Regeling bepaalt dat het CCMS tot taak heeft het vaststellen van de eisen voor de inschrijving in het betreffende register van specialisten.

De KNMG heeft bij de Regeling verweerder aangewezen als het orgaan dat tot taak heeft het inschrijven van personen in een register van specialisten.

Artikel 23, derde lid, van de Regeling bepaalt dat verweerder alleen beslissingen kan nemen, indien in zijn vergadering tenminste de helft van het aantal gewone leden aanwezig is.

Artikel 28, eerste lid, van de Regeling bepaalt dat bij de behandeling van een verzoek tot inschrijving in een register een lid dat bij de opleiding van de verzoeker betrokken is geweest door zijn plaatsvervanger wordt vervangen.

Het CCMS heeft op basis van artikel 12 van de Regeling het Kaderbesluit CCMS (Kaderbesluit) vastgesteld.

In artikel D1 van dit Kaderbesluit zijn de eisen voor registratie van medisch-specialisten neergelegd.

Artikel A2 van het Kaderbesluit bepaalt dat van het besluit niet kan worden afgeweken in besluiten van de MSRC tenzij dit uitdrukkelijk in dit besluit is bepaald.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft de titels die zijn verbonden aan de krachtens de Regeling aangewezen specialismen aangemerkt als wettelijk erkende titels.

Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat er sprake is van een onbevoegd genomen besluit althans van onzorgvuldige besluitvorming. De rechtbank deelt dit standpunt niet op grond van de volgende overwegingen.

Onbetwist is dat in de vergadering van verweerder tenminste de helft van het aantal gewone leden aanwezig was. De conclusie kan dan ook niet zijn dat verweerder onbevoegd was wegens strijd met artikel 23, derde lid, van de Regeling. Verweerder heeft niet weersproken dat in de vergadering van verweerder het lid dat bij de opleiding van eiser betrokken was niet is vervangen door zijn plaatsvervanger bij het nemen van het bestreden besluit. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank gehandeld in strijd met artikel 28, eerste lid, van de Regeling. De schending van dit voorschrift heeft echter niet tot gevolg dat verweerder niet bevoegd was. Ook acht de rechtbank deze schending niet zo zwaarwegend dat er sprake is van onzorgvuldige besluitvorming. Daarbij is van belang dat het lid dat betrokken was bij de opleiding van eiser niet aan de besluitvorming heeft deelgenomen en bij deze besluitvorming ook niet aanwezig was. Ook het feit dat het bij de opleiding van eiser betrokken lid een verklaring heeft afgelegd alvorens de vergadering te verlaten en dat de besluitvorming vervolgens binnen enkele minuten was afgerond is onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat er, althans naar objectieve maatstaven gemeten, sprake is van onzorgvuldige besluitvorming.

Niet in geschil is dat eiser niet voldoet aan de eisen voor registratie zoals neergelegd in artikel D1 van het Kaderbesluit.

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder desondanks tot registratie had dienen over te gaan. Het Kaderbesluit bevat voorzover het de registratie-eisen betreft beleidsregels als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder is dan ook op grond van artikel 4:84 van de Awb gehouden om van deze regels af te wijken indien er sprake is van gevolgen voor eiser die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. Er is sprake van bijzondere omstandigheden en onevenredige gevolgen.

Verweerder stelt zich primair op het standpunt gebonden te zijn aan de eisen van artikel D1 van het Kaderbesluit en, gelet op artikel A2 van het Kaderbesluit, geen ruimte te hebben daarvan af te wijken. Voorzover de rechtbank dit standpunt niet zou volgen stelt verweerder zich op het standpunt dat er geen aanleiding is om van de eisen van artikel D1 af te wijken.

De rechtbank is van oordeel dat artikel D1 van het Kaderbesluit geen beleidsregels bevat als bedoeld in de Awb. Artikel D1 van het Kaderbesluit bevat de eisen voor registratie en heeft dan ook betrekking op de uitoefening van de aan verweerder toekomende bevoegdheid. In gevolge de Awb kan een bestuursorgaan met betrekking tot de eigen bevoegdheden beleidsregels vaststellen. Slechts indien er sprake is van een onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende of door hem gedelegeerde bevoegdheid dan wel indien hiervoor een wettelijke grondslag bestaat kan een bestuursorgaan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een bevoegdheid van een ander bestuursorgaan. Er is geen sprake van een onder verantwoordelijkheid van het CCMS uitgeoefende of door het CCMS gedelegeerde bevoegdheid. Ook is er geen wettelijke grondslag op grond waarvan het CCMS beleidsregels kan vaststellen met betrekking tot de bevoegdheid van verweerder, nog daargelaten het antwoord op de vraag of het CCMS als bestuursorgaan kan worden aangemerkt. De Regeling kan niet worden aangemerkt als een wettelijke grondslag als hiervoor bedoeld nu de Regeling geen publiekrechtelijke maar een privaatrechtelijke regeling is, zoals de Afdeling heeft uitgemaakt in haar uitspraak van 19 november 2003 (JB 2004, 16). De wijziging van de tekst van artikel 14 van de wet BIG zoals deze op 15 december 2006 in werking is getreden geeft de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel over de juridische status van de Regeling. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat artikel 4:84 van de Awb geen grondslag biedt voor het standpunt van eiser dat verweerder had moeten afwijken van het Kaderbesluit.

Voorzover het standpunt van eiser inhoudt dat verweerder van het Kaderbesluit had moeten afwijken ook als dat op het punt van de registratie-eisen geen beleidsregels bevat – de rechtbank laat in het midden of de mogelijkheid hiertoe bestaat - is de rechtbank van oordeel dat verweerder in hetgeen eiser aan bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd geen aanleiding hoefde te zien om afwijking van het Kaderbesluit te overwegen.

Het bestreden besluit is overigens summier gemotiveerd waar het betreft het standpunt dat eiser in bezwaar heeft ingenomen met betrekking tot de status van het Kaderbesluit en de door eiser aangevoerde bijzondere omstandigheden. De rechtbank is echter van oordeel dat het bestreden besluit gelezen in samenhang met het primair besluit en hetgeen verweerder in de bezwaarprocedure heeft aangevoerd berust op een motivering die voldoende kenbaar is en die, gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, het bestreden besluit kan dragen. De omstandigheid dat verweerder een aanbeveling van de onafhankelijke adviescommissie die haar over het bezwaar van eiser heeft geadviseerd om in overleg te treden met de Belgische autoriteiten niet heeft opgevolgd doet daaraan niet af, temeer niet nu de beslissing van verweerder om niet in overleg te treden en de motivering van deze beslissing niet ter toetsing voorliggen. Overigens stelt de rechtbank vast dat verweerder wel degelijk in het bestreden besluit heeft aangegeven waarom zij deze aanbeveling niet opvolgt.

Voorzover eiser heeft willen aanvoeren dat er sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel verwerpt de rechtbank deze grief nu deze onvoldoende concreet is onderbouwd.

Het beroep tegen het bestreden besluit is, gelet op het voorgaande, ongegrond.

3. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 9 augustus 2006 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit ongegrond.

Deze uitspraak is gewezen op 27 maart 2007 door mr. H.P. Kijlstra, voorzitter, en

mrs. R.B. Kleiss en A.A. Spoel, rechters,

in tegenwoordigheid van J.J.M. Tol, griffier,

en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: B