Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BA1490

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-03-2007
Datum publicatie
26-03-2007
Zaaknummer
13.497.044-2007
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overlevering aan Duitsland toegestaan. Verweer t.a.v. artikel 2, tweede lid onder e OLW verworpen. Raadsman heeft bepleit dat opgeëiste persoon, hoewel zijn asielverzoek nog geen maand geleden is afgewezen, toch gelijk gesteld dient te worden aan een vreemdeling als bedoeld in artikel 6, vijfde lid OLW. Rechtbank wijst dit af. Artikel 13 OLW is ook van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.044-2007

RK nummer: 07/628

Datum uitspraak: 20 maart 2007

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 30 januari 2007 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op

17 februari 2005 door de Staatsanwalt bij het Openbaar Ministerie te Ravensburg (Duitsland). Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting ‘Zuyderbos’ te Heerhugowaard,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 6 maart 2007. Daarbij zijn de offi-cier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. F.H. van Alst, advocaat te Someren gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Turkse taal.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een arrestatiebevel ten grondslag, afgegeven door het Amtsgericht Ravensburg en gedateerd 21 februari 2000 (kenmerk 4 Gs 100/2000).

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul-dig heeft gemaakt aan drie naar het recht van Duitsland strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn, dat hij een Koerd en geen Turk is en dat hij niet de Nederlandse, maar de Turkse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

4.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van het recht van de uitvaardigende lidstaat - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen - heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. De feiten vallen onder nummer 5 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Op deze feiten is bovendien naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan deze feiten, is niet gebleken.

6. Verweren

6.1 De raadsman heeft aangevoerd dat noch uit het EAB noch uit de overige stukken blijkt wat de chemische samenstelling is van de in het EAB genoemde 'heroïne-hydrochloride' en heeft betoogd dat het EAB op dit punt ongenoegzaam is.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Het gevoerde verweer betreft de vraag of hetgeen aan de opgeëiste persoon wordt verweten, bewezen verklaard kan worden. Een dergelijk verweer dient te worden gevoerd voor de rechter die inhoudelijk over de zaak een oordeel zal vellen. Voor zover het verweer strekt tot weigering van de overlevering vanwege ongenoegzaamheid der stukken, is de rechtbank van oordeel dat het EAB voldoet aan de eisen die artikel 2, tweede lid, onder e van de OLW stelt.

Een chemische analyse van de verdovende middelen is niet noodzakelijk voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van de overlevering.

6.2 De raadsman heeft voorts verzocht de opgeëiste persoon gelijk te willen stellen aan de in artikel 6, vijfde lid, OLW bedoelde vreemdeling. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de opgeëiste persoon al langere tijd in Nederland verblijft; hij woont in de plaats Helmond en onderhoudt in die gemeente zijn sociale contacten. De opgeëiste persoon heeft volgens de raadsman een naturalisatieverzoek ingediend en beheerst de Nederlandse taal. Dit alles maakt dat de opgeëiste persoon kan worden aangemerkt als inwoner van Nederland en recht heeft op de in artikel 6, eerste lid OLW bedoelde waarborg (de zogenaamde 'dubbele WOTS-garantie'), aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer.

De opgeëiste persoon voldoet in geen enkel opzicht aan het in artikel 6, vijfde lid, OLW gestelde criterium. Hij mist op dit moment ieder verblijfsrecht voor Nederland. De rechtbank gaat uit van de juistheid van de mededeling van de raadsman dat de opgeëiste persoon een verzoek tot naturalisatie heeft ingediend maar stelt tevens vast dat nog niet op dat verzoek is beslist.

De rechtbank ziet geen aanleiding om haar beslissing uit te stellen en de afloop van deze procedure af te wachten, temeer niet nu de officier van justitie ter zitting heeft meegedeeld dat een door de opgeëiste persoon ingediende asielaanvraag op 27 februari 2007 is afgewezen.

6.3 De raadsman heeft tenslotte opgemerkt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is verstreken. De rechtbank vat het verweer op als een pleidooi om de overlevering op grond van artikel 11 OLW te weigeren. Er zijn echter geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het verweer onderbouwen. Reeds om die reden wordt het verweer verworpen.

7. Weigeringgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a OLW

Uit de stukken blijkt dat het feit bedoeld onder 4.1 waarvoor de Duitse justitie de opgeëiste persoon wil vervolgen gedeeltelijk in Nederland is gepleegd. Artikel 13, eerste lid, onder a OLW verbiedt in dit geval de overlevering voor deze feiten.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van het bepaalde in artikel 13, eerste lid, onder a van de OLW te weigeren. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het EAB betrekking heeft op een strafbaar feit dat geacht kan worden in Nederland te zijn gepleegd en niet is gebleken dat de verzochte overlevering aan de Duitse autoriteiten en de verdere vervolging in Duitsland bepaaldelijk de voorkeur verdient, boven de mogelijke afhandeling van de strafzaak door de Nederlandse autoriteiten.

Op grond van het tweede lid van genoemd artikel heeft de officier van justitie gevorderd dat om redenen van goede rechtsbedeling dient te worden afgezien van bedoelde weigeringgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

Slechts een deel van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht is mogelijk op Nederlands grondgebied gepleegd, te weten het leveren van de verdovende middelen.

De opsporing en vervolging van de strafbare feiten zijn in Duitsland aangevangen.

De medeverdachten [medeverdachte 1] en M. [medeverdachte 2] zijn in Duitsland reeds door de rechtbank te Ravensburg veroordeeld. Voorts zijn de bewijsmiddelen in Duitsland voorhanden en wonen de getuigen in Duitsland. De rechtsorde is in Duitsland rechtstreeks aangetast, nu de verdovende middelen telkens naar Duitsland werden gebracht en daar werden verhandeld.

Het voorgaande brengt met zich mee dat op grond van de goede rechtsbedeling overlevering aan de Duitse autoriteiten de voorkeur geniet boven de eventuele overname van de strafzaak door Nederland, aldus de officier van justitie.

Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten acht de rechtbank de vordering niet onredelijk en is van oordeel dat de officier van justitie op de door haar aangevoerde gronden in redelijkheid tot haar vordering heeft kunnen komen. De officier van justitie kon hierbij voorbijgaan aan de persoonlijke belangen van de opgeëiste persoon nu er door of namens hem geen persoonlijke omstandigheden zijn aangevoerd die in de weg zouden moeten staan aan deze vordering van de officier van justitie en evenmin uit het dossier dergelijke omstandigheden naar voren komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13 Overleveringswet bedoelde weigeringgrond.

8. Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

9. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikelen 2, 5, 7 en 13 van de Overleveringswet.

10. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Staatsanwalt bij het Openbaar Ministerie te Ravensburg (Duitsland), ten behoeve van het in Duitsland tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,

mrs. M. van Mourik en A.H.J. Swart, rechters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 20 maart 2007.

De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.