Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BA1275

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-01-2007
Datum publicatie
22-03-2007
Zaaknummer
347805
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing van vordering tot vergoeding van schade op te maken bij staat. Onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om te kunnen concluderen tot causaal verband tussen het, zonder zich met eiser te verstaan, legaliseren van de volmacht door de notaris en de door eiser als gevolg daarvan gestelde schade. Bovendien heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij enige schade heeft geleden. Tevens afwijzing van de door eiser gevorderde verklaring voor recht dat de notaris jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld. Bij een dergelijke verklaring heeft eiser nog slechts een ideëel belang dat niet kan worden aangemerkt als een voldoende belang in de zin van artikel 3:303 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 10 januari 2007

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 335076 / HA ZA 06-379 van

A,

wonende te,

eiser,

procureur eerst: mr. K.R. Lieuw On,

thans: mr. A.C.R. Molenaar,

tegen

1. B,

wonende te,

2. de naamloze vennootschap

NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagden,

procureur eerst: mr. M. Groen,

thans: mr. M. Rijken,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 347805 / HA ZA 06-2559 van

1. B,

wonende te,

2. de naamloze vennootschap

NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

eisers,

procureur eerst: mr. M. Groen,

thans: mr. M. Rijken,

tegen

1. C,

wonende te,

2. D,

wonende te,

gedaagden,

procureur mr. M.J. Sarfaty.

Partijen zullen hierna A, B, Nationale Nederlanden, C en D genoemd worden.

1. De procedure in de hoofdzaak

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 9 augustus 2006,

- het proces-verbaal van comparitie van 28 november 2006.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De procedure in de vrijwaringszaak

2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 22 november 2006,

- het proces-verbaal van comparitie van 28 november 2006.

2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak

3.1. B is werkzaam als notaris te Amsterdam.

3.2. A en zijn echtgenote, E, zijn op 29 februari 1984 voor gelijke delen eigenaar geworden van de onroerende zaak aan de -- (hierna: het pand). A en mevrouw E waren buiten gemeenschap van goederen gehuwd.

3.3. Op 15 oktober 1996 is A wegens een depressieve stoornis opgenomen in het Amsterdams Medisch Centrum. Gedurende deze periode heeft E de zaken van A waargenomen.

3.4. Op 1 maart 1997 is E overleden. C en D zijn E als haar enige erfgenamen onder algemene titel opgevolgd in haar onverdeelde aandeel in het pand.

3.5. Op 16 april 1997 heeft B de handtekening op een volmacht (hierna: de volmacht) gelegaliseerd als zijnde de handtekening van A. B heeft hiertoe de handtekening op de volmacht vergeleken met de handtekening op een kopie van het rijbewijs van A. Blijkens de tekst van de volmacht zijn C en D ieder afzonderlijk algemeen bevoegd om A te vertegenwoordigen.

3.6. Op 31 oktober 1997 is A vanuit het Amsterdams Medisch Centrum opgenomen in de Psychiatrische Woonvoorziening van het F.

3.7. Bij akte van verdeling van 30 december 1997 (hierna: de verdelingsakte) is het pand toebedeeld en geleverd aan C en D. In ruil hiervoor hebben C en D de hypothecaire verplichtingen ten aanzien van het pand voor hun rekening genomen, alsmede zich verplicht een bedrag van NLG 155.445,-- aan A te voldoen wegens onderbedeling.

3.8. Bij akte van 30 december 1997 (hierna: de kwijtscheldingsakte) heeft A C en D genoemde schuld van NLG 155.445,-- kwijtgescholden.

3.9. De verdelingsakte en de kwijtscheldingsakte zijn beide verleden door B. A, C en D waren hierbij in persoon aanwezig.

3.10. Op 3 mei 1999 heeft A het F verlaten.

3.11. Op 27 juni 1999 heeft A de volmacht ingetrokken.

3.12. Bij schrijven van 1 september 1999 heeft mr. Voorn, advocaat te Amsterdam, het volgende aan C bericht:

“(...) Namens uw vader, de heer A, verzoek ik u mij in kopie toe te zenden alle bankafschriften van zijn rekening bij de Rabobank. Volgens zijn mededeling was u op die rekening gemachtigd, doch u heeft tot op heden geen rekening en verantwoording aan hem afgelegd. (...) Ook wordt u verzocht het bedrag van f.2.866,00 op zijn rekening te storten. (...).”

3.13. A is er pas in de eerste helft van 2002 van op de hoogte geraakt dat B de handtekening op de volmacht heeft gelegaliseerd.

3.14. A heeft op 6 maart 2003 een klacht ingediend tegen B bij de Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Amsterdam (hierna: de Kamer van Toezicht). Het eerste onderdeel van deze klacht richtte zich op de verdelingsakte en de kwijtscheldingsakte, waarvan B de gevolgen nooit met A zou hebben besproken. Tevens zou B, die wist dat A in die periode psychische problemen had, tekort geschoten zijn in zijn onderzoek of A zijn wil kon verklaren. Het tweede onderdeel van de klacht richtte zich op de volmacht, die A niet zou hebben ondertekend. B zou onvoldoende onderzoek hebben verricht naar de deugdelijkheid van de volmacht en zodoende de hierbij vereiste zorgvuldigheid niet in acht hebben genomen.

3.15. Nadat de Kamer van Toezicht de klacht ongegrond had verklaard, heeft het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: het hof) in hoger beroep geoordeeld dat de klacht ten aanzien van de verdelingsakte en de kwijtscheldingsakte verjaard was, nu er meer dan drie jaren verstreken waren tussen de datum waarop A op de hoogte was geraakt van de overdracht van het pand en de datum waarop hij de klacht bij de Kamer van Toezicht had ingediend. Ten aanzien van de volmacht oordeelde het hof dat B laakbaar had gehandeld door zich bij de legalisatie van de handtekening op de volmacht te beperken tot het vergelijken daarvan met een kopie van het rijbewijs van A, zonder zich met A te verstaan, hoewel hij wist dat A in een inrichting verbleef wegens een psychische aandoening. Het hof heeft de maatregel van waarschuwing aan B opgelegd.

3.16. Bij schrijven van 29 juli 2005 heeft de gemachtigde van A het volgende aan Nationale Nederlanden bericht:

“(...) Hierbij bericht ik u, dat ik als raadsman optreed voor de heer A in de aansprakelijkheidskwestie tegen notaris B.

Op verzoek van cliënt stel ik uw verzekerde hierbij uitdrukkelijk aansprakelijk voor de door cliënt gelden schade en nog te lijden schade ten gevolge van de door uw verzekerde notaris B gemaakte beroepsfout. (...)”

3.17. Bij brief van 17 oktober 2005 heeft B het volgende aan A bericht:

“(...) In de afgelopen jaren heb ik u meermalen meegedeeld dat ik vanzelfsprekend bereid ben alle gebeurtenissen, die u in de laatste jaren zijn overkomen, te analyseren, waarbij ik u op de mogelijkheden en onmogelijkheden heb proberen te wijzen. Hierbij zijn onder meer aan de orde gekomen het aanspreken van uw beide zoons op hun gedrag ten aanzien van uw geld op de rekening bij de Postbank N.V. en uw vordering op de nalatenschap van wijlen uw echtgenote vanwege de door u betaalde premies voor de levensverzekering, welke wijlen uw echtgenote buiten u om heeft laten uitbetalen. (...)

Voorts neem ik aan dat de heerMolenaar u alle verdere mogelijkheden kan tonen, waarbij ik nogmaals wijs op de verzekeringskwestie, het geld bij de Postbank N.V. en de eventuele verdere vorderingen op de nalatenschap van wijlen uw echtgenote wegens door u betaalde schulden en dergelijke. (...)”

4. Het geschil

in de hoofdzaak

4.1. A vordert – voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad –:

- een verklaring voor recht dat B jegens hem wanprestatie heeft gepleegd, dan wel onrechtmatig heeft gehandeld en dat B beroepsaansprakelijk is jegens A voor de schade die A dientengevolge heeft geleden;

- een verklaring voor recht dat Nationale Nederlanden als de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van B gehouden is genoemde schade aan A te vergoeden;

- B en Nationale Nederlanden hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de door A geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid, althans de dag van dagvaarding;

- B en Nationale Nederlanden te veroordelen tot betaling van de proceskosten.

4.2. B en Nationale Nederlanden voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de vrijwaringszaak

4.3. B en Nationale Nederlanden vorderen dat C en D worden veroordeeld om aan B en Nationale Nederlanden te betalen al hetgeen waartoe B en Nationale Nederlanden jegens A in de hoofdzaak mochten worden veroordeeld, met veroordeling van C en D in de kosten van de hoofdzaak en de vrijwaring.

4.4. C en D voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

in de hoofdzaak

Ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid jegens Nationale Nederlanden

5.1. Als verweer van de verste strekking hebben Nationale Nederlanden en B aangevoerd dat A niet ontvankelijk is in zijn vordering jegens Nationale Nederlanden, nu laatstgenoemde de beroepsaansprakelijkheids-verzekeraar van B is en in die hoedanigheid niet rechtstreeks door A kan worden aangesproken.

5.2. Met Nationale Nederlanden en B is de rechtbank van oordeel dat A geen zelfstandig vorderingsrecht heeft op Nationale Nederlanden wegens het door hem gestelde onrechtmatig handelen van B. De action directe uit artikel 7:954 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) waarop A zich in dit verband heeft beroepen, geeft immers uitsluitend een zelfstandig vorderingsrecht aan de benadeelde indien deze vordering ziet op schade van de benadeelde door dood of letsel. Nu in het onderhavige geval van dergelijke schade geen sprake is, komt A reeds daarom geen vorderingsrecht op grond van 7:954 BW toe. Het verweer van Nationale Nederlanden en B slaagt derhalve, zodat de vordering jegens Nationale Nederlanden voor afwijzing gereed ligt.

Ten aanzien van de verjaring

5.3. B heeft voorts nog aangevoerd dat de vordering van A op grond van artikel 3:310 BW is verjaard, nu B pas op 29 juli 2005 aansprakelijk is gesteld, terwijl A reeds meer dan vijf jaren daarvoor op de hoogte was geraakt van de door hem gestelde schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, aldus steeds B. A heeft gemotiveerd betwist dat sprake is van verjaring.

5.4. Met A, is de rechtbank van oordeel dat de vordering ten aanzien van de volmacht niet reeds is verjaard. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende. Vast staat dat A pas in de eerste helft van 2002 op de hoogte is geraakt van de legalisatie van de handtekening op de volmacht door B. Nu B en Nationale Nederlanden op 17 november 2005 door A zijn gedagvaard, valt de rechtsvordering nog binnen de verjaringstermijn van vijf jaar. Dat A op 1 september 1999 reeds bekend was met het bestaan van de volmacht, doet aan het voorgaande niet af, nu is komen vast te staan dat hij op dat moment niet tevens wist dat B de handtekening op de volmacht had gelegaliseerd.

5.5. De vordering ten aanzien van de verdelingsakte en de kwijtscheldingsakte is naar het oordeel van de rechtbank echter wel verjaard. Anders dan A stelt, is voor de aanvang van de verjaringstermijn van artikel 3:310 BW niet vereist dat de benadeelde bekend is met de volledige omvang van de door hem geleden schade. Voldoende is dat de benadeelde bekend is met de mogelijkheid dat schade is geleden. B heeft in dit verband onbetwist gesteld dat A in ieder geval op de hoogte was van de door hem gestelde schade – zij het dat de omvang daarvan toen mogelijk nog niet vaststond – en de daarvoor mogelijk aansprakelijke persoon, toen hij in mei 1999 het F verliet. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verjaringstermijn van vijf jaren in ieder geval vanaf mei 1999 gaan lopen.

De enkele stelling van A dat B de schuld opzettelijk verborgen heeft gehouden door de legalisatie achter te houden, is – gezien de gemotiveerde betwisting van B dat hij er vanuit ging dat A op de hoogte was van de ondertekening van de volmacht – zonder nadere toelichting, die ontbreekt, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voor een verlenging van de verjaringstermijn op grond van artikel 3:321 lid 1 onder f BW. Bij de beoordeling dient derhalve te worden uitgegaan van een verjaringstermijn van vijf jaren.

Hieruit volgt dan ook dat de verjaringstermijn reeds meer dan een jaar verlopen was toen de onder 3.16. genoemde brief van 29 juli 2005 werd verzonden, zodat deze brief niet kan worden aangemerkt als de stuiting van de verjaring. Het instellen van de tuchtrechtelijke procedure door A jegens B heeft evenmin de verjaring gestuit, nu een dergelijke procedure niet tot doel heeft om de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de betreffende beroepsbeoefenaar vast te stellen en dus niet als een daad van rechtsvervolging in de zin van artikel 3:316 BW.

Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat uit de onder 3.17. genoemde brief niet kan worden geconcludeerd dat B enige aansprakelijkheid jegens A heeft erkend. Immers, uit deze brief blijkt slechts dat B aan A heeft medegedeeld dat laatstgenoemde de mogelijkheden tot aansprakelijkstelling dient te bespreken met zijn advocaat, mr. Molenaar.

5.6. Uit het hiervoor overwogene volgt dat de vordering ten aanzien van de leveringsakte en de kwijtscheldingsakte in ieder geval in mei 2004 is verjaard. Nu de dagvaardin eerst op 17 november 2005 is uitgebracht, slaagt het beroep van B op verjaring derhalve. De vordering van A ligt op dit punt dan ook voor afwijzing gereed.

Ten aanzien van de volmacht

5.7. Nu de vordering ten aanzien van de volmacht tijdig is ingesteld, zal de rechtbank deze vordering thans inhoudelijk beoordelen.

5.8. Vooropgesteld wordt dat tussen partijen vaststaat dat de opdracht tot het opstellen en legaliseren van de volmacht niet door A aan B is verstrekt, zodat van wanprestatie geen sprake kan zijn. Hetgeen A in verband hiermee gevorderd heeft, ligt derhalve voor afwijzing gereed.

5.9. Ten aanzien van de gestelde onrechtmatigheid van het handelen van B en de daaruit voor A voortvloeiende schade, overweegt de rechtbank als volgt.

5.10. A heeft gesteld dat D en/of C met behulp van de – volgens hem – valse gelegaliseerde volmacht de Rabobank ertoe hebben kunnen bewegen een op naam van A gestelde pinpas aan hen ter beschikking te stellen, met behulp waarvan zij bedragen van zijn rekening hebben opgenomen. A noemt in dit verband bedragen van NLG 2.886,-- (EUR 1.309,61) en NLG 1.900,-- (EUR 862,18). Nu C geen verantwoording heeft afgelegd over de periode waarin hij de bankrekening van A heeft beheerd, concludeert A dan ook dat het geld door (een van) zijn zoons gestolen is.

5.11. B heeft de stellingen van A op dit punt gemotiveerd betwist en heeft daartoe onder meer aangevoerd dat A het bestaan van enige schade onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. A heeft niet aangegeven welke bedragen er vóór de legalisatie van de volmacht op zijn rekening stonden, welke bedragen wanneer en voor welk doel door C of D zijn aangewend of welke andere onrechtmatige handelingen zij met behulp van de gelegaliseerde volmacht zouden hebben verricht. Daarmee heeft A nog geen begin gemaakt met het aannemelijk maken van zijn stelling dat hij schade heeft geleden. Evenmin heeft A aangegeven op welke gronden de door hem gestelde schade aan B zou dienen te worden toegerekend, aldus steeds B. Ten slotte heeft B nog aangevoerd dat A gelet op het lange tijdsverloop sinds het legaliseren van de volmacht thans in staat zou moeten zijn de schade nu reeds te begroten, zodat voor verwijzing naar de schadestaatprocedure geen plaats is.

5.12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft A met de enkele stelling dat C en/of D met behulp van een valse gelegaliseerde volmacht geld van hem hebben gestolen, mede gezien de gemotiveerde betwisting door B, onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit – indien bewezen – kan worden geconcludeerd dat sprake is van een causaal verband tussen het, zonder zich met A te verstaan, legaliseren van de volmacht door B en de door hem gestelde schade, zodat een verwijzing naar de schadestaatprocedure reeds daarom niet voor toewijzing vatbaar is.

5.13. Daarbij komt dat de rechtbank van oordeel is dat A onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij enige schade heeft geleden. Uit de enkele stelling dat er in de periode 16 april 1997 tot en met 27 juni 1999 – naar de rechtbank begrijpt ten hoogste – een bedrag van NLG 4.786,00 (EUR 2.171,79) van de rekening van A zou zijn opgenomen, kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet worden geconcludeerd dat genoemd bedrag niet is aangewend ten behoeve van A.

5.14. Nu er tussen de datum van intrekking van de gelegaliseerde volmacht en het uitbrengen van de dagvaarding in onderhavige zaak bovendien ruim vijf jaren zijn verstreken, is de rechtbank met B bovendien van oordeel dat – mede gezien het feit dat A zich reeds in ieder geval vanaf 1 september 1999 heeft laten bijstaan door een advocaat – de omvang van de eventuele schade thans bekend zou moeten kunnen zijn. A heeft echter nagelaten de hoogte schade in enige mate te concretiseren of het bestaan daarvan aannemelijk te maken.

5.15. Uit het hiervoor overwogene volgt dat de vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure niet voor toewijzing vatbaar is. Dientengevolge heeft A nog slechts een ideëel – dat wil zeggen, een niet-materieel – belang bij de door hem gevorderde verklaring voor recht. Een dergelijk belang kan echter niet worden aangemerkt als voldoende belang in de zin van artikel 3:303 BW, zodat de gevorderde verklaring voor recht dient te worden afgewezen.

5.16. Gezien het voorgaande behoeft hetgeen partijen omtrent de onrechtmatigheid van het handelen van B hebben gesteld, geen nadere bespreking.

5.17. A zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van B in de hoofdzaak en het vrijwaringsincident worden begroot op:

- explootkosten EUR 71,23

- vast recht 248,00

- salaris procureur 1.356,00 (3,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.675,23

in de vrijwaringszaak

5.18. Nu de vordering in de hoofdzaak niet toewijsbaar is gebleken, moet de vordering in de zaak in vrijwaring worden afgewezen.

5.19. B zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5.20. De kosten aan de zijde van C en D worden begroot op:

- vast recht EUR 248,00

- salaris procureur 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.152,00

6. De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak met nummer 335076 / HA ZA 06-379

6.1. wijst de vorderingen af,

6.2. veroordeelt A in de proceskosten, aan de zijde van B tot op heden begroot op EUR 1.675,23,

6.3. verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de zaak in vrijwaring met nummer 347805 / HA ZA 06-2559

6.4. wijst de vorderingen af,

6.5. veroordeelt B in de proceskosten, aan de zijde van C en D tot op heden begroot op EUR 1.152,00,

6.6. verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2007.?