Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BA1041

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-02-2007
Datum publicatie
20-03-2007
Zaaknummer
AWB 06/1617 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eiser, politieman, voorwaardelijk strafontslag opgelegd met een proefperiode van drie jaar en verplaatsing naar een andere functie in een ander korps omdat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Het plichtsverzuim bestaat volgens verweerder uit het in de periode 2000-2005 als praktijkbegeleider verbaal intimideren van een aantal (6) personen die onder zijn gezag waren gesteld. Voorts zou eiser omstreeks juli/augustus 2000 in de wijk K te H meerdere malen de borsten en bil(len) hebben aangeraakt van een vrouwelijke aspirant. Tenslotte zou eiser omstreeks najaar 2003 een surveillante ongewenst hebben geprobeerd te zoenen. De rechtbank is van oordeel dat

gelet op de uitkomsten van onderzoek uitgevoerd door Bureau Interne Onderzoeken alleen ten aanzien van het incident in 2000 voldoende is komen vast te staan dat eiser zich hieraan schuldig heeft gemaakt en dat sprake is van plichtsverzuim. De opgelegde straf van voorwaardelijk ontslag acht de rechtbank hiermee onevenredig omdat het incident dateert van vijf jaar geleden, het incident indertijd is gemeld maar destijds niet heeft geleid tot maatregelen tegen eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

meervoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 06/1617 AW

van:

[eiser], wonende te Huizen,

eiser,

vertegenwoordigd door W.G. Brunsveld,

tegen:

de korpsbeheerder van de politie Gooi en Vechtstreek,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. A.M.A.C. Theunissen.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 22 maart 2006 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 9 februari 2006 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 17 januari 2007.

2. OVERWEGINGEN

Eiser was bij verweerder laatstelijk werkzaam als trajectbegeleider in de rang van inspecteur. Als trajectbegeleider was eiser onder meer belast met de inhoudelijke zorg voor het gehele onderwijsleertraject van politiestudenten binnen het politiekorps.

Naar aanleiding van een melding van vertrouwenspersonen dat collega's problemen hadden in de samenwerking met eiser heeft de korpschef collega's gevraagd hun verhaal op papier te zetten. Na ontvangst van zeven brieven heeft de korpschef heeft het Bureau Interne Onderzoeken (hierna: BIO) in januari 2005 een oriënterend feitenonderzoek ingesteld. Dit heeft geleid tot een strafrechtelijk en een disciplinair onderzoek.

Bij besluit van 25 januari 2005 heeft verweerder eiser buiten functie gesteld en hem de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen en dienstterreinen dan wel het verblijf aldaar ontzegd, in afwachting van nader onderzoek en eventuele nadere besluitvorming.

Bij besluit van 7 juni 2005 heeft verweerder eisers bezwaren tegen het besluit tot buitenfunctiestelling ongegrond verklaard.

Het strafrechtelijk onderzoek is op 15 juli 2005 afgesloten. Het disciplinair onderzoek is op 9 augustus 2005 afgesloten.

Bij besluit van 18 augustus 2005 heeft verweerder, na eerste lezing van voornoemde onderzoeksrapporten, de buitenfunctiestelling ingetrokken en eiser met onmiddellijke ingang buitengewoon verlof verleend met behoud van bezoldiging, totdat er een rechtspositioneel besluit ten aanzien van eiser is genomen.

Bij besluit van 1 september 2005 heeft verweerder eiser zijn voornemen kenbaar gemaakt tot oplegging van voorwaardelijk strafontslag als bedoeld in artikel 77, eerste lid, onder j van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) wegens plichtsverzuim, voor de duur van 3 jaren alsmede het voornemen om eiser als maatregel in het belang van de dienst te verplaatsen naar een andere functie in een ander korps.

Het plichtsverzuim bestaat volgens verweerder uit het in de periode 2000-2005 als praktijkbegeleider verbaal intimideren van een aantal (6) personen die onder zijn gezag waren gesteld. Voorts zou eiser omstreeks juli/augustus 2000 in de wijk Kerkelanden te Hilversum meerdere malen de borsten en bil(len) hebben aangeraakt van de aspirant [betrokkene]. Tenslotte zou eiser omstreeks najaar 2003 de surveillant mevrouw [betro[betrokkene 2] ongewenst hebben geprobeerd te zoenen.

Bij besluit van 19 oktober 2005 heeft verweerder eiser voorwaardelijk strafontslag opgelegd met een proefperiode van drie jaar en verplaatsing naar een andere functie in een ander korps. Verweerder handhaaft zijn standpunt dat eiser zich gezien zijn gedragingen, afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien, schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Omdat eiser niet te handhaven is in zijn huidige functie wordt aan hem separaat als maatregel in het belang van de dienst conform artikel 64 van het Barp verplaatsing op basis van detachering naar het Bovenregionaal Recherche Team van de politieregio Amsterdam-Amstelland opgelegd per 1 november 2005 voor de duur van 1 jaar.

Bij besluit van 9 februari 2006 heeft verweerder zijn primaire besluit gehandhaafd en de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Het beroep van eiser is gericht tegen het in stand laten van het voorwaardelijk strafontslag en de verplaatsing naar een andere functie in een ander korps.

OVERWEGINGEN.

Omtrent het horen in bezwaar.

Volgens eiser was het horen in bezwaar in strijd met het bepaalde in artikel 7:13, vijfde lid van de Awb, omdat eiser is gehoord zonder dat daarbij een vertegenwoordiger van verweerder aanwezig was. De rechtbank stelt vast dat het horen in bezwaar niet heeft plaatsgevonden door een adviescommissie met een externe voorzitter, als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), maar overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:5 van de Awb. Alsdan is artikel 7:13, vijfde lid, van de Awb niet van toepassing. Deze grief van eiser treft derhalve geen doel.

Omtrent het plichtsverzuim.

Naar vaste jurisprudentie van de CRvB geldt dat op basis van deugdelijke vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat de desbetreffende ambtenaar zich aan de hem verweten gedraging heeft schuldig gemaakt. De rechtbank dient vol te toetsen of sprake is van plichtsverzuim.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat de drie eerdergenoemde gedragingen, te weten de verbale intimidatie van aspiranten, het tijdens een dienst/verkeerscontrole meerdere malen pakken van een spreeksleutel die tussen de borsten van mevrouw [betrokkene] hing en de poging tot zoenen van mevrouw [betrokkene 2], ook afzonderlijk bezien plichtsverzuim opleveren.

Eiser betwist dat hij de verweten gedragingen heeft verricht.

Gelet hierop zal de rechtbank per gedraging nagaan of sprake is van plichtsverzuim.

1. De verbale intimidatie van aspirant-agenten.

De gestelde verbale intimidatie door eiser van de aan hem toevertrouwde aspirant-agenten berust op de op verzoek van verweerder geschreven brieven en in het onderzoek afgelegde verklaringen van [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 6] en [betrokkene 2].

De rechtbank stelt voorop dat de brieven en verklaringen dateren van januari 2005 en later, terwijl deze betrekking hebben op gebeurtenissen in de periode 2000 tot 2004.

De rechtbank stelt voorts vast dat in de verklaringen van genoemde personen veelal waardeoordelen en interpretaties van het gedrag van eiser naar voren worden gebracht, bijvoorbeeld dat eiser macht heel prettig vindt, op een denigrerende toon spreekt en een dominante houding heeft, maar in de verklaringen niet of nauwelijks gedragingen van eiser worden geschetst dan wel concrete voorbeelden worden gegeven van het vermeende verbaal intimiderende gedrag van eiser.

De brief van [betrokkene 3] bevat wel een concreet voorbeeld. Zij geeft aan dat eiser in september 2003 tijdens een gesprek over haar problemen thuis met haar ouders tegen haar gezegd zou hebben dat zij voor god kon spelen en dat zij haar dienstwapen mee naar huis kon nemen. Zij zou dan het wapen op haar ouders gericht kunnen houden om hun leven en dood te bepalen. De rechtbank acht die verklaring niet ongeloofwaardig, maar is van oordeel dat deze opmerking veeleer als misplaatst is te kenmerken dan dat deze zou getuigen van verbale intimidatie. Te meer, omdat uit de verklaring van [betrokkene 3] niet blijkt dat tijdens het gesprek van eiser met haar hun werkrelatie of haar opleiding aan de orde is gekomen.

Gelet op de inhoud van de afgelegde verklaringen is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan verbale intimidatie. Nu de verweten gedraging -verbale intimidatie van aspirant-agenten door eiser- niet voldoende aannemelijk is gemaakt, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte overwogen dat sprake was van plichtsverzuim ten aanzien van deze gedraging.

2. Het incident met de spreeksleutel.

De rechtbank stelt allereerst vast dat het incident met de spreeksleutel heeft plaatsgevonden in 2000. Alhoewel het incident plaatsvond op de openbare weg en eiser een klas aspirant-agenten bij zich had om een verkeerscontrole te doen, zijn er behoudens de verklaringen van mevrouw [betrokkene] en eiser geen verklaringen van getuigen die het incident zelf hebben waargenomen.

De rechtbank stelt voorts vast dat mevrouw [betrokkene] destijds wel met een vertrouwenspersoon over het incident heeft gesproken, doch daarvan destijds geen aangifte heeft gedaan. Eerst naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek tegen eiser heeft zij in april 2005 besloten alsnog aangifte jegens eiser te doen.

In de brief van mevrouw [betrokkene] van januari 2005 schrijft zij dat eiser bij het pakken van de spreeksleutel die op dat moment aan de V-hals van haar trui vastzat, in haar "interpersoonlijke ruimte" kwam. Ook tijdens het verhoor op 7 april 2005 verklaart mevrouw [betrokkene] dit, en stelt zij pas in antwoord op een vraag dat haar borsten zijn aangeraakt en dat zij denkt dat het een bewuste actie was.

Eiser verklaart dat het best zo kan zijn dat hij vijf jaar geleden de spreeksleutel heeft aangeraakt maar betwist dat hij haar borsten heeft aangeraakt en verklaart dat de spreeksleutel zover hij weet op haar schouder hing.

Henk Staal, een collega van eiser, verklaart in 2005 dat hij van mevrouw [betrokkene] heeft gehoord dat eiser de sleutel van de portofoon gepakt had, terwijl die op haar borst hing.

[betrokkene 7], teamleider van de praktijkbegeleiders ten tijde van het voorval, verklaart in april 2005, dat hij aantekeningen heeft van de datum van gesprekken met [betrokkene 8], toen wachtcommandant, die hem over dit incident aansprak en dat hij op 21 april 2000 te 13.00 uur een gesprek met mevrouw [betrokkene] heeft gevoerd. Hij verklaart over dit gesprek:

"zij vertelde me ook [eiser][eiser] ongevraagd de spreeksleutel van de portofoon had vastgepakt, die had ingedrukt en er wat in had gesproken. Die spreeksleutel zat aan haar kleding ter hoogte van haar borsten zoals zij uitlegde. Volgens mij heeft [betrokkene 2] het niet over haar borsten gehad, zij sprak erover dat [eiser] binnen haar interpersoonlijke ruimte was gekomen. Ik begreep niet dat zij bedoelde dat zij op een ongewenste manier was aangeraakt." (p. 48)

In het dossier bevinden zich voorts verklaringen van 2 getuigen die zich herinneren het voorval 4 a 5 jaar geleden te hebben gezien vanuit "De Toren" aan de Prins Bernhardstraat te Hilversum. Partijen zijn het erover eens dat deze verklaringen niet betrouwbaar zijn, nu het incident zich tijdens een verkeerscontrole op de Kloosterlaan moet hebben voorgedaan, die niet zichtbaar is vanuit "De Toren".

De rechtbank acht gelet op de afgelegde verklaringen aannemelijk dat eiser de spreeksleutel van de portofoon ongevraagd heeft gepakt en dat die spreeksleutel aan de V-hals van haar trui hing, ter hoogte van haar borsten. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verklaring van mevrouw [betrokkene] wordt ondersteund door voornoemde andere verklaringen.

Of eiser daarbij opzettelijk de borsten van mevrouw [betrokkene] heeft aangeraakt is niet vast te stellen, gelet op de verklaring van mevrouw [betrokkene] over haar interpersoonlijke ruimte. De rechtbank is evenwel van oordeel dat ook een gedraging, bestaande uit het beetpakken en inspreken van een spreeksleutel die in de V-hals van de trui van een vrouwelijke collega hangt, een gedraging is die een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten. Die gedraging is eiser voorts toe te rekenen. Deze gedraging heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden kunnen kwalificeren als plichtsverzuim.

3. Poging tot zoenen van [betrokkene 2].

Ten aanzien van het proberen te zoenen van mevrouw [betrokkene 2] is de rechtbank van oordeel dat in de gedingstukken onvoldoende aanknopingspunten zijn om de overtuiging te verkrijgen dat eiser zich hieraan schuldig heeft gemaakt. Tegenover de verklaring van mevrouw [betrokkene 2] staat de ontkenning van eiser. Bij de gedingstukken bevinden zich geen verklaringen, die de verklaring van mevrouw [betrokkene 2] ondersteunen. Wel blijkt uit het dossier dat mevrouw [betrokkene 2] en eiser een tijdlang ook privé met elkaar omgingen, waarna die relatie is verslechterd. Nu onvoldoende vast staat dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan deze gedraging, heeft verweerder ten aanzien hiervan derhalve ten onrechte plichtsverzuim aangenomen.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank van oordeel is dat eiser zich ten aanzien van het spreeksleutel-incident schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Daaruit volgt dat verweerder bevoegd was om aan eiser een disciplinaire straf op te leggen.

De evenredigheid tussen plichtsverzuim en straf.

De rechtbank dient vervolgens de evenredigheid van de opgelegde straf te beoordelen.

De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder opgelegde straf van voorwaardelijk ontslag onevenredig is aan het geconstateerde plichtsverzuim. Daartoe overweegt de rechtbank in de eerste plaats dat van de drie feitencomplexen op grond waarvan deze straf is opgelegd er slechts één feitencomplex stand houdt in beroep.

Voorts heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte geen betekenis toegekend aan de duur van de periode tussen het moment waarop het voorval zich voordeed en het moment waarop de straf is opgelegd. Tussen het voorval en de straf zat immers een periode van vijf jaar. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring die verweerder voor deze lange periode heeft gegeven, namelijk dat [betrokkene] pas in 2005 aangifte heeft gedaan, niet bevredigend is, nu verweerder wel al in 2000 van de gedraging op de hoogte was. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden in de veronderstelling kunnen verkeren dat dit incident in 2000 was afgesloten, nu het voorval in 2000 aan zijn leidinggevenden is gemeld, door hen met eiser besproken is en er blijkbaar toen geen reden werd gezien deze gedraging als plichtsverzuim te kwalificeren en eiser disciplinair te straffen.

Verplaatsing van eiser ingevolge artikel 64 van het Barp.

Ingevolge artikel 64 van het Barp is de ambtenaar indien het belang van de dienst dit in bijzondere gevallen vordert, verplicht zijn functie op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het aangewezen werkgebied uit te oefenen of, al dan niet op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied, een andere functie dan die waarin hij is aangesteld, mits dit redelijk is in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten.

Verweerder heeft in het primaire besluit van 19 oktober 2005 ter onderbouwing van de verplaatsing opgemerkt dat eiser binnen de afdeling P & O van de politie Gooi en Vechtstreek niet te handhaven is zijn huidige functie. In het bestreden besluit heeft verweerder aangegeven dat een verplaatsing ingevolge artikel 64 van het Barp gelet op eisers gedragingen als praktijk- en laatstelijk als trajectbegeleider noodzakelijk is. Met de verplaatsing wordt tot uiting gebracht dat het gezien zijn gedragingen niet verantwoord is eiser werkzaam te laten zijn als trajectbegeleider.

De rechtbank is van oordeel dat de motivering die aan verplaatsing van eiser ten grondslag ligt onvoldoende is. Verweerder geeft niet aan waaruit het belang van de dienst bestaat in het geval van eiser. Verweerder geeft slechts aan dat eisers verplaatsing noodzakelijk is gelet op zijn gedragingen. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder daaruit slechts concluderen dat het niet verantwoord is om eiser werkzaam te laten zijn als trajectbegeleider, maar daaruit volgt niet waarom eiser bij een ander korps zou moeten werken.

Ter zitting is gebleken dat eiser geruime tijd thuis heeft gezeten en uiteindelijk zelf een andere functie heeft gezocht en aanvaard bij een ander korps, welke onder zijn niveau ligt. Door geen concreet besluit te nemen over de verplaatsing wist eiser niet waar hij aan toe was. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank daardoor langer dan noodzakelijk in onzekerheid verkeerd over zijn toekomst.

Het verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb.

Eerst nadat verweerder een nieuw besluit heeft genomen is vast te stellen of, en in welke mate eiser schade heeft geleden, die voor vergoeding in aanmerking komt. Het verzoek om schadevergoeding is mitsdien prematuur, zodat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling daarvan.

Op grond van al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit geen stand kan houden. De rechtbank zal het beroep van eiser daarom gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 7:12 van de Awb.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van eiser, welke kosten onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair worden begroot op een bedrag van € 644,00 (1 punt voor het beroepschrift plus 1 punt voor het verschijnen ter zitting x factor 1 x € 322,00). Tevens dient verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het door eiser betaalde griffierecht van € 138,00 te vergoeden.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak en met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift te nemen;

- bepaalt dat de regiopolitie Gooi en Vechtstreek het betaalde griffierecht ad € 138,- (zegge: honderd achtendertig euro) aan eiser vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten aan de zijde van eiser, begroot op

€ 644,- (zegge: zeshonderd vierenveertig euro), te betalen door de regiopolitie Gooi en Vechtstreek aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan op 16 februari 2007 door mr. Y.A.A.G. de Vries, voorzitter, en

mrs. R.B. Kleiss en A.C. Loman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Koenders griffier en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier is buiten staat De voorzitter,

deze uitspraak te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: C