Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BA1023

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-03-2007
Datum publicatie
20-03-2007
Zaaknummer
AWB 07/742 BESLU en AWB 06/5744 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft geweigerd aan de Rijksgebouwendienst als aanvrager, een monumentenvergunning te verlenen voor de plaatsing van een lift in een luchtkoker van een beschermd monument. De Rijksgebouwendienst heeft geen beroep ingesteld tegen de weigering. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers, gelet op de met het Rijk gemaakte afspraken omtrent het beheer van de kunstcollectie van het pand en het gebruik van het pand als museum, als belanghebbende zijn aan te merken. Aangezien in artikel 14a Monumentenwet is bepaald dat een ieder zienswijzen kan indienen tegen het ontwerp-besluit ligt het niet voor de hand het belanghebbende-begrip bij beroep restrictief uit te leggen. Verzoekers zijn ontvankelijk in het verzoek.

Verweerder heeft verwezen naar de negatieve adviezen van de welstandscommissie en de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. De adviezen beperken zich tot de vaststelling dat de lift inbreuk zal maken op de monumentale waarden, zonder ten aanzien van iedere afzonderlijke ingreep aan te geven welke waarden in het geding zijn en waarom van een grove inbreuk op die waarde sprake is. Aan de hand van ter zitting getoonde foto’s van de situatie voor en na de werkzaamheden vermag de rechter zonder nadere motivering niet in te zien dat sprake is van een inbreuk op monumentale waarden. Verweerder had nadere motivering van de adviezen moeten vragen. Voorts heeft verweerder niet voldoende inzichtelijk gemaakt waarom een eventuele inbreuk niet toelaatbaar is in het licht van het gebruik van het monument zoals voorgeschreven door artikel 2 van de Monumentenwet. Kortsluiting en vernietiging wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

Voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

in het geding met reg. nrs. AWB 07/742 BESLU en AWB 06/5744 BESLU

tussen:

1. [verzoeker 1], gevestigd te Amsterdam, en

2. [verzoeker 2], wonende te Amsterdam,

verzoekers,

vertegenwoordigd door mr. S.D. Arnold,

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum van de gemeente Amsterdam, verweerder.

1. PROCESVERLOOP

De voorzieningenrechter (hierna: de rechter) heeft op 20 februari 2007 een verzoek om voorlopige voorziening ontvangen. Dit verzoek hangt samen met het beroepschrift van verzoekers van 28 november 2006 gericht tegen een besluit van verweerder van 23 oktober 2006 (hierna: bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten op 9 maart 2007.

2. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

Ingevolge artikel 8:86 Awb is de rechter bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 Awb wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de rechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

De rechter is van oordeel dat de feiten en omstandigheden in de hoofdzaak geen nader onderzoek vergen. Nu partijen in de uitnodiging voor de zitting zijn gewezen op de mogelijkheid dat gebruik kan worden gemaakt van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:86 Awb, bestaat er geen beletsel voor toepassing van dat artikel.

De Rijksgebouwendienst (hierna: RGD) heeft op 28 april 2006 een aanvraag ingediend voor een vergunning als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet ten behoeve van het gedeeltelijk veranderen en slopen van een inpandige lichthof (ten behoeve van het maken van een lift) in het rijksmonument [adres] te Amsterdam.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het verzoek om een monumentenvergunning onder verwijzing naar adviezen van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ) en de Commissie voor Welstand en Monumenten (de welstandscommissie) afgewezen.

Daartoe is overwogen dat niet is gebleken dat de adviezen van de welstandscommissie en de RDMZ op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen dan wel anderszins dusdanige gebreken vertonen dat daarop bij de besluitvorming niet had mogen worden afgegaan. Verder heeft verweerder overwogen dat geen deskundig tegenadvies is overgelegd op grond waarvan aan de juistheid van de adviezen zou moeten worden getwijfeld.

Verzoekers hebben – samengevat – verzocht te bepalen dat de monumentenvergunning voor het plaatsen van de lift en het hek alsnog wordt verleend.

De rechter overweegt als volgt.

a. Ontvankelijkheid.

Standpunt verweerder.

Bij brief van 1 maart 2007 heeft verweerder gesteld dat verzoekers niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard omdat zij als gebruiker en bewoner van het pand niet als belanghebbende kunnen worden aangemerkt. Vaste jurisprudentie van de Afdeling is, aldus verweerder, dat bij een besluit om een bouwvergunning te weigeren slechts het belang van de aanvrager rechtstreeks betrokken is. Een nuancering is gekomen in de uitspraak van de Afdeling van

24 mei 2006, AB 2006, 228 (www.rechtspraak.nl LJN AX4429) als sprake is van derden die een tegengesteld belang hebben aan de aanvrager. Deze derden werden erkend als belanghebbende. De Afdeling voegde daaraan toe dat dit niet wegneemt dat die derden in de regel geen rechtens te beschermen belang hebben bij herroeping van een dergelijk weigeringsbesluit en daartegen niet zelf kunnen opkomen. In de noot bij deze uitspraak in JB 2006, 212 wordt dan ook gesteld dat er daarom slechts sprake kan zijn van belanghebbendheid van omwonenden indien de aanvrager tegen de weigering van de vergunning in het geweer komt.

Standpunt verzoekers.

Ter zitting heeft verzoeker sub 2 aangegeven dat zijn familie al eeuwen in het betrokken pand woont, en dat hij er thans met zijn gezin woont. Het pand is in de jaren vijftig aan de RGD verkocht, waarbij afspraken zijn gemaakt over de instandhouding van de kunstcollectie van de familie. Verzoekster sub 1 is opgericht in 1922 met als doel het bijeenhouden en tot stand houden van de collectie [...] in het bewoonde patriciërshuis aan de [adres]. De beveiliging van de kunst in het pand is opgedragen aan verzoekster sub 1. Jaarlijks bezoeken circa 5000 bezoekers na afspraak het pand, alwaar zij de gelegenheid hebben kunst in een bewoond patriciërshuis te aanschouwen. Verzoeker sub 2 leidt een groot aantal bezoekers zelf rond. De lift is noodzakelijk voor het toekomstige gebruik van het pand, voor het vervoer van kunstwerken, voor het vervoer van mindervaliden en voor de beveiliging.

De RGD heeft de aanvraag om monumentenvergunning ingediend. Bij brief van 9 maart 2007 heeft de RGD te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen plaatsing van de bewuste lift.

Wettelijk kader.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degenen wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 14a, tweede lid, van de Monumentenwet kunnen door een ieder zienswijzen naar voren worden gebracht tegen het ontwerp-besluit op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet.

Overwegingen.

De rechter is van oordeel dat het belang van verzoekers rechtstreeks bij het besluit is betrokken, gelet op de met de Staat gemaakte afspraken omtrent het beheer van de kunstcollectie van het pand door verzoekster sub 1 en omtrent de bewoning en het gebruik van het pand als museum door verzoeker sub 2. Aangezien in artikel 14a, tweede lid, van de Monumentenwet voorts is bepaald dat een ieder zienswijzen kan indienen tegen een ontwerp-besluit ligt het niet voor de hand het belanghebbende-begrip bij beroep restrictief uit te leggen.

Anders dan in de door verweerder aangehaalde uitspraken van de Afdeling gaat het in het onderhavige geval niet om omwonenden of eigenaren van belendende percelen of gebouwen. Voorts hebben verzoekers niet louter een van de eigenaar afgeleid belang, nu beide verzoekers, in het bijzonder verzoekster sub 1, gelet op hun rechten op de kunstcollectie, een eigen belang hebben bij de verlening van de gevraagde vergunning dat de RGD als eigenaar niet heeft.

Verzoekers zijn naar het oordeel van de rechter mitsdien aan te merken als belanghebbende en ontvankelijk in het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening.

b. De procedure.

Standpunt verzoekers.

Verweerder heeft de door de RGD ingediende aanvraag om monumentenvergunning terstond naar de welstandscommissie en de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ) gestuurd, zonder verzoekers op de hoogte te stellen van de aanvraag en zonder verzoekers in de gelegenheid te stellen een zienswijze in te dienen. Omdat ook de RGD verzoekers niet op de hoogte had gesteld van het exacte tijdstip van indiening van de aanvraag kwamen verzoekers pas op de hoogte van de aanvraag toen verweerder een ontwerp-besluit ter inzage legde. Toen waren de adviezen van de welstandscommissie en de RDMZ al uitgebracht.

Wettelijk kader.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Monumentenwet, voor zover hier van belang, adviseert een commissie op het gebied van de monumentenzorg burgemeester en wethouders over de aanvragen om een monumentenvergunning.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Monumentenverordening Amsterdam 2005 zendt het college onmiddellijk een afschrift van de aanvraag om vergunning voor een beschermd rijksmonument aan de Commissie voor Welstand en Monumenten.

Ingevolge artikel 3:11 van de Awb, zoals dit luidt sedert 1 juli 2005, legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit ter inzage.

Overwegingen.

De rechter stelt vast dat sedert 1 juli 2005 niet de aanvraag, doch het ontwerp-besluit op de aanvraag ingevolge artikel 3:11 van de Awb ter inzage dient te worden gelegd. Verweerder was mitsdien niet gehouden eerst de aanvraag ter inzage te leggen ten behoeve van het indienen van zienswijzen en deze zienswijzen aan de welstandscommissie en de RDMZ te doen toekomen alvorens door hen advies werd uitgebracht. De door verweerder gevolgde procedure is niet in strijd met artikel 15, eerste lid, van de Monumentenverordening Amsterdam 2005.

Dit neemt niet weg dat verweerder er wellicht verstandig aan had gedaan verzoekers conform het bepaalde in artikel 4:8 van de Awb in de gelegenheid te stellen een zienswijze op de aanvraag naar voren te brengen. Nu verzoekers naar aanleiding van het ontwerp-besluit alsnog hun zienswijze naar voren hebben gebracht, kan dit gebrek thans niet leiden tot schorsing of vernietiging van het bestreden besluit.

c. De advisering.

Wettelijk kader.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Monumentenwet wordt bij de toepassing van deze wet rekening gehouden met het gebruik van het monument.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Monumentenwet, voor zover hier van belang, adviseert een commissie op het gebied van de monumentenzorg burgemeester en wethouders over de aanvragen om een monumentenvergunning.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Monumentenwet, voor zover hier van belang, zenden burgemeester en wethouders onmiddellijk een afschrift van de aanvraag aan de directeur van de RDMZ. Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voor zover hier van belang, adviseert onze minister schriftelijk over de aanvraag.

Ingevolge artikel 3:49 van de Awb kan ter motivering van een besluit worden volstaan met een verwijzing naar een met het oog daarop uitgebracht advies, indien het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven.

De inhoud van de adviezen.

Ten aanzien van de aanvraag voor deze monumentenvergunning heeft de welstandscommissie op 14 juni 2006 geadviseerd. Het advies bevat de volgende conclusie:

“De commissie is in het algemeen geen voorstander van liften in monumenten, omdat ze in essentie een structuurverstorend element zijn en meestal leiden tot het verlies van monumentale waarden door bijvoorbeeld het ravelen van balklagen. Het huis [...] is hier geen uitzondering op. Het plaatsen van een (transparante) lift/hefplateau in de luchtkoker leidt tot het dichtbouwen van deze koker, hetgeen een aantasting van de structuur is. Om de lift toegankelijk te moeten maken, moeten diverse doorbraken worden gemaakt en (historische) vensters worden vermaakt tot deuren. Bovendien moet er bovenop het platte dak van het trappenhuis een ontsierende liftopbouw geplaatst worden en moet een historische, gedecoreerde toiletpot (opschrift “Rotterdam”) met fontein op de eerste verdieping worden verplaatst. De commissie .... maakt bewaar tegen de lift. ... Om deze toegankelijk te maken moeten diverse doorbraken gemaakt worden, met als gevolg een grove aantasting van de monumentale structuur. ... De commissie beoordeelt de plaatsing van dit privé-liftje dan ook als onacceptabel.”

Het advies van de RDMZ van 27 juni 2006 luidt als volgt:

“Het maken van een lift ter plaatse van de luchtkoker betekent een aantasting van de monumentale structuur. Het gevolg van de lift is dat een aantal monumentale onderdelen verdwijnen, aangepast of verplaatst moeten worden, waardoor borstweringen van vensters, ramen en een beschilderde toiletpot. Daarnaast heeft de lift tot gevolg dat het aanzien van de achtergevel in hoge mate wordt geschaad door een met hout beklede opbouw. Gelet op het bovenstaande bestaan er van uit het oogpunt van monumentenzorg bezwaren tegen de uitvoering van het hierboven beoordeelde plan en adviseer ik u derhalve negatief.

De inhoud van het bestreden besluit.

Verweerder heeft in het bestreden besluit deze oordelen overgenomen met de volgende kanttekeningen:

“De lift voldoet niet aan het uitgangspunt dat is geformuleerd in artikel 7.3 van het Programma van Eisen Kwaliteit Monumenten dat op 21 oktober 2003 is vastgesteld binnen het standsdeel Amsterdam/Centrum. Hierin staat dat liften niet zijn toegestaan, tenzij het een lift in een gebouw met openbare functie betreft en geen monumentale waarden in het geding zijn. .. Er zijn wel degelijk monumentale waarden in het geding. De nieuwe liftopbouw ontsiert de achtergevel van het voorhuis uit 1727 op het niveau van de tweede verdieping. Bovendien leidt de lift tot twee doorbraken in deze gevel en het verlies van de raamopeningen uit circa 1820 op deze plaats. Tot slot leidt de lift tot twee doorbraken in wanden uit circa 1868. De waardevolle toiletpot die in het advies van de commissie wordt genoemd is vermoedelijk inderdaad sinds 1993 in het pand aanwezig en kan daardoor niet worden beschouwd als een onderdeel van het monument.

Zoals de commissie in haar advies van 14 juni 2006 schreef is door “de beperkte grootte de lift voor transport van kunst of museumbezoekers of mindervaliden niet goed bruikbaar”. De beperkte afmetingen van de lift (circa 0,70 x 1,2 meter) voldoen inderdaad niet aan de eisen van liften voor mindervaliden. Het belang van toename van woongenot en gebruiksgenot weegt echter niet op tegen het belang van behoud van de monumentale waarden.

Standpunt verzoekers.

De commissies hebben geen rekening gehouden met het bijzondere gebruik van het pand, hetgeen op grond van de artikelen 2 en 11 Monumentenwet wet noodzakelijk is. Verweerder heeft niet onderzocht hoe de adviezen zich verhouden tot het mede door de Staat gewenste gebruik van het pand. Dit geldt temeer nu de positie van de Six-stichting en het gebruik van het pand aan de [adres] in Nederland uniek is.

Van een ingrijpende aantasting van de monumentale structuur, in ieder geval aan de buitenzijde van het pand, is geen sprake. Behalve vanaf de bovenste etage en het terras van het naburige pand is de voor de lift benodigde uitbouw op geen enkele wijze zichtbaar. De liftopbouw is niet ontsierend als hij in dezelfde materialen wordt uitgevoerd als de bestaande materialen. Aan de buitenzijde van het pand komt een uitbouw met plat dak afgewerkt met een kroonlijst die doorloopt met de bestaande.

De aanpassingen aan de binnenzijde van het pand zijn minimaal. De lift wordt geplaatst in een bestaande luchtkoker die voert van het souterrain naar de beletage, de 1ste verdieping en eindigt op de tweede verdieping. In de garderobe wordt een raampartij uit 1915 vervangen door een liftingang, die zal worden gecamoufleerd door een antieke kastvoorzijde. Op de beletage wordt de alarmcentralekast, voorheen wc, als doorloop van de liftuitgang naar de gang gebruikt. Op de eerste verdieping wordt de wc met fontein, in 1993 geschonken door de RGD, verplaatst. Visueel blijft het zicht vanaf de gang op de beletage en de eerste verdieping onaangetast. Op de tweede verdieping wordt een raam, vermoedelijk uit 1725, vervangen door de liftingang. De huidige structuur wordt nauwelijks aangetast en alle aanpassingen zijn in principe reversibel.

Overwegingen.

Verweerder heeft ter motivering van zijn besluit verwezen naar het advies van de welstandscommissie en de RDMZ, met dien verstande dat het bezwaar van de welstandscommissie inzake de waardevolle toiletpot met opschrift Rotterdam door verweerder niet is overgenomen omdat deze toiletpot pas in 1993 in het pand is geplaatst.

Uit de Memorie van Toelichting bij de Monumentenwet 1961 blijkt dat in het algemeen geen vergunning zal worden verleend tot afbraak van een monument dat van zodanig algemeen belang is dat het tot beschermd monument is aangewezen. Anders ligt het bij verzoeken wijzigingen te mogen aanbrengen. Hierbij zal steeds moeten worden gezocht naar mogelijkheden het monument, met behoud van zijn karakter, en hetgeen het aan waardevols bevat, zoveel mogelijk overeenkomstig de eisen des tijds aan zijn huidige bestemming te doen beantwoorden.

De rechtbank stelt vast dat de adviezen zich beperken tot de vaststelling dat de plaatsing van de lift inbreuk zal maken op bestaande monumentale waarden, zowel aan de binnenzijde als aan de buitenzijde van het pand. Daarbij hebben noch de welstandscommissie noch de RDMZ niet gemotiveerd welke monumentale waarden de liftkoker bezit en evenmin ten aanzien van ieder afzonderlijke ingreep in de luchtkoker aangegeven welke monumentale waarden in het geding zijn, en waarom van een grove inbreuk op die waarden sprake is. Ook in het door verweerder bij brief van 1 maart 2007 toegezonden brief van het Bureau Monumenten en Archeologie van 9 november 2007 wordt dit niet aangegeven.

Ter zitting heeft verzoeker sub 2 aan de hand van foto’s aangegeven welke ramen worden verwijderd en hoe de situatie voor en na de werkzaamheden eruit zal komen te zien. Aan de hand van die foto’s vermag de rechter zonder nadere motivering niet in te zien dat er aan de binnenzijde van het pand sprake is van inbreuk op monumentale waarden door het plaatsen van een lift in een bestaande luchtkoker.

Gesteld noch gebleken is dat de luchtkoker op zichzelf monumentale waarde bezit. De overweging van de welstandscommissie dat het dichtbouwen van deze koker een “aantasting van de structuur” is, is zonder nadere motivering niet begrijpelijk, nu de structuur van het pand behouden blijft.

Niet gemotiveerd is dat het raam in het souterrain, dat uitkomt in de luchtkoker, monumentale waarde zou hebben. Verzoeker sub 2 heeft hieromtrent gesteld dat het schuifraam door zijn grootvader is gewijzigd in openslaande ramen in verband met de schoonmaakmogelijkheden.

Dat het maken van openingen in de zijwand van de luchtkoker op de beletage en de eerste verdieping zou leiden tot aantasting van monumentale waarden is zonder nadere motivering evenmin begrijpelijk, nu de te maken doorbraken in de wanden van de luchtschacht uitkomen in een instrumentenkast respectievelijk een toilet (waar in 1993 een toilet en fontein afkomstig uit het Muiderslot zijn geplaatst) en deze doorbraken mitsdien vanuit de gang niet zichtbaar zijn.

Voor wat betreft de wijziging van het raam op de tweede verdieping, dat zal verdwijnen achter een dakopbouw, is gesteld dat dit een aantasting is van de achtergevel. Dit is blijkens de bouwtekening en de foto’s inderdaad het geval, doch het betreft hier naar het oordeel van de rechter inderdaad een relatief geringe inbreuk op de bestaande monumentale waarden. De dakopbouw ten behoeve van de lift zal immers een omvang hebben van circa 1,80 m bij 0,90 m en een hoogte tot de daklijst. Bovendien zal die dakopbouw, die tegen de achtergevel van het voorhuis ligt, door het dak van het achterhuis aan het zicht worden onttrokken, zodat de opbouw door zijn ligging tussen voor- en het achterhuis niet zichtbaar is vanaf de voorzijde en nauwelijks zichtbaar is vanaf de achterzijde.

De stelling van verzoekers dat zij niet gehoord zijn omtrent de aanvraag en dat de adviseurs de situatie ter plaatse niet hebben bezocht alvorens advies uit te brengen, is door verweerder, die alhoewel uitgenodigd, niet ter zitting is verschenen, niet betwist. Alhoewel verweerder in beginsel mag afgaan op adviezen van deskundige adviseurs en een terughoudende rechterlijke beoordeling van die adviezen op zijn plaats is, is naar het oordeel van de rechter in dit geval in die adviezen, gelet op de ter zitting aan de hand van de foto’s gegeven toelichting, niet voldoende specifiek gemotiveerd waarom het plaatsen van een lift in de bestaande luchtkoker leidt tot een onevenredige inbreuk op bestaande monumentale waarden. Het had naar het oordeel van de rechter in de rede gelegen als verweerder, mede gelet op de door verzoekers ingediende zienswijze, een nadere motivering van de adviezen had gevraagd.

Daarnaast heeft verweerder naar het oordeel van de rechter niet voldoende inzichtelijk gemaakt waarom die inbreuk niet toelaatbaar is in het licht van het gebruik van het monument, zoals voorgeschreven door artikel 2, eerste lid, van de Monumentenwet en de hiervoor aangehaalde passage uit de Memorie van Toelichting van de Monumentenwet.

De rechter stelt voorts vast dat de lift in zoverre voldoet aan het door verweerder geformuleerde uitgangspunt uit het Programma van Eisen Kwaliteit Monumenten, dat het een lift in een gebouw met openbare functie betreft.

Nu niet deugdelijk is gemotiveerd dat, bij een afweging van de betrokken belangen, mede gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Monumentenwet, aanleiding is de gevraagde vergunning te weigeren, is het beroep gegrond en zal het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Awb. Verweerder zal worden opgedragen een nieuwe beslissing op de aanvraag te nemen binnen zes weken na bekendmaking van de uitspraak.

Nu het beroep gegrond is bestaat er geen aanleiding meer een verzoek om voorlopige voorziening te treffen, zodat dit verzoek zal worden afgewezen.

De rechter ziet aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder in de proceskosten van verzoekers te veroordelen, welke kosten onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair worden begroot op een bedrag van € 644,00 (1 voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting x factor 1 x € 322,00). Tevens dient verweerder het door verzoekers betaalde griffierecht van € 281,00 te vergoeden.

De rechter beslist als volgt.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

3. vernietigt het bestreden besluit;

4. bepaalt dat verweerder binnen zes weken na bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

5. veroordeelt verweerder in de kosten van het geding, aan de zijde van verzoekers begroot op € 644,00 (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door verweerder aan verzoekers;

6. bepaalt dat de gemeente Amsterdam het door verzoekers betaalde griffierecht van € 281,00 (zegge: tweehonderd en eenentachtig euro) aan hen vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 15 maart 2007 door mr. Y.A.A.G. de Vries, rechter,

in tegenwoordigheid van J.J.M. Tol, griffier, en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak kunnen, voor zover deze betreft het oordeel in de hoofdzaak

(AWB 06/5744 BESLU), een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

Doc: B.