Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BA1019

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-01-2007
Datum publicatie
20-03-2007
Zaaknummer
357297
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

onteigening, incident tot tussenkomst derden

art. 3 lid 3 Onteigeningswet (Ow)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Onteigening N-201

vonnis 17 januari 2007

RECHTBANK AMSTERDAM

SECTOR CIVIEL RECHT

VONNIS

in de zaak met rolnummer H 357297 / HA ZA 06-3848 van:

de PROVINCIE NOORD-HOLLAND,

waarvan de zetel is gevestigd te Haarlem,

eiseres bij dagvaarding van 20 november 2006,

verweerster in de incidenten tot tussenkomst,

procureur mr. J.W. van Rijswijk,

tegen:

A,

wonende te,

gedaagde in de hoofdzaak,

procureur mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

en

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SALOMO HANDELSBEDRIJVEN B.V.,

gevestigd te Amstelveen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HILLRO VASTGOED B.V.,

gevestigd te Amstelveen,

eisers in het incident tot tussenkomst,

derde belanghebbenden in de hoofdzaak,

procureur mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

Partijen worden hierna de Provincie, A, Salamo en Hillro genoemd.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken en proceshandelingen:

- de dagvaarding van 20 november 2006;

- akte houdende producties aan de zijde van de Provincie;

- akte tot tussenkomst van A, met producties;

- incidentele conclusie tot tussenkomst van Hillro, met producties;

- incidentele conclusie tot tussenkomst van Salomo, met producties;

- conclusie van antwoord aan de zijde van A;

- conclusie van antwoord aan de zijde van de Provincie in het incident tot tussenkomst van Hillro;

- conclusie van antwoord aan de zijde van de Provincie in het incident tot tussenkomst van Salomo;

- verzoek vonnis wijzen.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

In de hoofdzaak

1. De Provincie vordert een vervroegde uitspraak over de onteigening jegens A.

2. Bij beschikking van deze rechtbank van 14 september 2006 is mr. S.L. Schram benoemd tot derde voor A, als bedoeld in artikel 20 lid 1 Onteigeningswet (Ow), nu deze buiten het Koninkrijk woont. A heeft op de eerst dienende dag een akte tot tussenkomst genomen, met conclusie te worden toegelaten als interveniënt. De rechtbank gaat evenwel ervan uit dat A hiermee geacht wil worden te zijn verschenen, zodat het geding op de voet van artikel 20 lid 2 Ow tegen hem wordt gevoerd. Nu de bemoeienis van mr. Schram als benoemde derde hiermee is beëindigd, zal eiseres worden veroordeeld in diens kosten.

In de incidenten

3. Bij incidentele conclusies hebben Hillro en Salomo onder meer gevorderd te worden toegelaten als tussenkomende partij, in hun hoedanigheid van

respectievelijk eigenaar van de opstallen op het te onteigenen perceel en huurder van die opstallen. Hillro en Salomo voeren aan dat aan hen ten onrechte geen aanbod is gedaan de schade die zij door de onteigening zullen lijden te vergoeden, hetgeen ongenoegzaam is. Ter onderbouwing van hun standpunt hebben Hillro en Salomo een afschrift overgelegd van een huurovereenkomst, waarbij (de rechtsvoorganger van) Salomo van (de rechtsvoorganger van) Hillro bedrijfsruimte huurt op een perceel, plaatselijk bekend Legmeerdijk 284 te Amstelveen. Het gaat hier om het te onteigenen perceel sectie O nummer 4250, aldus Hillro en Salomo. Voor het overige hebben Hillro en Salomo het gevorderde niet weersproken.

4. De Provincie heeft zowel ten aanzien van Hillro als Salomo geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek tot interventie. De provincie stelt hiertoe dat het in dit geval gaat om de onteigening van onbebouwde delen van het perceel kadastraal bekend als sectie O nummer 4250 te Amstelveen. Uit gegevens van het kadaster is ook niet gebleken dat Hillro enig recht kan doen gelden. Volgens de gegevens van het kadaster is het gehele perceel eigendom van A en dit perceel is niet belast met (bijvoorbeeld) een opstalrecht ten gunste van Hillro, aldus de Provincie. De onteigening treft bovendien niet de opstallen ten aanzien waarvan Hillro stelt rechthebbende te zijn.

5. Hillro en Salomo maken aanspraak op een recht zoals bedoeld in artikel 4 lid 1 Ow. Nu de Provincie de rechten en aanspraken van beide betwist, kunnen Hillro en Salomo op de voet van artikel 3 lid 3 Ow niet worden toegelaten als interveniënten. De onteigeningsprocedure is naar haar aard een procedure die gericht is op een spoedige afwikkeling en die geen ruimte biedt voor beslissingen over rechtsverhoudingen. Dit heeft tot gevolg dat indien de hoedanigheid van rechthebbende of belanghebbende wordt betwist, daarop geen beslissing wordt genomen en de procedure met de aangewezenen wordt voortgezet. Hillro en Salomo zullen in een zelfstandige procedure - los van deze onteigeningsprocedure - hun beweerdelijke rechten geldend moeten maken, waarna aanspraak kan worden gemaakt op de (eventueel) door de deskundigen vastgestelde en te consigneren schadevergoeding. In die zin zijn zowel Hillro als Salomo wel aan te merken als derde belanghebbenden in deze procedure.

In de hoofdzaak

6. De Provincie heeft A als schadeloosstelling aangeboden een bedrag van

€ 82.000,--, met als alternatief de tijdelijke huur van een deel van het te onteigenen perceelsgedeelte voor € 1.500,-- per jaar, en schadeloosstelling voor het overige tot het bedrag van € 63.000,--. De Provincie vordert voor zover haar aanbod niet wordt aanvaard door A, dat het aan hem te betalen voorschot zal worden vastgesteld op 100% van het aanbod, zijnde € 82.000,--.

7. A heeft de overeenkomstig artikel 22 Ow aangeboden schadeloosstelling en het alternatief als ongenoegzaam van de hand gewezen. Dit verweer van A komt echter in een later stadium van dit geding aan de orde. Voor het overige heeft hij het gevorderde niet weersproken en verzocht het voorschot overeenkomstig het aanbod van de Provincie vast te stellen op € 82.000,--.

8. De Provincie stelt dat zich op het te onteigenen deel van het perceel, sectie O nummer 4250, geen opstallen bevinden en gaat hier in haar aanbod tot schadevergoeding aan A kennelijk ook vanuit. Er is derhalve geen reden om - in afwachting van duidelijkheid omtrent de rechten van Hillro en Salomo - het thans aan A aangeboden bedrag van € 82.000,-- op de voet van artikel 3 lid 3 Ow te consigneren, nu eventuele schade van Hillro en Salomo hierin kennelijk niet is begrepen. Mocht na opneming van het te onteigenen perceel door de rechter-commissaris en de deskundigen blijken van (mogelijke) schade aan de zijde van Hillro en Salomo, dan zal de daarmee samenhangende extra schadeloosstelling dienen te worden geconsigneerd, ten behoeve van beide derde-belanghebbenden.

9. De rechtbank stelt vast dat de bij de wet voorgeschreven termijnen en

formaliteiten inacht zijn genomen. Nu de Provincie en A het eens zijn

over een te betalen voorschot van 100% van het aangeboden schadebedrag en -naar de rechtbank begrijpt - partijen afstand hebben gedaan van zekerheidsstelling, zal de bepaling daarvan achterwege blijven.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

BESLISSING.

De rechtbank:

in de incidenten

- wijst de vorderingen tot tussenkomst van Hillro en Salomo af;

in de hoofdzaak

- spreekt uit de onteigening ten behoeve van de Provincie Noord-Holland van een gedeelte groot circa 48 centiare, een gedeelte groot 10 are 87 centiare en een gedeelte groot 2 are 21 centiare van het perceel, kadastraal bekend gemeente Amstelveen, sectie O, nummer 4250, zoals nader aangegeven op de bij Koninklijk besluit van

4 juli 2006 behorende grondplankaart, onder de nummers 31, 53 en 73;

- bepaalt voor A het bedrag van het voorschot op de schadeloosstelling op

€ 82.000= (tweeëntachtigduizend euro);

- benoemt tot deskundigen:

1. mr. B, advocaat en procureur te Amsterdam,

2. ir. C, raadgevend ingenieur en makelaar, gevestigd te Bloemendaal, en

3. mr. ing. D, rentmeester te Woudenberg;

- draagt deskundigen op om de schadeloosstelling te begroten van A en de derde-belanghebbenden Hillro en Salomo;

- benoemt het lid van deze rechtbank mr. A.C.A. Wildenburg om, vergezeld van de griffier, als rechter-commissaris bij de opneming door deskundigen tegenwoordig te zijn;

- wijst aan "Het Parool" als nieuwsblad, waarin door de griffier de bij dit vonnis

uitgesproken onteigening alsmede tijd en plaats van de opneming door deskundigen zal worden aangekondigd;

- veroordeelt de Provincie in de kosten van mr. Schram als benoemde derde, tot op heden begroot op € 192,--;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. A.J. Beukenhorst, A.C.A. Wildenburg en

W.A.H. Melissen en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2007.