Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BA0924

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-03-2007
Datum publicatie
16-03-2007
Zaaknummer
363946 / KG ZA 07-351 OdC/MB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser vordert dat de tenuitvoerlegging van de kennisgeving van 4 januari 2007 tot omzetting van de taakstraf in 60 dagen vervangende hechtenis wordt opgeschort, totdat op de door eiser daartegen gerichte bezwaren zal zijn beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 363946 / KG ZA 07-351 OdC/MB

Vonnis in kort geding van 2 maart 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

e i s e r , bij dagvaarding van 26 februari 2007,

procureur mr. J.G. Wattilete,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te ’s-Gravenhage,

g e d a a g d e ,

procureur mr. P.N. van Regteren Altena,

advocaat mr. W.B. Gaasbeek te ‘s-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat genoemd worden.

De procedure

Ter terechtzitting van 2 maart 2007 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. De Staat heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen. In verband met het spoedeisende karakter van de zaak is op 2 maart 2007 uitspraak gedaan per audiëntieblad. Ter zitting is aan partijen meegedeeld dat de nadere motivering - die in het onderstaande is opgenomen - van de beslissing zou volgen op 15 maart 2007.

De feiten

Op 18 november 2004 heeft de politierechter van deze rechtbank [eiser] veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, wegens overtreding van de Opiumwet en diefstal met braak.

Bij brief van 5 november 2006 heeft [medewerker Recla[medewerker Reclassering] van de Reclassering Nederland aan [eiser] onder meer meegedeeld dat hij niet heeft gereageerd op zijn brief van 31 januari 2006 om op 13 februari 2006 contact met hem ([medewerker Reclassering]) op te nemen en dat de taakstraf daarom als mislukt te beschouwen is en is stopgezet.

Volgens een afloopbericht van 8 december 2006 van de Reclassering, opgesteld door [medewerker Reclassering], heeft wel een intakegesprek met [eiser] plaatsgevonden, maar is de werkstraf “niet gestart”. In het afloopbericht staat onder meer:

“Met cliënt werd afgesproken dat hij op woensdag 9 maart 2005 om 09.15 uur zou starten met zijn taakstraf. (...) Cliënt vroeg of hij nog wel per 20 maart 2005 gedurende 10 dagen op vakantie mocht gaan. Na terugkomst zou hij direct gaan beginnen met zijn taakstraf. De Reclassering Nederland heeft die toestemming gegeven. Op woensdag 9 maart verschijnt cliënt niet. Evenals de daarop volgende dagen verschijnt Cliënt niet. Bij brief van 19 april 2005 is aan cliënt een Officiële Waarschuwing gestuurd met het verzoek zich per direct te melden bij het werkstrafproject Verpleeghuis Hogeweij te Weesp. Cliënt reageert niet op deze oproep. (...) Op 9 november 2005 komt per e-mail van het CJIB (Centraal Justitieel Incassobureau, vzr.) het bericht dat de taakstraf van cliënt is verlengd tot 13 november 2006. Per brief van 31 januari 2006 is cliënt op de hoogte gebracht dat hij nogmaals de kans kreeg om te beginnen met zijn taakstraf. In deze brief werd cliënt verzocht telefonisch contact op te nemen op maandag 13 februari 2006 (...) teneinde te komen tot een startdatum voor zijn taakstraf. Cliënt neemt op maandag 13 februari 2006 inderdaad telefonisch contact met mij op. Tijdens dit telefoongesprek werd met cliënt afgesproken dat hij per direct een kopie van zijn loonstrook aan de Reclassering Nederland dient op te sturen. Tevens wordt aan cliënt medegedeeld dat hij per direct en zoals afgesproken zich gaat melden voor de aanvang van zijn werkstraf bij Verpleeghuis Hogerweij te Weesp. Cliënt verschijnt weer niet. Op dinsdag 14 februari 2006 komt de genoemde loonstrook binnen bij de Reclassering Nederland. (...)

Bij brief van 5 november 2006 is aan cliënt bekend gemaakt dat zijn taakstraf (...) is stopgezet. Cliënt is uitgenodigd voor inzage in zijn retourrapportage op dinsdag 21 november 2006 (...). Cliënt is niet verschenen.”

Op 20 december 2006 heeft de officier van justitie ten uitvoerlegging bevolen van de vervangende hechtenis, vanwege het niet (volledig) uitvoeren van de taakstraf. Deze beslissing is bij kennisgeving van 4 januari 2007, verzonden 29 januari 2007, aan [eiser] meegedeeld. In de kennisgeving staat dat van de taakstraf 0 uren zijn verricht.

[eiser] heeft een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij ABC Telemarketingdiensten B.V. (verder ABC), in de functie van Telemarketing Medewerker, gedurende 40 uur per week. Hij heeft recht op 21 vakantiedagen per jaar.

Bij brief van 6 februari 2007 heeft ABC aan het CJIB meegedeeld te hebben vernomen dat [eiser] een straf dient uit te zitten, dat [eiser] in mei 2006 is gepromoveerd naar Senior Telemarketeer, dat hij “een bedrijfskritische functie” heeft, aangezien hij campagneleider is van een project en daarbij ongeveer 15 medewerkers aanstuurt. In de brief staat verder:

“Wij zullen zeer moeilijk een vervanger kunnen vinden voor de heer [eiser], maar bovendien kan de langdurige afwezigheid van de heer [eiser] tot gevolg hebben dat hij zijn baan kwijt raakt. Wij zouden dit laatste zeer betreuren. De heer [eiser] functioneert namelijk uitstekend (...)”

Op 8 februari 2007 heeft [eiser] een bezwaarschrift ingediend tegen de onder 2.4. genoemde kennisgeving en verzocht de taakstraf alsnog te mogen verrichten. In het bezwaarschrift heeft [eiser] erkend dat hij de taakstraf niet heeft verricht en aangevoerd dat hij van mening is dat dit mede te wijten is aan miscommunicatie met de reclassering en de omstandigheid dat hij mogelijk niet alle relevante correspondentie heeft ontvangen. Verder staat in het bezwaarschrift dat [eiser] sinds 27 juni 2005 werk heeft - inmiddels op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd - en dat hij zijn baan waarschijnlijk kwijt raakt als hij alsnog 60 dagen in detentie moet verkeren. Daarnaast is in het bezwaarschrift vermeld dat de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis een diepe inbreuk zal maken op het gezinsleven van [eiser], zijn vriendin en hun

4-jarige dochter.

Bij brief van 15 februari 2007 heeft (de raadsman van) [eiser] aan de officier van justitie verzocht om aan het bezwaarschrift schorsende werking te verlenen.

Op 18 februari 2007 is [eiser] aangehouden bij een verkeerscontrole en is hij gedetineerd, ter uitvoering van de vervangende hechtenis.

Bij brief van 21 februari 2007 aan de officier van justitie heeft de raadsman van [eiser] het verzoek ter zake van de schorsende werking herhaald, omdat [eiser] ontslagen dreigt te worden, en gevraagd te bevorderen dat het bezwaarschrift zo spoedig mogelijk ter zitting wordt behandeld.

Bij brief van 22 februari 2007 heeft de officier van justitie aan de raadsman van [eiser] meegedeeld dat de executie van de vervangende hechtenis niet zal worden opgeschort, omdat [eiser] zich nimmer heeft gemeld op de afgesproken werkplek en omdat hij kon weten dat wanneer hij zijn werkstraf niet zou verrichten, de vervangende hechtenis ten uitvoer zou worden gelegd, “wetende dat dit tot mogelijke repercussies van zijn werkgever zou kunnen leiden.”

Bij brief van 23 februari 2007 heeft ABC aan [eiser] meegedeeld dat hij ontslagen wordt als hij zich niet uiterlijk op maandag 5 maart 2007 bij ABC meldt. Bij brief van 1 maart 2007 heeft ABC aan de raadsman van [eiser] meegedeeld niet bereid te zijn dit standpunt te herzien.

Het geschil

[eiser] vordert dat de tenuitvoerlegging van de kennisgeving van 4 januari 2007 tot omzetting van de taakstraf in 60 dagen vervangende hechtenis wordt opgeschort, totdat op de door [eiser] daartegen gerichte bezwaren zal zijn beslist.

Ter toelichting op zijn vordering heeft [eiser], samengevat, het volgende gesteld. Anders dan de Reclassering in de van haar afkomstige berichten heeft gesteld, en ook anders dan in het bezwaarschrift is vermeld, heeft [eiser] zich wel degelijk op 9 maart 2005 bij het Verpleeghuis gemeld en daar zijn taakstraf gedurende een week verricht, totdat hij met toestemming van de Reclassering met vakantie is gegaan. Dit is volgens [eiser] ook te bewijzen, bijvoorbeeld door getuigenis van de in het Verpleeghuis destijds werkende kok. Na de vakantie heeft hij de taakstraf niet hervat, omdat hij toen betaald (schoonmaak-)werk had gevonden en voor zijn vriendin en kind moest zorgen. De brief van 19 april 2005 heeft [eiser] niet ontvangen. Anders dan in het aanvankelijke bericht van de Reclassering stond, heeft hij op 13 februari 2006 wel contact opgenomen met [medewerker Reclassering]. Deze heeft dat in het afloopbericht ook erkend. Tijdens het gesprek met [medewerker Reclassering] was echter niet afgesproken dat [eiser] de volgende dag weer zou beginnen met de taakstraf, maar dat hij een loonstrook en zijn werkrooster zou opsturen aan [medewerker Reclassering], waarna deze zou bekijken of de taakstraf te combineren zou zijn met de baan van [eiser]. [eiser] heeft de gevraagde bescheiden nog dezelfde dag opgestuurd en nadien niets meer van de Reclassering gehoord. [eiser] heeft niet meer op de brief van 5 november 2006 gereageerd, omdat hij dacht dat het weinig zin had zijn dossier in te zien, nu de taakstraf toch al was stopgezet. De reden dat de taakstraf niet (geheel) is uitgevoerd, ligt dus mede aan slechte communicatie met de Reclassering. [eiser] zou dan ook onevenredig zwaar worden getroffen als de detentie voortduurt en hij daardoor zijn baan kwijt raakt. Zijn bezwaarschrift wordt op 20 maart aanstaande door de politierecher afgehandeld. In afwachting daarvan dient hij in elk geval in vrijheid te worden gesteld.

De Staat voer verweer, op welk verweer hierna, voor zover van belang, zal worden ingegaan.

De beoordeling

Niet in geschil is dat het indienen van een bezwaarschrift op zichzelf geen schorsende werking heeft ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis. De bevoegdheid om de tenuitvoerlegging al dan niet op te schorten, in afwachting van de uitkomst van de behandeling van het bezwaarschrift, ligt bij de officier van justitie, die daarbij beleidsvrijheid heeft. Dit betekent dat de voorzieningenrechter zich terughoudend dient op te stellen bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een dergelijke beslissing, zoals de Staat terecht heeft aangevoerd. Een vordering zoals door [eiser] ingesteld kan in kort geding dan ook alleen worden toegewezen indien, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, moet worden geoordeeld dat de officier van justitie in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten te weigeren de vervangende hechtenis op te schorten, totdat op het bezwaarschrift zal zijn beslist.

Vast staat dat de rapportage van de Reclassering in het geval van [eiser] enkele tegenstrijdigheden bevat. Zo is niet duidelijk of [eiser] op 9 maart 2005 moest beginnen met de taakstraf, dan wel na zijn vakantie die op 20 maart 2005 zou aanvangen en waarvoor de reclassering toestemming had verleend. De berichtgeving van de Reclassering (weergegeven onder 2.3.) is daarin niet eenduidig. Verder staat in de brief van 5 november 2006 van de Reclassering dat [eiser] niet had gereageerd op het verzoek van de Reclasseringsmedewerker om op 13 februari 2006 telefonisch contact op te nemen, terwijl in het afloopbericht van diezelfde Reclassering is vermeld dat hij dat wel degelijk heeft gedaan en ook wat er tijdens dat gesprek zou zijn afgesproken. Over de inhoud van die afspraken lopen de lezingen van partijen uiteen. Vast staat wel dat [eiser] een loonstrook heeft opgestuurd en dat de Reclassering die heeft ontvangen. Dit maakt het verhaal van [eiser], dat bekeken zou worden of de taakstraf met zijn werk gecombineerd zou kunnen worden niet onnaannemelijk, zeker niet als het klopt dat hij, op verzoek van de Reclassering, ook zijn werkrooster heeft opgestuurd.

Verder heeft [eiser] ter terechtzitting aangevoerd dat hij, niettegenstaande de andersluidende berichten van de Reclassering, wel degelijk is begonnen met de uitvoering van zijn taakstraf.

De zitting bij de politierechter zal plaatsvinden op 20 maart 2007. Tijdens die zitting zal [eiser] de gelegenheid hebben om zijn stellingen met bewijzen te staven. Met name naar zijn stelling dat hij al een gedeelte van de taakstraf heeft uitgevoerd, is verder onderzoek nodig, dat het kader van dit kort geding te buiten gaat. Mocht [eiser] in zijn bewijsvoering slagen, dan bestaat - anders dan de Staat heeft betoogd - een gerede kans dat de politierechter zijn bezwaren gegrond zal verklaren en hem alsnog in staat zal stellen tot het verrichten van het restant van zijn taakstraf. In het licht van het vorenstaande heeft de officier van justitie, gezien de grote belangen die voor [eiser] op het spel staan - het behoud van zijn baan - en gelet op alle specifieke omstandigheden in deze zaak, zoals de onnauwkeurigheden van de Reclassering, de beslissing om de schorsing te weigeren in dit geval in redelijkheid niet kunnen nemen, althans daarin niet kunnen volharden na kennisneming van in het bijzonder het nieuw gestelde feit dat [eiser] een gedeelte van de taakstraf heeft verricht. De gevraagde voorziening zal dan ook worden toegewezen.

Nu [eiser] eerst ter terechtzitting in kort geding alle feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die ten grondslag liggen aan zijn bezwaarschrift en het schorsingsverzoek, valt het de Staat niet aan te rekenen dat de vervangende hechtenis niet al voor de zitting is geschorst. Hoewel hij de in het gelijk gestelde partij is, zullen de proceskosten van [eiser] daarom voor zijn eigen rekening blijven.

De beslissing

De voorzieningenrechter

Schorst de ten uitvoerlegging van de beslissing van de Officier van Justitie van 4 januari 2007 tot omzetting van de taakstraf in 60 dagen vervangende hechtenis, totdat de politierechter op de door [eiser] daartegen gerichte bezwaren zal hebben beslist.

Laat de proceskosten van [eiser] voor zijn eigen rekening.

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. de Orobio de Castro, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Balk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2007.?