Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BA0543

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-01-2007
Datum publicatie
13-03-2007
Zaaknummer
340153
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

onrechtmatige perspublicatie?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 204
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 340153 / HA ZA 06-1096

(AV)

Vonnis van 31 januari 2007

in de zaak van

A,

wonende te,

eiser,

procureur mr. J. van der Steenhoven,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WPG UITGEVERS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

procureur mr. G. Brunt,

2. B,

wonende te,

procureur mr. G. Brunt,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AUDAX PUBLISHING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

procureur mr. M.A. de Kemp,

allen gedaagden.

Partijen zullen hierna A, WPG, B en Audax genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 14 maart 2006, met bewijsstukken;

- de conclusie van antwoord van WPG en B, met bewijsstukken;

- de conclusie van antwoord van Audax, met bewijsstukken;

- het ambtshalve gewezen tussenvonnis van 12 juli 2006, waarbij een comparitie van partijen is gelast die op 30 oktober 2006 heeft plaatsgevonden en het daarvan opgemaakte proces-verbaal met de daarin vermelde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. B is als hoofdredacteur werkzaam voor het weekblad Vrij Nederland, welk blad wordt uitgegeven door WPG. Tussen 1974 en 1981 was B als producent en regisseur van tv-documentaires woonachtig en werkzaam in New York. B heeft in dat kader onderzoek verricht naar het project van C die een opvanghuis voor ontheemde kinderen in Harlem, New York, had opgezet onder de naam Store Front.

2.2. In het weekblad Vrij Nederland van 23 april 2005 is onder de kop “Primeur” op pagina 3 een column gepubliceerd, welke is geschreven door B, met de volgende tekst:

“Voorjaar 1975. Lokatie: restaurant van het Metropolitan Museum. Een diplomaat smeekt me het buiten de pers te houden: de aanstaande echtgenoot van D woont samen met een man.

Hij kon zijn bazen geruststellen: ik zou zwijgen -de seksuele oriëntatie van het nieuwe lid van het koningshuis was een zaak tussen hem en D en ging verder niemand iets aan, vond ik.

Ik woonde en werkte in die tijd in New York. Daar had ik C ontmoet, ex-missionaris, dichter en weldoener. C bestierde een crèche in Harlem. In het trappenhuis van een aftands appartementengebouw hield hij een tiental zwarte peuters zoet. Hij rende af en aan met pakken melk en sandwiches. De boekhouding werd gedaan door zijn verloofde, een mooie Cubaan met bruine ogen. A heette hij. A was loketbediende geweest bij een bank. Daar had C hem versierd. Kort daarop was A werkloos geraakt. C bood hem onderdak in zijn flat aan de Upper Westside en bedacht het boekhoudersbaantje. Daarmee verdiende A vierhonderd dollar per maand. Een tijdje later adopteerden de twee mannen een zwart jochie, E.

Als culturele scholing nam C, die lid was van de New York Metropolitan Opera Club, zijn jeugdige minnaar vaak mee naar de opera. Op een avond stelde hij A voor aan een ander lid van de Opera Club: D. Zij hing vanaf dat moment ook rond op het flatje aan de Upper Westside. Niet lang daarna verliet A zijn vriend en hun beider adoptiekind om te trouwen met de Nederlandse prinses. C was verbitterd, E’s opvoeding gaf hij uit handen aan een familielid.

De verzwegen primeur is nu alsnog actueel: F’s voormalige zwager A blijkt in 1992 het schilderij verkocht te hebben dat het Nederlandse volk straks aan de jubilerende F schenkt.

Vrij Nederland-redacteuren G en H onderzochten de fascinerende omzwervingen van het stilleven (pagina 10). Vorige week maakten de paparazzi van SBS in Frankrijk opnamen van A en zijn huidige man. D heeft al jaren voor hem afgedaan. Zij bezoekt weer concerten in haar woonplaats New York. C leeft en dicht nog. E heeft nooit meer wat gehoord van A. Hoe een armoedzaaier een rijke prinses aan de haak sloeg en met haar geld een groot kunstverzamelaar werd. Geen wereldnieuws, maar aardige petite histoire voor de geschiedschrijving van het Huis van Oranje.”

2.3. Op pagina 10 en 11 van dezelfde editie van Vrij Nederland staat een artikel met als kop: “Nationaal geschenk” en: “De sinaasappels blijven in de familie”. In dat artikel wordt ingegaan op de omzwervingen die het schilderij Vivat Oraenge heeft gemaakt, waarbij onder andere aan de orde komt dat dit schilderij eigendom is geweest van A. In het artikel staat onder meer:

“Opmerkelijk is dat Vivat Oraenge al in 1983 in Nederlandse handen was. A, de toenmalige echtgenoot van D, kocht het schilderij voor hun villa in Wassenaar voor een bedrag dat door experts nu wordt geschat op een tiende van de huidige prijs. A deed het doek in 1992 weer van de hand voor vierhonderdduizend pond.”

[...]

“Het huwelijk strandde in april 1996. De bezittingen van het tweetal, [...] werden eind 1996 bij Sotheby’s in Amsterdam geveild.”

[...]

“Waarom I destijds het doek niet verwierf voor zijn ‘Nationale Schatkamer’, zoals het Rijksmuseum zichzelf noemt? ‘Het was zo’n pijnlijke affaire,’ aldus I. ‘A begon dingen te verkopen die D vanwege haar oogafwijking niet meer kon zien. Al wás het Rijksmuseum benaderd, ik was er niet op ingegaan.”

2.4. In de Volkskrant van 1 oktober 2005 herhaalt B in een interview met J zijn beweringen over A. Het artikel luidt, voor zover relevant:

“U hebt enkele maanden geleden in uw column in VN onthuld dat u in 1975 als tv-journalist op verzoek van een Nederlandse diplomaat het nieuws hebt laten lopen dat A, de nieuwe echtgenoot van D, de herenliefde was toegedaan. Waarom?

‘Ik vond dat nogal persoonlijk. Wat doet iemands sexuele voorkeur ertoe? Ook zonder dat verzoek van die diplomaat had ik er niets aan gedaan.’

Maar het is toch nieuws dat toen de Zilvervloot zich aandiende, A zijn vriend en hun adoptief kind in de steek liet voor een langjarig verblijf op landgoed De Eikenhorst te Wassenaar.

‘Ik vond het niet relevant en heb het gelaten voor wat het was.’”

2.5. In de Volkskrant van 3 november 2005 wordt aan voornoemd interview gerefereerd met het volgende bericht:

“Enkele maanden geleden onthulde hij zelf al in 1975 op verzoek van een Nederlandse diplomaat het nieuws te hebben laten lopen dat A, de toen verse echtgenoot van D, de herenliefde was toegedaan. ‘Ik vond het niet relevant’, zo verklaarde B onlangs nog in deze krant.”

2.6. Audax geeft onder meer het weekblad Weekend uit. In Weekend van november 2005 (week 47) is op pagina 30 een artikel verschenen waarin de column van B vrijwel letterlijk is overgenomen, voorzien van een foto van A met D. Het artikel in Weekend heeft als kop:

“Ex-man D woedend om homo-geruchten

A sleept Boulevard voor de rechter”.

In het artikel is verder onder andere opgenomen:

“Na deze column met nogal vergaande en kennelijk niet bij A gecheckte gegevens herhaalde B zijn bevindingen in een interview met de Volkskrant, dat op 1 oktober werd geplaatst. Ook op internet waren de nodige details te vinden over C en A.”

2.7. In Weekend van omstreeks december 2005 is het volgende opgenomen:

“Mededeling A

In Weekend nummer 47 besteedden wij aandacht aan de heer A en de beweringen van de heer B, hoofdredacteur Vrij Nederland, over hem. A heeft ons laten weten de beweringen uit het artikel onacceptabel en onnodig kwetsend te vinden. Hij heeft ons laten weten nimmer met de heer C een homofiele relatie te hebben gehad en evenmin met deze heer een kind te hebben geadopteerd. Wij betreuren het dat de heer A zich gegriefd voelt door deze publicatie.

Redactie Weekend”.

2.8. C heeft zijn memoires geschreven onder de titel: “The other side of loneliness”. In het hoofdstuk over EE schrijft C op bladzijde 174:

“But I was not alone in guarding EE. There was my partner, who was as determined as I to bring him into our life. The first weekend EE came to stay, we bathed him, and the tub was ringed with dirt. From then on it was quite simple: EE moved in with us.”

En op pagina 175 e.v.:

“It was not easy taking care of EE. It all depended on how well we managed, X and I, the masquerade. We had so much to protect: EE and his life, X’s life with me, our reputation, me a schoolmaster and guardian of one little boy and what was going to be a constant interrogation by everyone about me my life. So the smokescreens, the mirrors. My life was filled with joy, and EE grew with grace into an enchanting creature. During the years in our little apartment, we did concoct a family, no matter what people did indeed think (‘C”, one lady asked, “where do you sleep?”). To offset that sort of reflection, we hung around some girls, went on journeys with them and EE, and shifted people’s attention, if not speculation on, and often the certain knowledge of, our relationship away from public disclosure. And because X and I could not publicly affirm our love for each other, a desperate frustration overpowered us, and in the end X left, married, and EE and I carried on.”

Op zesentwintig jarige leeftijd overlijdt EE. C mijmert over het verleden met EE en A op pagina 177:

“Had X and I and EE been allowed to live together in peace, that domestic tranquillity, unscrutinized by rumours, might have led him away from the adventure into the darkness that killed him. Perhaps in God’s compassion there will be a time when the great articulation of homosexual love will seem as sweetly commonplace as the air we breathe.”

2.9. Op verzoek van B en WPG heeft K, onder andere correspondent van Vrij Nederland in de Verenigde Staten, onderzoek gedaan naar de relatie tussen A en C en daarvan schriftelijk verslag gedaan. Bij dat onderzoek vormde een belangrijke bron de door C aan Georgetown University geschonken persoonlijke archieven. In een verklaring gedateerd op 31 mei 2006 bij haar verslag legt K uit dat zij twee dagen, op 18 en 19 april 2006, de persoonlijke papieren van C heeft doorgenomen in de Special Collections afdeling van de bibliotheek van Georgetown University. In haar verslag heeft K een brief opgenomen van A aan C die op dat moment in Italië verbleef. De brief van zondag 7 mei 1972 luidt, voor zover relevant:

“....But God is good, C, and he must like us I think, for everything always seems to work out well. I spoke with L yesterday morning and she told me that she can have EE for at least part of the month of June. An au pere girl will be with her and this of course makes things much easier. As plans now stand, I will drive EE to the M on the afternoon of May 24, which is the day before I leave for Rome. L will keep him as long as possible, based on the way things go. If EE blends in well, as I am sure that he will, the M may in fact keep him all of June. If things do not work out, she will call sis and sis will take over. One way or the other, EE will be in good hands until your return from Rome at the end of June. After giving much much thought to this matter I really feel that this is the best course of action. A trip abroad for EE at this stage would be too difficult to execute and too risky to carry out. Accordingly, I have cancelled, not without some pain on my part, all arrangements to take EE to Rome. For him, for you and for me, a month in Connecticut with the M will be the best solution. I thank the Lord for making it possible and I hope that you will agree. Do let me know your opinion.”

2.10. Voorts heeft K in haar verslag het volgende opgenomen:

“Box 2, Folder 14

2 losse blaadjes uit een dagboek van C, gedateerd may 22, May 23 - 1978

7 years + three months ago it began - This mystery that now culminates with EE + his sblime energy - his purity of spirit, his wit. I wonder often if A ever, in his new + exhalted state thinks of such things. His EE + his life slide behind the imperial screens of the Hague.”

In een ander deel van haar verslag staat:

“Dan iets verder op in het schrift over A:

1. A

During the early years of EE’s life we shared an apartment with A who is now married to D of the Netherlands, the youngest daughter of former N of The Netherlands (of The Netherlands is doorgehaald). A is a romantic, brought up in a Cuban family in exile of obsessive, monastic principles of order. He is capable of Berliozian bombast, intense courage, and in his solemn martial fashion of intense, radiant friendship. A worked for three years as my assistant in a free nursery school I founded in Harlem in 1966. (I’ve written at length about that school in three books.)…”

en verder op:

“Our friendship was a massive failure, with (doorgehaald) but not an unhappy one. We were (doorgehaald) My radical, con-genital lack of order, of economic prudence, of domestic and poetic integrity - not the proper ordering of a poem or of the kitchen even was properly attended to - lent no aura of (aura of-is doorgehaald) tranquillity to life. EE saved it all. We loved him and he knew it. A now leads a merry life with D and their three children between their apartment in New York and the life of the court of the home of orange in Holland.

A detested poetry + the (+ the= doorgehaald) poetic stance(“stance is doorgehaald, en vervangen met “humbug”) but he did write this poem for EE:

(de rest van de bladzijde is leeg, er is geen gedicht).”

2.11. In een interview met C dat op 16 juni 2002 is gepubliceerd in de New York Times staat onder meer:

“At first, Mr. C shared raising EE with A, a fellow teacher. In 1975, Mr. A married D of the Netherlands, and left.”

3. De vordering

3.1. A vordert -kort gezegd- bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

A. WPG en B te veroordelen tot betaling aan A aan immateriële schadevergoeding een bedrag van EUR 50.000,=, te vermeerderen met de wettelijke rente;

B. Audax te veroordelen tot betaling aan A aan immateriële schadevergoeding een bedrag van EUR 10.000,=, te vermeerderen met de wettelijke rente;

C. De materiële schade die A heeft geleden ten gevolge van de publicaties in Vrij Nederland vast te stellen op 25% van de winst die WPG heeft gemaakt met de uitgave van 23 april 2005 van Vrij Nederland en WPG te veroordelen om het desbetreffende bedrag met een onderliggende berekening en specificatie aan A te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente;

D. De materiële schade die A heeft geleden ten gevolge van de publicaties in Weekend vast te stellen op 25% van de winst die Audax heeft gemaakt met de uitgave van Weekend nummer 47 en Audax te veroordelen om het desbetreffende bedrag met een onderliggende berekening en specificatie aan A te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente;

E. Subsidiair de materiële schade die A heeft geleden en zal lijden ten gevolge van het handelen van gedaagden vast te stellen op EUR 5.000,= (wegens kosten buitengerechtelijke rechtsbijstand en verblijf- en reiskosten) en gedaagden te veroordelen dit bedrag aan A te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente;

F. B te veroordelen om in het eerste nummer van Vrij Nederland dat verschijnt in de week na de week waarin dit vonnis wordt betekend, op de eerste bladzijde op de gebruikelijke plaats waarop de wekelijkse column van B wordt gepubliceerd een rectificatie te plaatsen zoals vermeld in het petitum van de dagvaarding onder punt 6. En voorts WPG en/of B te veroordelen om zich van ieder commentaar op deze rectificatie te onthouden, een en ander op verbeurte van een dwangsom;

G. WPG en/of B te verbieden in de toekomst publicatie van mededelingen soortgelijk aan die in de column van Vrij Nederland van 23 april 2005 over de vermeende homoseksuele geaardheid van A voor tijdens en na zijn huwelijk met D te herhalen onder verbeurte van een dwangsom;

H. Audax te verbieden in de toekomst publicatie van mededelingen soortgelijk aan die in het gewraakte artikel van Weekend van week 47 van november 2005 over de vermeende homoseksualiteit van A voor tijdens en na zijn huwelijk met D te herhalen onder verbeurte van een dwangsom;

I. Gedaagden te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. A grondt zijn vordering op onrechtmatig handelen zijdens gedaagden. Hij voert daartoe aan dat gedaagden door de publicaties een ongerechtvaardigde inbreuk hebben gemaakt op zijn privé-leven, terwijl bovendien de inhoud van de column niet op waarheid berust. A betoogt dat hij toen hij in 1970 naar New York verhuisde, reeds afgestudeerd was aan de universiteit in het vak geschiedenis. A komt uit een intellectuele familie. Zijn moeder was hoogleraar Spaanse literatuur aan de Amerikaanse universiteit in Maryland en zijn vader was psychiater en tevens in zijn vrije tijd een actief kunstverzamelaar. In 1970 werd A in New York junior member van de Metropolitan Opera Club. Hij is dus niet door C geïntroduceerd bij de Opera, zoals B in zijn column vermeldt. A werd geen loketbediende bij een bank in New York, maar junior assistant “Trust and Estates” en bekleedde een vertrouwelijke functie voor privé-personen met een vermogen. A is niet bij de bank ontslagen, zoals B in zijn column vermeldt. A heeft C bij de Opera Club ontmoet. C heeft A geen onderdak aangeboden in zijn flat aan de Upper Westside. A had in New York een appartement aan 170 West End Avenue, alwaar hij toentertijd woonde. A deed ook niet de boekhouding voor de school van C. Hij organiseerde vanuit zijn positie bij de bank fundraising voor de school van C die in financieel opzicht niet floreerde. A was onder de indruk van C, niet omdat hij een seksuele relatie met hem had, maar omdat C zich het lot aantrok van minderbedeelde kinderen in Harlem en een school had geopend waarvoor A zich in zijn vrije tijd graag wilde inzetten. Ten onrechte wordt het jongetje EEE of EE in de column E genoemd. Toen A EE ontmoette was hij 5 jaar oud en sprak niet. A heeft zich het lot van EE aangetrokken en veel met hem in zijn vrije tijd en in de weekends opgetrokken teneinde hem uit zijn milieu te halen en hem te stimuleren om te praten en te communiceren, hetgeen redelijk gelukt is. D woonde in die jaren nog in Canada en was midden jaren ’70 regelmatig een weekend in New York. Zij werd geïntroduceerd door een gemeenschappelijke vriend in de Opera Club en voorgesteld aan A. Zij was zelf geen lid. Vrouwen mochten in die tijd geen lid zijn van de Metropolitan Opera Club. D was zeer onder de indruk van het lot van EE en heeft zich met A over het gezin van EE ontfermd. Ook wijlen N kende EE en er zijn vele foto’s waarop EE voorkomt met leden van de Koninklijke familie. D en A hadden het plan om EE te adopteren, hetgeen niet is doorgegaan omdat de familie van EE hoge financiële eisen ging stellen. Het is dus onjuist dat A van plan is geweest om samen met C EE te adopteren. Na hun huwelijk zijn A en D tot 1984 in New York blijven wonen. Zij hebben zich toen nog steeds bemoeid met de familie van EE en hadden contact met C, welk contact is verwaterd toen A en D zelf drie kinderen kregen. A had dus geen homoseksuele relatie met C. De zogenaamde primeur van dertig jaar geleden is volgens A dan ook aantoonbaar onjuist. Het verzoek van de Nederlandse diplomaat om de zogenaamde primeur geheim te houden wordt door A betwist. Volgens A wordt hij ten onrechte als profiteur van D neergezet in de column.

3.3. De inbreuk op de privacy is, aldus nog steeds A, vergroot door de herhalingen in de media van de beweringen in de column van B. De column is immers onder de aandacht van een zeer groot publiek gebracht waardoor A aanzienlijke schade heeft geleden. B heeft hieraan bijgedragen door in zijn interview met de Volkskrant nogmaals naar de zogenaamde affaire van A in de jaren zeventig te verwijzen. Ook in overige media is aandacht geschonken aan de column in Vrij Nederland. Onder meer het tijdschrift Privé voert de column aan als onderbouwing van een door haar gepubliceerd artikel.

3.4. A betoogt dat B in privé aansprakelijk is, omdat Vrij Nederland ter rechtvaardiging van haar publicatie B als bron opvoert waarop de column is gebaseerd. B heeft echter het verhaal grotendeels verzonnen.

3.5. Ter onderbouwing van de door A gevorderde immateriële schadevergoeding voert hij tevens aan dat hij in het artikel op pagina 10 en 11 in de gewraakte editie van Vrij Nederland van 23 april 2005 over de omzwervingen van het schilderij Vivat Oraenge, ten onrechte wordt neergezet als iemand die misbruik maakte van D en buiten haar om schilderijen verkocht omdat zij deze toch niet meer goed zou kunnen zien. Vrij Nederland is volgens A niet goed geïnformeerd omdat immers A niet alleen het schilderij Vivat Oraenge heeft verkocht, doch indertijd ook heeft uitgezocht en aangekocht. D was in het geheel niet gehecht aan dit schilderij. De veiling waarover in het desbetreffende artikel wordt gesproken is geschied op verzoek van D. A had geen enkele bemoeienis met deze veiling.

3.6. Weekend heeft volgens A onrechtmatig gehandeld door zonder enig nader onderzoek de column van B in haar blad te publiceren voorzien van een tekst en een foto uit het verleden van A met D, kennelijk met de bedoeling om de aandacht van een zo groot mogelijk publiek te trekken. Weekend had behoren te beseffen dat het publiceren van de gewraakte column in Vrij Nederland over de vermeende seksuele achtergronden van A van meer dan 30 jaar geleden een inbreuk zou betekenen op zijn privacy en bovendien nader onderzoek zou rechtvaardigen vanwege het grote tijdsverloop. Voorts heeft Weekend onrechtmatig jegens A gehandeld door zonder zijn toestemming en zonder overleg over de inhoud opnieuw een mededeling over hem te doen in week 49 van haar blad zodat zij wederom een ongerechtvaardigde inbreuk op het privé-leven van A heeft gemaakt, aldus steeds A.

4. Het verweer

4.1. Gedaagden hebben de vordering gemotiveerd betwist. B en WPG betogen dat het nationale geschenk aan F en het daarover geschreven artikel dat is gepubliceerd op pagina 10 en 11 in de editie van Vrij Nederland van 23 april 2005, voor B aanleiding vormde zijn column van die week te wijden aan een persoonlijke ervaring uit zijn periode in New York. De ervaring van destijds was immers door deze omstandigheden weer actueel en aanleiding voor B die op te tekenen in zijn column, als petite histoire. De feiten in de column zijn juist, er was een actuele aanleiding die feiten te presenteren en dat is op speelse toon gebeurd. Vrij Nederland en B betogen dat B in zijn hoofdredactionele column geregeld op een luchtige toon aandacht vraagt voor een of meer artikelen in het blad, meestal aan de hand van een persoonlijke anekdote of ervaring. Ten aanzien van de feiten voeren WPG en B het volgende aan. In 1974/1975 heeft B in New York in het kader van zijn eventuele reportage over de Store Front verschillende gesprekken gevoerd met C. In een van die gesprekken refereerde C aan A, die ook intensief bij de Store Front organisatie betrokken was, als zijn “intimate friend”. C stond bekend als homoseksueel. B is op bezoek geweest in het appartement waar C op dat moment samenleefde met A, 170 West End Avenue. De inrichting van het appartement en het speelgoed dat er lag, bevestigde in ieder geval ook dat er een kind woonde. Over het kind, EE, sprak C als het kind dat hij en A hadden geadopteerd, maar dan niet in juridische zin; zij hebben zich vanaf een zeker moment samen over dit jongetje ontfermd nadat C al eerder besloten had de zorg over EE naar zich toe te trekken. B heeft dus uit eerste hand vernomen, en ook zelf waargenomen, wat de huiselijke omstandigheden waren van C en A. Hij heeft dat voor waar aangenomen. Er was geen enkele reden om aan het verhaal van C te twijfelen. In diezelfde periode hadden D en A een verhouding gekregen. C toonde zich tegenover B verongelijkt; hij had A en D vanwege de liefde voor de opera aan elkaar voorgesteld, nu hadden zij liefde voor elkaar opgevat. C vertelde B dat hij A een administratief baantje bij de Store Front had bezorgd. Volgens C was dat het enige inkomen dat A destijds genoot. Voordien had A bij een bank gewerkt, maar was werkeloos geraakt, aldus C. Begin 1975 is de verloving van A en D aangekondigd en in juni van dat jaar zijn zij in het huwelijk getreden. In het voorjaar van 1975 is B door de heer O, in die tijd de Nederlandse Industriële Commissaris in de Verenigde Staten, uitgenodigd voor een lunch in het Metropolitan Museum te New York. Bij die gelegenheid is B door O -die zei te spreken namens het consulaat- gevraagd geen ruchtbaarheid te geven aan het feit dat A tot voor kort samen had gewoond met C. B heeft C na zijn eerste gesprekken nog tweemaal ontmoet. Eenmaal op het Grand Central Station in New York, enkele dagen voor het huwelijk van D en A. C vertelde B toen dat hij niets meer van A had gehoord en voelde zich samen met EE in de steek gelaten; hij stond er nu alleen voor. Ongeveer een jaar later kwam B C tegen op Fifth Avenue in de bus op weg naar Greenwich Village. B informeerde naar EE. Die verbleef op dat moment bij familie, aldus C. Van A had C niets meer gehoord. Deze feiten worden ook ondersteund door de memoires van C. Het is wel duidelijk dat “X” in zijn memoires slaat op A. Ook het onderzoek dat K heeft verricht naar de relatie tussen A en C vormt een bevestiging voor de door B opgenomen feiten, aldus steeds B en WPG.

4.2. Het overige verweer (waaronder het verweer van Audax) komt, voor zover van belang, hierna aan de orde.

5. De beoordeling

5.1. Niet ter discussie staat dat de persoonlijke levenssfeer en reputatie van A door de publicaties in Vrij Nederland van 23 april 2005 en van Weekend in week 47 van 2005 zijn geschonden. Derhalve dient thans te worden bezien of deze aantasting ook onrechtmatig is. Bij die beoordeling staan in beginsel twee gelijkwaardige belangen tegenover elkaar; het recht van A op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer en het recht van gedaagden op uitingsvrijheid. Welke van deze belangen de doorslag geeft, hangt af van de omstandigheden van het geval. Onderscheid dient te worden gemaakt tussen enerzijds de vordering tegen B en WPG en in dat verband de column van de hand van B en het artikel “De sinaasappels blijven in de familie” en anderzijds de vordering tegen Weekend. Nu Weekend de column van B vrijwel letterlijk heeft overgenomen zal allereerst de vordering jegens B en WPG worden behandeld.

Ten aanzien van de column

5.2. B heeft een column geschreven over A tegen de achtergrond van het aanbieden van een nationaal geschenk aan F, het schilderij Vivat Oraenge, dat in bezit van A en D is geweest. De column vormt een inleiding voor het artikel op pagina 10 en 11, welk artikel op de omslag van Vrij Nederland van 23 april 2005 wordt aangekondigd met “Een pijnlijk geschenk” waaronder een foto van het schilderij is afgedrukt. De column is geschreven op basis van de persoonlijke ervaringen en herinneringen van B die op een enigszins overtrokken en een spottende wijze zijn opgeschreven. De tekst suggereert geen diepgaand historisch onderzoek. In dat licht bezien behoeft niet iedere mededeling uit de column op feitenmateriaal te berusten ofwel bewezen te worden. De inhoud dient op hoofdpunten wel voldoende grondslag te hebben in de feiten. In het onderhavige geval geldt dat de feiten die in de column zijn vermeld in grote lijnen onbetwist juist zijn: B heeft in de jaren zeventig in New York gewoond evenals A, A werkte voor/samen met C aan de Store Front, A heeft gewerkt bij een bank (B heeft, anders dan A stelt, niet geschreven dat hij bij de bank zou zijn ontslagen), A heeft zich samen met C ontfermd over het jongetje EE, D kwam in beeld, A verloofde zich met haar en trouwde haar. De rechtbank acht aldus voldoende aannemelijk geworden dat hetgeen ook overigens in de onderhavige column is opgenomen is ontsproten uit de persoonlijke herinneringen van B, die worden ondersteund door de hiervoor vermelde feiten alsmede door de -na publicatie van de column gepubliceerde- memoires van C en door het onderzoek dat K -eveneens na publicatie van de column- in opdracht van WPG en B in de persoonlijke archieven van C heeft verricht. Dit geldt met name ook voor het feit dat A destijds een homoseksuele relatie had met C.

Aan deze feiten heeft B vervolgens een persoonlijke interpretatie gegeven, hetgeen in het kader van een column in beginsel is toegelaten.

Aan het voorgaande doet niet af dat de column een inbreuk vormt op het privé-leven van A. De column heeft immers nieuwswaarde in het licht van de Nederlandse monarchie en het feit dat A destijds met D zou gaan trouwen. In dat verband kan van de homoseksuele relatie, die A had, niet gezegd worden dat die geen relevantie heeft voor het Nederlandse publiek. Daarom mocht B in het kader van het geschenk aan F over die relatie van A schrijven, ook al betrof zulks het verre verleden. Immers A heeft met betrekking tot de periode van zijn leven waarin hij getrouwd is geweest met D en derhalve in het verlengde daarvan ook met betrekking tot de periode van zijn leven waarin de relatie met D is ontstaan, zich meer aandacht van de media te laten welgevallen dan in zijn huidige levensfase waarin hij een teruggetrokken bestaan leidt.

5.3. A heeft voorts betoogd dat de toon van de column bijzonder kwetsend zou zijn. Volgens A komt hij in de column over als een profiteur, een gigolo, die zich over de rug van D heeft verrijkt en een klein afhankelijk kind aan zijn lot heeft overgelaten. Zoals reeds overwogen wordt hetgeen als feiten in de column is opgenomen in voldoende mate ondersteund door het overgelegde bewijsmateriaal. Hieraan is door B een persoonlijke interpretatie gegeven vanuit het perspectief van de gesprekken die hij destijds met C heeft gevoerd. Aangenomen moet worden dat deze gesprekken de mening van B over A hebben gekleurd. In de column komt dit voldoende duidelijk tot uiting. Hierdoor heeft B de grens van het toelaatbare niet overschreden. De conclusie luidt dan ook dat in dit geval de vrijheid van meningsuiting van B en WPG dient te prevaleren boven de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de reputatie van A.

5.4. Aan het voorgaande doet niet af dat, zoals door A is betoogd en door B is erkend, in de column ten onrechte is geschreven over E in plaats van EE en over A als loketbediende. Deze vergissingen van B vormen geen omstandigheid die de belangenafweging anders kan doen doorslaan. Immers, zoals reeds is overwogen behoeft een column niet geheel op feitenmateriaal te berusten.

5.5. Ten aanzien van het artikel “De sinaasappels blijven in de familie”

Voorzover A zijn vordering jegens B en WPG grondt op het artikel “De sinaasappels blijven in de familie” dient zijn vordering eveneens te stranden. Van onrechtmatige dan wel onjuiste mededelingen in dat artikel is de rechtbank niet gebleken. Vaststaat immers dat A het schilderij Vivat Oraenge samen met D in zijn bezit heeft gehad en dat dit schilderij in 1992 is verkocht. De opmerking dat A dingen begon te verkopen die D vanwege haar oogafwijking niet meer kon zien is in het artikel als een citaat van I opgenomen en is aldus niet door WPG overgenomen en zich eigen gemaakt. Dat I zulks heeft gezegd is door A niet betwist, zodat een dergelijk citaat niet onrechtmatig is jegens A. Ten slotte geldt dat de omstandigheid dat de veiling waar in het artikel over wordt geschreven, al dan niet is geschied op verzoek van D, niets afdoet aan het voorgaande. Dit maakt het artikel niet onnodig grievend. Evenmin blijkt hieruit -zoals door A is betoogd- dat A wordt neergezet als iemand die misbruik maakte van D en buiten haar om schilderijen verkocht omdat zij deze niet meer goed zou kunnen zien. Ook ten aanzien van dit artikel dient dan ook de vrijheid van meningsuiting te prevaleren boven het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en reputatie van A.

5.6. Ten aanzien van Weekend

Nu de column van B niet onrechtmatig is jegens A, is dit evenmin het geval met betrekking tot de publicatie in Weekend van november 2005 (week 47) waarin de column als zodanig vrijwel woordelijk is overgenomen en evenmin met betrekking tot de mededeling omtrent A in Weekend van omstreeks december 2005. Van bijkomende omstandigheden waardoor de publicaties in Weekend wel onrechtmatig zouden zijn jegens A is de rechtbank niet gebleken.

5.7. Hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd kan, als reeds in het voorgaande behandeld dan wel niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

5.8. A zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk enerzijds en van gedaagde sub 3 anderzijds worden begroot op ieder:

- vast recht 1.320,00

- salaris procureur 1.788,00 (2,0 punten × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 3.108,00

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. wijst de vorderingen af,

6.2. veroordeelt A in de proceskosten, aan de zijde van gedaagden sub 1 en 2 gezamenlijk tot op heden begroot op EUR 3.108,00 en aan de zijde van gedaagde sub 3 tot op heden begroot op EUR 3.108,00,

6.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling ten aanzien van gedaagden sub 1 en 2 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Hees en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2007.

?