Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:AZ9873

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-02-2007
Datum publicatie
05-03-2007
Zaaknummer
AWB 07-418 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder na medisch en arbeidskundig onderzoek de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 15% en de WAO-uitkering van verzoeker per 2 oktober 2006 ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 07/418 WAO

tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats] in Marokko,

verzoeker,

vertegenwoordigd door mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn,

en:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

gevestigd te Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door A. Schilder.

1. PROCESVERLOOP

De voorzieningenrechter (hierna ook: de rechter) heeft op 26 januari 2007 een verzoek ontvangen tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het bezwaarschrift van 25 april 2006 gericht tegen het besluit van verweerder van 27 maart 2006 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 14 februari 2007.

2. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

Voor zover de toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure.

Verzoeker was laatstelijk werkzaam als darmbewerker. Op 27 september 1993 is hij uitgevallen met diverse klachten. Bij besluit van 2 september 1996 is met ingang van 27 juni 1994 aan verzoeker een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder na medisch en arbeidskundig onderzoek de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 15% en de WAO-uitkering van verzoeker per 2 oktober 2006 ingetrokken. Tegen dit besluit heeft verzoeker tijdig bezwaar gemaakt.

Bij brief van 18 september 2006 heeft verweerder medegedeeld dat, gelet op de door verzoeker overgelegde medische informatie, de bezwaarverzekeringsarts het noodzakelijk acht dat verzoeker wordt opgeroepen voor een nader, in Nederland, te verrichten medisch onderzoek.

Verzoeker heeft aangevoerd dat hij er belang bij heeft dat het bestreden besluit niet wordt uitgevoerd totdat op zijn bezwaarschrift een onherroepelijke beslissing is genomen, aangezien hij geen vervangend inkomen heeft en derhalve niet in staat is om in de noodzakelijk kosten van het bestaan te voorzien. Verzoeker heeft verder aangevoerd dat het primaire medisch onderzoek niet door een verzekeringsarts is verricht en dat deze arts ten onrechte is afgeweken van het oordeel van de arts van de Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS). Voorts acht de bezwaarverzekeringsarts het bestreden besluit uit medisch oogpunt niet houdbaar. Met betrekking tot de arbeidskundige kant van het bestreden besluit heeft verzoeker aangevoerd dat deze niet inzichtelijk en daarmee niet controleerbaar is.

De rechter overweegt als volgt.

De rechter overweegt dat verweerder ingevolge artikel 3:2 van de Awb bij de voorbereiding van een besluit als het onderhavige, de nodige kennis omtrent de relevante feiten dient te vergaren. In de onderhavige zaak betekent dit, dat een besluit dat een medisch oordeel inzake beperkingen inhoudt, gebaseerd dient te zijn op een volledig en voldoende zorgvuldig uitgevoerd medisch onderzoek.

Gebleken is dat het primaire medisch onderzoek is verricht door G.W.M. Pegt (hierna: Pegt), arts, die zich voor zijn oordeel baseert op de rapportage van de arts van de CNSS. Ter zitting is door verweerder bevestigd dat Pegt geen verzekeringsgeneeskundige is. De mededeling van verweerder dat (staf)verzekeringsarts J. van Oort - overigens ruim na het nemen van het thans bestreden besluit - de rapportage heeft gecontrasigneerd doet hier niets aan af. De rechter is, onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 29 september 2005 (zie www.rechtspraak.nl LJN: AU3603), de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 10 april 2006 (zie www.rechtspraak.nl LJN: AX6286) alsmede een (nog) niet gepubliceerde uitspraak van deze rechtbank van 11 december 2006 (AWB 05/3648 WAO) van oordeel dat verzekeringsgeneeskundig onderzoek in het kader van de WAO uitsluitend plaats dient te vinden door een verzekeringsarts.

Nu medisch onderzoek door een primaire verzekeringsarts achterwege is gebleven is het thans bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en genomen en kan niet worden gezegd dat het op een juiste medische grondslag berust. Ten slotte acht de rechter in dit verband van belang dat Pegt is afgeweken van de door de arts van de CNSS in de FML voor betrokkene vastgelegde beperkingen, zonder dat de gronden voor die afwijking door de arts van de CNSS is onderschreven (vlg. CRvB 5 januari 2007, LJN: AZ6468).

Gelet op het vorenstaande kan de door verzoeker aangevoerde arbeidskundige grief hier vooralsnog onbesproken blijven.

Gelet op het vorenstaande worden door de rechter voldoende aanknopingspunten gevonden om het bestreden besluit te schorsen. Dit betekent dat het besluit van 2 september 1996 herleeft en derhalve de uitbetaling van de WAO-uitkering van verzoeker dient te worden hervat.

Voorts wordt aanleiding gezien om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten en te bepalen dat aan verzoeker het griffierecht wordt vergoed.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- schorst het bestreden besluit tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

- bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het griffierecht ten bedrage van € 38,00 (zegge: achtendertig euro) aan verzoeker vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker ten bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan op 28 februari 2007 door mr. A.C. Loman, voorzieningenrechter,

in tegenwoordigheid van mr. V.M. Behrens, griffier,

en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

DOC: B