Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:AZ8797

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-02-2007
Datum publicatie
19-02-2007
Zaaknummer
13.497.631-2006
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het vragen om nadere informatie aan Frankrijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.631-2006

RK nummer: 07/69

Datum uitspraak: 6 februari 2007

INTERLOCUTOIRE UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 1 december 2006 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op

20 juni 2005 door de justitiële autoriteit Mme Christine Campan, vice-procureur bij Parquet du Tribunal de grande Instance in Poitiers, Frankrijk. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

verblijvende aan de [adres],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 23 januari 2007. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. R. Malewicz, advocaat te Amsterdam gehoord.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB liggen een arrestatiebevel van 20 mei 2003 en een verstekvonnis van 14 juni 2005 van de onderzoeksrechter Lemoine ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Frankrijk strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, alsmede bij fax van

4 december 2006 en 14 december 2006 waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

4.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van het recht van de uitvaardigende lidstaat - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen - heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen.

De feiten vallen onder nummer 5 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Op deze feiten is bovendien naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Garantie als bedoeld in artikel 12 OLW

Overlevering voor executie van een verstekvonnis moet worden geweigerd indien de betrokkene niet in persoon is gedagvaard of anderszins in persoon in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de zitting, tenzij de uitvaardigende autoriteit garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering in de gelegenheid zal worden gesteld een nieuw proces te verzoeken en aanwezig te zijn op de terechtzitting.

In het EAB wordt onder d de volgende garantie gegeven:

Verzet mogelijk: indien de veroordeelde het vonnis in zijn afwezigheid uitgesproken niet aanvaard, kan hij verzet tegen het eerste vonnis aantekenen en opnieuw te recht staan.

De rechtbank acht in beginsel bovengenoemde garantie toereikend.

6. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan de feiten, is niet gebleken.

7. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid onder a en b, OLW

De raadsman stelt dat er geen sprake is van goede rechtsbedeling, zo is de opgeëiste persoon niet nodig voor nader onderzoek dan wel een gezamenlijk proces, hetgeen al is geschied.

Daartegenover staan de belangen van de opgeëiste persoon, die in Nederland woonachtig is met een partner, een huis en werk heeft.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat een deel van de strafbare feiten op Nederlands grondgebied is gepleegd. Daarom vordert het openbaar ministerie om af te zien van de weigeringsgrond als verwoord in artikel 13 OLW.

Vooropgesteld wordt, dat de Hoge Raad in zijn uitspraken van 28 november 2006 onomwonden heeft gesteld dat persoonlijke belangen geen omstandigheden zijn waarmee rekening moet worden gehouden bij de beantwoording van de vraag of in het kader van goede rechtsbedeling vervolging en berechting in Nederland de voorkeur verdient boven een ander land.

Hieraan voegt de officier van justitie toe dat in dit geval zinvolle alternatieven ontbreken in het kader van de goede rechtsbedeling.

Overdracht van strafvervolging is juridisch mogelijk, doch ligt volgens de officier van justitie niet in de rede, nu de Fransen reeds een afgerond dossier bij de rechtbank hebben aangebracht en de rechter reeds een veroordeling heeft uitgesproken.

Overdracht van executie acht de officier van justitie niet mogelijk, nu de verdragsbasis hiervoor ontbreekt.

Een andere optie die de officier van justitie aandraagt, is dat Nederland zelfstandig vervolging instelt wegens deze feiten. Hiertoe zou echter middels een rechtshulpverzoek de bewijsmiddelen aan Frankrijk moeten worden gevraagd. Gelet op het Franse veroordelende vonnis, is inwilliging van dit rechtshulpverzoek slechts een theoretische mogelijkheid. Zonder de in Frankrijk aanwezige bewijsmiddelen, is een vervolging in Nederland niet mogelijk.

Alles afwegend, is de rechtbank van oordeel dat, gezien de door de officier van justitie aangevoerde gronden, zij in redelijkheid tot deze vordering heeft kunnen komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13 OLW bedoelde weigeringsgrond.

8. Verweren

De raadsman heeft aangevoerd dat de rol van de opgeëiste persoon niet duidelijk is, nu uit de Franse stukken kan worden opgemaakt dat hij een soort van tussenpersoon was, die zuiver en alleen in Nederland opereerde (zijn rol beperkt zich tot het leveren in Nederland van verdovende middelen aan Frankrijk).

De rechtbank is van oordeel dat uit het EAB en uit de aanvullende faxberichten van 4 en 14 december 2006 voldoende gegevens bevatten waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is dat het verzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten.

Uit de omschrijvingen zoals neergelegd in het EAB en voornoemde faxberichten kan de rechtbank afleiden dat:

“in 2001 a heroïn importation and dealing network from Rotterdam was uncovered following the arrest of a driver who was transporting more than two kilos of brown heroïn in his car. He and the other dealers stated that their supplier, of numerous months, was named [betrokkene] and lived in Rotterdam.

The French drug dealers, residents of Poitiers, denounced [opgeëiste persoon] as having supplied them with heroïn during 2001 and 2002. It is on this period only that [opgeëiste persoon] has been prosecuted and sentenced for being accomplice in the crimes of import, transport and possession of heroïne. The heroïn supplied bij [opgeëiste persoon] to the Poitiers drug dealers has, in effect, be resold to many drug addicts of Poitiers and the Vienne departement.

The essential part of the dealing was done in Poitiers.

The two main dealers (J.F. Rousseau and J. Dassonneville) have admitted to buying a minimum quantity of 10 kg of heroïne from [opgeëiste persoon].”

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het EAB dan ook aan het gestelde in artikel 2, tweede lid, sub d, OLW.

De raadsman heeft ten aanzien van de terugkeergarantie op het navolgende gewezen.

De opgeëiste persoon lijkt bij verstek te zijn veroordeeld in Frankrijk tot drie jaar. Indien hij via de normale WOTS teruggaat, dan zal dat geruime tijd in beslag nemen, waardoor de terugkeergarantie een wassen neus blijkt. In het geval dat de opgeëiste persoon om een nieuw proces vraagt, zal dit een geruime tijd duren en ook dan zal een WOTS nog lang op zich laten wachten.

De raadsman stelt dat daarom een periode moet worden verbonden aan de garanties, bijvoorbeeld binnen 60 dagen onherroepelijk worden van het vonnis weer retour, eventueel te verlengen met 30 dagen bij bijzondere omstandigheden.

9. Beraadslaging

De rechtbank heeft naar aanleiding van de behandeling beraadslaagd.

Tijdens de behandeling is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest.

De rechtbank overweegt daarbij het volgende.

De rechtbank is ambtshalve bekend met het dossier voorzien van parketnummer

13.497.628-2006 (RK 06/4648).

In dit dossier bevindt zich een brief van Le Magistrat de Liaison Français aux Pays-Bas

d.d. 11 december 2006, waarin onder meer is gesteld:

“De opgeëiste persoon kan in het verstek vonnis toestemmen en de straf wordt definitief na

10 dagen als hij geen rechtsmiddel in werking brengt. Daarna kan de opgeëiste persoon naar Nederland uitgeleverd worden op korte termijn. Frankrijk heeft toegezegd dat binnen 4 maanden te doen.”

Nu de rechtbank ambtshalve bekend is met dit gegeven verzoekt zij aan de uitvaardigende staat om een vergelijkbare WOTS-garantie in deze zaak te verlenen.

10. Beslissing

De rechtbank heropent het onderzoek en schorst dit vervolgens tot 2 maart 2007 omstreeks 15.00 uur teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen bovengenoemde vraag aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen.

De rechtbank beveelt de gevangenhouding van de opgeëiste persoon, zoals afzonderlijk is geminuteerd.

De rechtbank schorst de gevangenhouding van de opgeëiste persoon onder voorwaarden, zoals afzonderlijk is geminuteerd.

De rechtbank beveelt de oproeping van de opgeëiste persoon tegen bovengenoemde zittingsdatum met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman.

Aldus gedaan door

mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzit-ter,

mrs. M. van Mourik en B.M. Vroom-Cramer, rech-ters,

in tegenwoordigheid van mr. A.C. Hofstra, grif-fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 6 februari 2007.