Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:AZ8586

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-02-2007
Datum publicatie
01-03-2007
Zaaknummer
AWB 06/1115
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. Overleggen van parkeerkaartje ten kantore van verweerder is aan te merken als het indienen van een beroepschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-0441
NTFR 2007/443
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/1115

Uitspraakdatum: 12 februari 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft op 22 augustus 2005 aan eiser een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 47 bestaande uit € 2 aan belasting en € 45 aan kosten ter zake van het opleggen van die aanslag.

Met een brief van 11 september 2005, die op 14 september 2005 door verweerder is ontvangen, heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag.

Bij uitspraak van 26 oktober 2005 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Vervolgens heeft eiser op 7 december 2005 zijn parkeerkaartje van 22 augustus 2005 afgegeven bij Dienst Stadstoezicht Amsterdam.

Verweerder heeft het afgeven van het parkeerkaartje aangemerkt als het indienen van een tweede bezwaarschrift gericht tegen de naheffingsaanslag en dit bezwaarschrift met een brief van 14 december 2005 niet-ontvankelijk verklaard. Naar aanleiding van het parkeerkaartje heeft verweerder niettemin besloten om de naheffingsaanslag ambtshalve te verminderen tot nihil.

Tegen de brief van 14 december 2005 heeft eiser een op 2 januari 2006 gedagtekend beroepschrift ingediend dat de rechtbank op 5 januari 2006 heeft ontvangen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2007 te Amsterdam. Eiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van afwezigheid niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door A en B.

2. Feiten

2.1. Op 22 augustus 2005 omstreeks 12.43 uur constateerde een parkeercontroleur van de gemeente Amsterdam dat eisers auto, merk Volkswagen met kenteken AA-BB-00, aan de Helmholtzstraat te Amsterdam geparkeerd stond. Bij controle heeft de parkeercontroleur geen geldig parkeerbewijs in de auto aangetroffen waarna een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting aan eiser is opgelegd.

2.2. Eiser heeft op 7 december 2005 ten kantore van Dienst Stadstoezicht Amsterdam een parkeerkaartje overgelegd met datum 22 augustus 2005, een begintijd van 12.41 uur en een eindtijd van 12.56 uur.

2.3. Verweerder heeft, na het parkeerkaartje te hebben gezien, besloten om de naheffingsaanslag te verminderen tot nihil en het reeds betaalde bedrag van € 47 aan eiser terug te betalen.

3. Geschil

3.1. In geschil is of het beroep van eiser ontvankelijk is. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, is voorts in geschil of eiser recht heeft op vergoeding van de door hem opgevoerde kosten.

3.2. Eiser heeft – samengevat en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat hij het verschil tussen de betalingsherinnering en de naheffingsaanslag ad € 5 terug wil, dat hij rente over het bedrag van € 47 vergoed wil hebben en dat hij de postzegel voor het bezwaarschrift alsmede administratiekosten ad € 7,50 vergoed wil hebben. Voorts wil eiser een excuusbrief van verweerder en eist hij dat verweerder de tijden tussen de parkeerautomaten en de naheffingsmachines synchroniseert en een verbeterde procedure voor onduidelijke situaties opstelt. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep.

3.3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep, voor zover het gericht is tegen de uitspraak op bezwaar van 26 oktober 2005, niet-ontvankelijk verklaard dient te worden vanwege overschrijding van de beroepstermijn. Voor zover het beroep gericht is tegen de ambtshalve beslissing van 14 december 2005 stelt verweerder dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat tegen een ambtshalve beslissing geen beroep open staat. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in verbinding met artikel 6:8 van de Awb is bepaald dat de termijn voor het instellen van beroep aanvangt met ingang van de dag na die van dagtekening van een uitspraak op bezwaar tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking. Artikel 6:7 van de Awb bepaalt dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt.

4.2. In artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een beroepschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

4.3. In het onderhavige geval heeft eiser op 2 januari 2006 een beroepschrift ingediend tegen verweerders beslissing van 14 december 2005. Deze beslissing bevat zowel een uitspraak op bezwaar (niet-ontvankelijk) als een ambtshalve vermindering. De rechtbank overweegt dat een ambtshalve vermindering geen voor bezwaar of beroep vatbare beslissing is zodat het beroep van eiser, voor zover het gericht is tegen de ambtshalve vermindering, niet-ontvankelijk verklaard dient te worden (Hoge Raad 21 april 2006, gepubliceerd in BNB 2006/302). Voor zover eiser met het inleveren van zijn parkeerkaartje voor de tweede maal bezwaar heeft willen maken tegen de naheffingsaanslag overweegt de rechtbank dat tegen een aanslag slechts éénmaal bezwaar gemaakt kan worden. Een tweede bezwaarschrift dient in dat geval niet-ontvankelijk te worden verklaard, tenzij het parkeerkaartje aangemerkt moet worden als een beroepschrift, in welk geval verweerder het parkeerkaartje had dienen door te sturen aan de rechtbank.

4.4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser zijn parkeerkaartje ingeleverd bij verweerder als reactie op de uitspraak op bezwaar van 26 oktober 2005 en heeft hij daarmee de juistheid van de uitspraak op bezwaar willen betwisten. Het was voor verweerder kenbaar wie het kaartje heeft ingeleverd en in verband met welke procedure. Onder die omstandigheden had verweerder eiser er op moeten wijzen dat het betreffende kaartje, vergezeld van een beroepschrift, tijdig aan de rechtbank diende te worden toegezonden. Het parkeerkaartje dient daarom naar het oordeel van de rechtbank aangemerkt te worden als een beroepschrift gericht tegen de uitspraak op bezwaar van 26 oktober 2005. Het beroepschrift is binnen zes weken na dagtekening van de uitspraak op bezwaar door verweerder ontvangen zodat, gelet op het bepaalde in artikel 6:15, derde lid, van de Awb, het beroepschrift tijdig is ingediend.

4.5. Nu uit het parkeerkaartje blijkt dat eiser de op 22 augustus 2005 verschuldigde parkeerbelasting voldaan heeft, is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd zodat het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 26 oktober 2005 gegrond verklaard dient te worden.

4.6. De rechtbank is bevoegd te beoordelen of verweerder al dan niet terecht een naheffingsaanslag heeft opgelegd, maar kan verweerder niet opleggen om eiser een excuusbrief te sturen, de tijden tussen de automaten en de naheffingsapparatuur te synchroniseren of een verbeterde procedure voor onduidelijkheid op te stellen.

5. Proceskosten

5.1. Nu het beroep gegrond verklaard wordt heeft eiser in beginsel recht op vergoeding van proceskosten.

5.2. De veroordeling van een partij in de proceskosten van een bestuursrechtelijk geding is geregeld in artikel 8:75 en 8:75a Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). In het Besluit zijn nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

5.3. De rechtbank overweegt dat de door eiser genoemde kosten voor een postzegel en administratiekosten niet binnen de limitatieve opsomming van kostenposten vallen die ingevolge artikel 1 van het Besluit voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank acht dan ook geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5.4. Niettemin heeft verweerder in het verweerschrift toegezegd aan eiser een bedrag van € 6 aan aanmaningskosten en een bedrag van € 1 aan rente terug te betalen.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 26 oktober 2005 gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslag van 22 augustus 2005;

- verklaart het beroep tegen de ambtshalve beslissing van 14 december 2005 niet-ontvankelijk;

- gelast de gemeente Amsterdam het door eiseres voor deze zaak gestorte griffierecht ad € 37 aan haar te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 12 februari 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.P.M. van Rijn, in tegenwoordigheid van mr. P.T. van Arnhem, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.