Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:AZ7891

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-01-2007
Datum publicatie
06-02-2007
Zaaknummer
343150
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geluidsoverlast door parketvloer van bovenburen, onrechtmatig handelen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 343150 / HA ZA 06-1959

Vonnis van 31 januari 2007

in de zaak van

1. A,

wonende te Amsterdam,

2. B,

wonende te Amsterdam,

eisers,

procureur mr. H. G. Tienstra,

tegen

C,

wonende te Amsterdam,

gedaagde,

procureur mr. B. Smit.

Partijen zullen hierna A, B en C genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 10 mei 2006 met bewijsstukken

- de conclusie van antwoord met bewijsstukken

- het tussenvonnis van 16 augustus 2006, waarbij een comparitie van partijen is gelast

- het proces-verbaal van comparitie van 5 december 2006 en de daarin genoemde processtukken.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende) betwist, alsmede op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde bewijsstukken, staat het volgende vast.

B en A zijn sinds 1988 eigenaar van het appartement aan de Vierwindenstraat 243 te Amsterdam. C is sinds 26 november 2003 eigenaresse van het appartement Vierwindenstraat 251, dat boven het appartement van B en A ligt. Beide appartementen behoren tot het in 1988/1989 opgeleverde appartementencomplex “De Nassau Veste”, bestaande uit 41 appartementen in een voormalig wijnpakhuis (hierna ”het complex”).

De notariële splitsingsakte van 16 februari 1988, waarbij het complex in appartementen is gesplitst, houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

Reglement

[…]

De comparant, handelend als gemeld, verklaarde vervolgens over te gaan tot splitsing van voormelde onroerende goederen in de hiervoor genoemde appartementsrechten en te bepalen dat als reglement zal gelden het volgende reglement, bedoeld in artikel 875e van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat is vastgesteld door de Koninklijke Notariële Broederschap […].

De comparant, handelend als gemeld, verklaarde voor de onderhavige splitsing in dat modelreglement de volgende wijzigingen, casu quo aanvullingen aan te brengen:

[…]

L. […]

Voorts wordt het bepaalde in artikel 20 van het modelreglement nog aangevuld met het volgende:

[…]

c. Het is verboden in het privé-gedeelte harde vloerbedekking aan te brengen of te gebruiken, welke niet is voorzien van een behoorlijke geluidwerende onderlaag.

In 1989 heeft Bouwcentrum Beheer B.V. (hierna: Bouwcentrum) in opdracht van de kopers van de appartementen van het complex met bouwnummers 1,2,5,15 en 35 onderzoek verricht naar onder andere de kwaliteit van contactgeluidsisolatie. De bevindingen van Bouwcentrum zijn vastgelegd in het rapport “Geluidweringen van woningen aan Vierwindenstraat te Amsterdam” van 1 augustus 1989. Het rapport houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

Geluideisen

In de van toepassing zijnde MBV [naar de rechtank begrijpt wordt hiermee de Modelbouwverordening bedoeld] worden de volgende eisen gesteld:

(20e/21e supplement, december 1983) artikel 117 Geluidwering van tot bewoning bestemde gebouwen:

1. Tussen een in een woning gelegen kamer of keuken en een besloten ruimte die buiten die woning is gelegen, moet, ter bescherming van die kamer of keuken, de isolatie-index voor lucht en contactgeluid ten minste 0 dB zijn.

[…]

tabel 2 isolatie-indices voor contactgeluid

ruimte en bouwnummer Ico (dB) gemeten Ico (dB) min.eis

SK 1 35 - SK1 25

WK 35 - WK 25

WK 25 - WK 15

WK 15 - WK 5

SK2 15 - SK2 5

WK 5 - WK 1

SK2 5 - WK 2 - 1

+ 3

+ 3

+ 2

- 8

- 1

+ 2 0

0

0

0

0

0

0

[…]

Samenvatting

De opdracht van de toekomstige bewoners van het project Vierwindenstraat bouwdeel Wijnhandel is een geluidtechnisch onderzoek ingesteld in een aantal woningen van dit project.

Van de zeven gemeten isolatie-indices voor contactgeluid voldoen er drie niet aan de eisen van de modelbouwverordening.

“WK 5” is de woonkamer van C, “WK 1” is de woonkamer van B en A.

In opdracht van B en A heeft Akoestisch Adviseur D (hierna: D) in december 2005 contactgeluidmetingen verricht aan de scheidingsvloer tussen de appartementen van partijen. Het op 29 december 2005 ter zake uitgebrachte rapport houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

Situatie

De keuken/woonkamer van de woning 251 is een enkele ruimte en bevindt zich precies boven de keuken/woonkamer van de woning 243

[…]

Meetresultaten

Zendruimte Ontvangruimte Ico 1989 [dB] Ico 2005 [dB]

Keuken op houten vloer Keuken + 3

Woonkamer op houten vloer Woonruimte + 5

Woonkamer op houten vloer + tapijt Woonruimte -1 + 23

[…]

Beoordeling

De meting verricht in 1989 toont aan dat de kale vloer, rekening houdend met 1 dB meettolerantie, voldoet aan de norm van Ico= 0 dB, welke is vastgelegd in het toenmalig geldende Bouwbesluit.

De metingen verricht in 2005 tonen aan dat de nieuwe houten vloer op de kale vloer in de keuken/woonkamer gemiddelsd een meetresultaat geeft van Ico= +4 dB. Dat is een verbetering van slechts 5 dB. Hieruit blijkt dat de leverancier van de vloer, de firma E, geen juiste informatie heft verstrekt.

[…]

De Nederlandse Stichting Geluidhinder adviseert voor een goede contactgeluidisolatie een vloer met een contactgeluidsisolatie-index met een waarde van tenminste Ico= +10 dB.

Ten opzichte van deze norm worden de contactgeluiden door de beoordeelde vloer 3,2 keer zo sterk doorgegeven.

Een brief van F VVE Beheer B.V., administrateur van het complex, van 19 januari 2006 aan C houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

U heeft toestemming gevraagd aan het bestuur (voorzitter) op basis van uw certificaat waarop uw vloerleverancier u garandeert dat de vloer een voldoende demping geeft. Ondanks dat de vereniging geen norm heeft vastgelegd in de vorm van cijfers zijn de gegevens van uw leverancier voldoende geweest om u toestemming te verlenen de vloer aan te brengen.

De vordering

B en A vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

- veroordeling van C tot het nemen van zodanige isolatiemaatregelen dat de vloer van de keuken/woonkamer van haar woning voldoet aan de contactgeluidsisolatie-index met een waarde van tenminste Ico= +10 dB, uit te voeren binnen zes weken na het in deze zaak te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom van EUR 500,00 voor iedere dag dat C weigert aan deze veroordeling te voldoen,

- veroordeling van C om binnen een termijn van twee weken nadat de gevorderde isolatiemaatregelen zijn getroffen, bewijs aan B en A te overleggen dat de bewuste vloer voldoet aan de genoemde waarde door het produceren van een bevestigend rapport van een erkend akoestisch adviseur, eveneens op straffe van een dwangsom van EUR 500,00 voor iedere dag dat C weigert aan deze veroordeling te voldoen,

- veroordeling van C tot betaling van de proceskosten.

B en A stellen daartoe dat C zich niet houdt aan het bepaalde in het splitsingsreglement en daardoor onrechtmatig jegens hen handelt. Op grond van het splitsingsreglement is het verboden harde vloerbedekking aan te brengen of te gebruiken, die niet is voorzien van een behoorlijke geluidswerende onderlaag. Een behoorlijke geluidswererende onderlaag dient een contactgeluidsisolatie-index met een waarde van tenminste Ico= +10 dB te hebben, aldus B en A. Uit metingen, die in opdracht van B en A zijn verricht, blijkt echter dat de houten vloer in de keuken- en woonkamer van C gemiddeld een isolatiewaarde van Ico= +4 dB heeft. B en A ondervinden hierdoor ernstige contactgeluidsoverlast vanuit het appartement van C.

Het verweer

C heeft het gevorderde betwist en tot afwijzing van de vordering geconcludeerd, met veroordeling van B en A in de proceskosten.

Zij voert daartoe aan dat slechts het Modelreglement bij splitsing in appartementsrecht, november 1983, van toepassing is. Op grond daarvan geldt dat bij het gebruik van de privé-ruimten geen onredelijke hinder aan de andere gebruikers van het pand mag worden toegebracht. Van onredelijke hinder is op grond van diverse omstandigheden geen sprake, te weten:

- de houten vloer heeft blijkens een verklaring van de leverancier een isolatiewaarde van 21 dB en is zwevend gelegd;

- de onderburen van nummer 245, van wie het appartement gedeeltelijk is gelegen onder dat van C, ondervinden blijkens hun verklaring geen overlast;

- bijna alle bewoners in het complex hebben een houten vloer en niemand ondervindt overlast van elkaar;

- C heeft zorgvuldig gehandeld door de vloer pas te leggen nadat zij informatie van de leverancier van de houten vloer had gevraagd en toestemming had hebben verkregen van de voorzitter en de administrateur van de VVE.

Mocht er wel sprake zijn van hinder, dan is deze niet aan C toe te rekenen, aldus nog steeds C. Het hele pand is gehorig en de (kale) scheidingsvloeren van de appartementen voldoen niet aan de minimale eisen. Die vloeren vallen onder de verantwoordelijkheid van de VVE.

C voert verder aan dat B en A zelf maatregelen kunnen treffen tegen de geluidsoverlast door bijvoorbeeld een verlaagd plafond aan te brengen.

Ten slotte voert C aan dat een termijn van zes weken onredelijk kort is om aan de veroordeling tot het nemen van isolatiemaatregelen te voldoen. Tevens is de vordering met betrekking tot het leveren van bewijs door een akoestisch adviseur onredelijk, omdat daarmee zeer hoge kosten zijn gemoeid.

De beoordeling

Uitgangspunt voor de beoordeling is de bepaling uit de hiervoor onder 2.2 aangehaalde splitsingsakte, te weten het verbod voor de appartementshouders om in het privé-gedeelte harde vloerbedekking aan te brengen of te gebruiken, die niet is voorzien van een behoorlijke geluidwerende onderlaag.

Een “behoorlijke geluidwerende onderlaag” dient naar het oordeel van de rechtbank te voldoen aan een contactgeluidsisolatie-index met een waarde van ten minste Ico= +10 dB. Dit is een voor contactgeluid algemeen aanvaarde norm, hetgeen de rechtbank afleidt uit het hiervoor onder 2.4. aangehaalde rapport van D, waarin melding wordt gemaakt van het advies van de Nederlandse Stichting Geluidhinder, alsmede uit de door C niet betwiste stelling van B en A dat de VVE van het complex sinds 2005 in haar reglement in artikel 20c een norm van 10 dB hanteert en dat deze norm ook bij andere VVE’s gebruikelijk is. Dat een norm van 10 dB door de VVE in 2003 nog niet was vastgesteld, zoals door C is aangevoerd, doet daaraan niet af, nu uit het zojuist overwogene volgt dat deze norm ook zonder uitdrukkelijke vermelding in het splitsingsreglement gehanteerd dient te worden.

Uit het rapport van D valt op te maken dat de contactgeluidsisolatie-index van de scheidingsvloer tussen B en A op de twee gemeten locaties - tussen de beide keukens en de beide woonkamers - een waarde heeft van Ico= +3 dB respectievelijk +5 dB. De metingen van D zijn door C niet betwist. Daarmee staat vast dat de houten vloer van C niet voldoet aan de eis van een behoorlijke geluidwerende onderlaag. Hierdoor handelt C in strijd met het in de splitsingsakte bepaalde en tevens onrechtmatig jegens B en A.

Dat C een certificaat van de vloerleverancier heeft verkregen waarin deze heeft gegarandeerd dat de vloer voldoende demping geeft, maakt deze conclusie niet anders, nu is komen vast te staan dat de vloer juist niet voldoende demping geeft. Ook dat C toestemming heeft verkregen van de voorzitter van de VVE kan haar niet baten, gelet op het feit dat blijkens de onder 2.5 aangehaalde brief van de beheerder de toestemming was gebaseerd op de - inmiddels onjuist gebleken - gegevens van de vloerleverancier.

C heeft nog aangevoerd dat het hele complex gehorig is en dat de scheidingsvloeren in het complex niet aan de minimale eisen voldoen, waardoor de verantwoordelijkheid voor de geluidsoverlast bij de VVE behoort te liggen. C heeft ter onderbouwing van haar verweer verwezen naar het door B en A in een vroeger stadium ingenomen standpunt dat de scheidingsvloer niet zou voldoen aan de minimumeisen. De rechtbank overweegt hierover dat uit het rapport van Bouwcentrum, dat op zich door C niet is betwist, valt op te maken dat de isolatie-index voor de scheidingsvloeren ten minste 0 dB moet zijn en dat in 1998 bij de scheidingsvloer tussen de appartementen van partijen in 1989 een contactgeluidsisolatie-index met een waarde van -1 dB is gemeten. D rapporteert - door C eveneens onbetwist - dat, rekening houdend met 1 dB meettolerantie, de vloer voldoet aan de norm van 0 dB uit het toenmalig geldende Bouwbesluit. C heeft tegenover de twee deskundigenrapporten haar stellingen onvoldoende onderbouwd zodat haar verweer als onvoldoende gespecificeerd zal worden verworpen, en de rechtbank de conclusie van D, dat de scheidingsvloer voldoet aan de norm uit het toenmalig geldende Bouwbesluit, tot de hare zal maken. Het verweer van C wordt derhalve verworpen.

Voorts is komen vast te staan dat B en A ernstige overlast ondervinden door het onrechtmatige handelen van C. Zo hebben zij, door C onbetwist, gesteld dat vrijwel elke stap van de gebruikers van de woning van C te horen is, ook als er op sokken wordt gelopen. Het feit dat de andere onderburen van C geen overlast ondervinden van C en dat de meeste bewoners van het complex een houten vloer hebben, maar geen overlast van elkaar ondervinden, zoals door C nog is aangevoerd, betekent nog niet dat B en A geen overlast ondervinden. Het ervaren van geluid is in de regel subjectief: wat de een als overlast ervaart stoort de ander in het geheel niet. Nu hiervoor echter is komen vast te staan dat ook in objectieve zin niet is voldaan aan een behoorlijke geluidsisolatie, staat het B en A vrij tegen de overlast op te treden.

Van B en van A kan naar het oordeel van de rechtbank ook niet worden gevergd om zelf maatregelen te nemen ter vermindering van de overlast, zoals het verlagen van het plafond, nu dit naar zeggen van B en A tot een onaanvaardbare verlaging van het plafond zou leiden, hetgeen door C niet is betwist.

De vordering van B en A tot het nemen van zodanige isolatiemaatregelen dat de vloer van de keuken/woonkamer van de woning van C voldoet aan de isolatiewaarde van ten minste 10 dB, zal derhalve worden toegewezen.

C heeft aangevoerd dat een termijn van zes weken onredelijk kort is om aan een eventuele veroordeling te voldoen. B en A hebben deze stelling niet betwist. De rechtbank acht termen aanwezig om C in haar stelling te volgen. Nu door C echter geen termijn is genoemd waarbinnen de maatregelen redelijkerwijs kunnen worden getroffen, zal de rechtbank deze op twaalf weken vaststellen. Binnen die termijn moet C geacht worden informatie omtrent de te nemen maatregelen te kunnen inwinnen alsmede deze te kunnen laten uitvoeren.

Er bestaat aanleiding de gevorderde dwangsom te matigen tot EUR 250,00 per dag alsmede de dwangsom aan een maximum van EUR 20.000,00 te binden.

B en A hebben voorts gevorderd dat C bewijs dient over te leggen door een rapport van een erkend akoestisch adviseur. C heeft zich verweerd met de stelling dat het overleggen van een rapport in verband met de zeer hoge ervan kosten onredelijk is en dat C in het geval van een veroordeling haar verantwoordelijkheid zal nemen. De rechtbank zal de vordering van B en A afwijzen. De navolgende veroordeling omschrijft nauwkeurig aan welke norm de door C te nemen isolatiemaatregelen dienen te voldoen, terwijl C een dwangsom zal verbeuren indien zij niet aan de veroordeling voldoet. De rechtbank gaat ervan uit dat hierdoor voldoende is gewaarborgd dat C de juiste maatregelen treft, zodat het overleggen van een rapport niet noodzakelijk is.

C zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van B en A worden begroot op:

- dagvaarding EUR 71,32

- vast recht 248,00

- salaris procureur 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.223,32

De beslissing

De rechtbank

veroordeelt C tot het nemen van zodanige isolatiemaatregelen dat de vloer van de keuken/woonkamer van haar woning voldoet aan de contactgeluidsisolatie-index met een waarde van tenminste Ico= +10 dB, uit te voeren binnen twaalf weken na het in deze zaak te wijzen vonnis,

bepaalt dat C voor iedere dag dat zij in strijd handelt met het onder 6.1 bepaalde, aan B en A een dwangsom verbeurt van EUR 250,00, tot een maximum van EUR 20.000,00.

veroordeelt C in de proceskosten, aan de zijde van B en A tot op heden begroot op EUR 1.223,32,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Biller en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2007, in tegenwoordigheid van de griffier.