Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:AZ7273

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-01-2007
Datum publicatie
30-01-2007
Zaaknummer
340748
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

art. 6:162 BW

onrechtmatige daad, bestuurdersaansprakelijkheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 340748 / HA ZA 06-1207

Vonnis van 10 januari 2007

in de zaak van

de maatschap

A EN PARTNERS ADVOCATEN EN BELASTINGADVISEURS,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

procureur mr. D. Sluis,

tegen

B,

wonende te Bussum,

gedaagde,

procureur mr. A.L. van Beugen.

Partijen zullen hierna A en Partners en B genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 juni 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 14 november 2006

- de ter gelegenheid van de comparitie in het geding gebrachte stukken bestaande uit de brief van mr. Sluis van 3 oktober 2006 met de producties 11 tot en met 14f.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

B is (indirect) bestuurder van Structurion Holding B.V. (hierna: Structurion Holding), Structurion Vastgoed Beheer B.V. (hierna: Structurion Vastgoed), Structurion Groen Beheer B.V. (hierna: Structurion Groen) en Internationale Filmproductie B.V (hierna: Internationale Filmproductie). Deze vennootschappen worden hierna gezamenlijk “de Ondernemingen” genoemd.

A en Partners, in het bijzonder de heer C, heeft vanaf medio 2000 fiscaal juridisch advieswerk verricht ten behoeve van projecten die onder andere in de Ondernemingen werden gerealiseerd. De facturen van A en Partners voor deze werkzaamheden werden ten name van de Ondernemingen gesteld. In totaal zijn facturen onbetaald gebleven tot een bedrag van in totaal € 93.410,73. Facturen in verband met advieswerk ten behoeve van projecten in andere vennootschappen waar B bij betrokken was, zijn betaald tot een bedrag van in totaal € 530.000,00 exclusief BTW.

Na het uitbrengen van de dagvaarding heeft Structurion Groen de op haar naam gestelde facturen van in totaal € 13.076,57 betaald. Structurion Holding is op 7 november 2006 bij verstek failliet verklaard.

Het geschil

A en Partners vordert, na vermindering van eis, veroordeling van B, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- tot betaling van € 80.334,16;

- tot betaling van € 1.788,00, te vermeerderen met BTW en de contractuele rente vanaf de dag der opeisbaarheid van de facturen;

- in de kosten van de procedure, waaronder de kosten van de conservatoire (derden)beslagen en de wettelijke rente over de proceskosten voor het geval die niet binnen veertien dagen na het in dezen te wijzen vonnis zullen zijn voldaan.

A en Partners legt aan haar vordering ten grondslag dat B als (indirect) bestuurder van de Ondernemingen verplichtingen namens de Ondernemingen is aangegaan in de wetenschap dat zij die niet zouden kunnen nakomen en geen verhaal zouden bieden indien de projecten niet zouden doorgaan. De Ondernemingen hebben substantiële negatieve vermogens waardoor verhaal niet mogelijk lijkt. B heeft bovendien ten onrechte de schijn van kredietwaardigheid gewekt.

A en Partners voert verder aan dat B zich intensief met de bedrijfsvoering van de Ondernemingen bezighield en in feite volledige zeggenschap over de Ondernemingen had. B heeft bewerkstelligd dat de Ondernemingen hun betalingsverplichtingen niet zijn nagekomen. De Ondernemingen hebben stelselmatig iedere betaling geweigerd. In ieder geval heeft B bewerkstelligd dat facturen van A en Partners ten name van Structurion Holding en Internationale Filmproductie, die deels betrekking hadden op een geslaagd project, niet werden voldaan terwijl derden wel betaald zijn. Voorts voert A en Partners aan dat Stucturion Vastgoed een factuur van 19 december 1993 niet in de jaarrekening 1993 heeft verwerkt, hetgeen duidt op een niet gedegen boekhouding, en dat Structurion Holding en Internationale Filmproductie de jaarrekeningen 2002 en 2003 niet hebben gedeponeerd, hetgeen bijdraagt aan de onrechtmatigheid van het handelen van B. Een en ander leidt tot de conclusie dat B persoonlijk aanspakelijk is voor de schulden van de Ondernemingen aan A en Partners.

B voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

De overeenkomsten van opdracht tot het verrichten van fiscaal juridische werkzaamheden zijn tot stand gekomen tussen de Ondernemingen enerzijds en A en Partners anderzijds en de facturen ter zake van de werkzaamheden heeft A en Partners ten name van de respectievelijke Ondernemingen gesteld. A en Partners houdt B als (indirect) bestuurder van de Ondernemingen persoonlijk aansprakelijk voor de onbetaald gebleven facturen. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

De bestuurder van een vennootschap kan onder omstandigheden aansprakelijk zijn uit onrechtmatige daad indien hij bij het aangaan van een overeenkomst wist of behoorde te begrijpen, dat de vennootschap niet of niet binnen een redelijke termijn aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de ingevolge die wanprestatie door de wederpartij te lijden schade, zodat de bestuurder aldus een persoonlijk verwijt treft.

A en Partners moet voldoende feiten en omstandigheden stellen die, indien bewezen, tot de conclusie leiden dat B had behoren te voorzien dat de Ondernemingen bij het aangaan van de overeenkomsten met A en Partners hun betalingsverplichtingen niet zouden kunnen nakomen en zij daartoe evenmin verhaal zouden kunnen bieden. Weliswaar is gebleken dat met instemming van A en Partners de betaling van de declaraties in beginsel pas plaatsvond na realisatie van het project, als de revenuen van het project waren binnengekomen, maar niet is gesteld of gebleken dat B het niet slagen van de projecten van de Ondernemingen had behoren te voorzien. Het had op de weg van A en Partners gelegen om hiertoe voldoende feiten en omstandigheden te stellen. Dit klemt temeer nu uit de stellingen van A en Partners zelf volgt dat ten minste een project in Structurion Holding en Internationale Filmproductie is geslaagd. Daarbij overweegt de rechtbank voorts dat ook projecten zijn geslaagd in andere vennootschappen waar B bij betrokken was en ten behoeve waarvan A en Partners advieswerk had verricht.

A en Partners verwijt B dat hij ten onrechte de schijn van kredietwaardigheid heeft gewekt. De rechtbank overweegt daaromtrent dat betaling van de declaraties van A en Partners in beginsel eerst plaatsvond als de revenuen uit het project waren binnengekomen. Door op deze basis advieswerkzaamheden te (blijven) verrichten was A en Partners er mee bekend dat betaling plaatsvond indien en nadat gebleken was dat het project geslaagd was. Daarmee moet A en Partners hebben geweten dat haar declaraties werden voldaan uit de eventuele opbrengsten van de projecten. A en Partners kan dan ook, zonder nadere feitelijke onderbouwing die hier ontbreekt, B niet verwijten dat hij de schijn van kredietwaardigheid heeft gewekt.

Verder heeft A en Partners onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat sprake is van betalingsonwil. Ten aanzien van de Ondernemingen heeft A en Partners gesteld dat deze worden geconfronteerd met substantiële negatieve vermogens waarbij verhaal onmogelijk lijkt terwijl Structurion Holding inmiddels failliet is verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank duidt dit eerder op betalingsonmacht dan op betalingsonwil. Ook de door A en Partners bevestigde praktijk dat betaling van de facturen eerst plaatsvond uit de revenuen van het project en dat soms werd gewacht op de revenuen van een ander nieuw project, wijst niet op betalingsonwil. Bovendien heeft B onweersproken gesteld dat facturen van A en Partners ten name van andere vennootschappen waar hij bij betrokken is, betaald zijn tot een bedrag van € 530.000,00 exclusief BTW, dat hij veelal prioriteit heeft gegeven aan betaling van facturen van A en Partners en dat hij alleen de belastingdienst soms eerder betaalde. Ook hieruit blijkt dat er geen sprake was van betalingsonwil.

Ten slotte geldt dat voor persoonlijke aansprakelijkheid van B niet voldoende is dat B zich intensief met de bedrijfsvoering van de Ondernemingen bezighield en in feite de volledige zeggenschap over de Ondernemingen had. Vereist is dat hem persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt van de wanprestatie van de Ondernemingen. Ook hier oordeelt de rechtbank dat A en Partners onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die de conclusie van een persoonlijk verwijt rechtvaardigen. Ten aanzien van het niet verwerken in de jaarrekening 2003 van een declaratie van A en Partners gedateerd op 19 december 2003 heeft B onweersproken gesteld dat deze factuur eerst in 2004 door hem is ontvangen. Verder is niet gesteld of gebleken dat hierdoor of door het niet deponeren van de jaarrekeningen van Structurion Holding en Internationale Filmproductie sprake zou zijn van onrechtmatig handelen jegens A en Partners, laat staan dat B daarvan een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt of A en Partners schade hebben geleden.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat A en Partners niet aan haar stelplicht heeft voldaan en verwerpt dan ook het algemeen geformuleerde bewijsaanbod van A en Partners. De rechtbank zal de vorderingen van A en Partners afwijzen zoals hierna te melden.

A en Partners zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van B worden begroot op:

- vast recht € 1.120,00

- salaris procureur 1.788,00 (2,0 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 2.908,00

De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen af,

veroordeelt A en Partners in de proceskosten, aan de zijde van B tot op heden begroot op € 2.908,00,

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.D. Ruizeveld en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2007.?