Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:AZ6354

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-01-2007
Datum publicatie
17-01-2007
Zaaknummer
AWB 06/5980 VEROR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

"Gelet op het feit dat de deskundigen elkaar tegenspreken is de rechter van oordeel dat niet uitgesloten is dat het bestreden besluit niet in rechte stand kan houden. Nu, in geval van kap van de bomen op maandag 15 januari 2007, een onomkeerbare situatie zou ontstaan, is de rechter van oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. Dit ondanks het feit dat er met de voortgang van de kap financiële belangen van verweerder zijn gemoeid. De rechter erkent voorts dat er met de kap belangen in de sfeer van de verkeersveiligheid zijn gemoeid doch hecht daaraan in het onderhavige geval geen doorslaggevend belang. Verweerder vindt het immers zelf, vanuit verkeersveiligheidsoogpunt niet onaanvaardbaar om het groot onderhoud aan de Prinsengrachtzijde van het Amstelveld - waar eveneens sprake is van wortelopdruk - pas in het najaar van 2007 ter hand te nemen, zo blijkt uit de gedingstukken.

De rechter ziet in het bovenstaande voldoende grond om het bestreden besluit van 4 oktober 2006 en het primaire besluit van 24 juli 2006 te schorsen. De rechter is, in het licht van artikel 8:86 van de Awb, van oordeel dat nader onderzoek, bijvoorbeeld in de vorm van een deskundigenonderzoek in de bodemprocedure, redelijkerwijs kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er is derhalve geen uitspraak gedaan in de hoofdzaak."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 06/5980 VEROR

van:

E.F. van Vollenhoven, wonende te Amsterdam,

verzoeker,

tegen:

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. A. Fidom, mr. A.K.E. de Vries en H. Kaljée.

Tevens heeft als partij aan het geding deelgenomen:

Stadsdeel Amsterdam-Centrum rayon Zuid, gevestigd te Amsterdam,

vergunninghouder,

vertegenwoordigd door R. Schreuders.

1. PROCESVERLOOP

Ter griffie van de rechtbank is op 14 december 2006 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvangen. Dit verzoek hangt samen met het beroepschrift van verzoeker van 14 november 2006 gericht tegen het besluit van verweerder van 4 oktober 2006 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 11 januari 2006.

2. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Voor zover de toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure.

Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter (hierna ook: de rechter) onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien hij na de behandeling van het verzoek ter zitting van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Op deze bevoegdheid van de voorzieningenrechter is gewezen in de kennisgeving van de behandeling ter zitting.

Bij besluit van 24 juli 2006 is aan vergunninghouder een kapvergunning verleend voor het kappen van veertien vleugelnootbomen op het Amstelveld, langs de Kerkstraat te Amsterdam. Tevens is een verplichting opgelegd tot het herplanten van veertien grote vleugelnootbomen.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 3 september 2006 bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van verzoeker ongegrond verklaard en het besluit van 24 juli 2006 gehandhaafd. Verweerder heeft daartoe overwogen dat op 17 januari 2006 is besloten tot groot onderhoud aan het Amstelveld, waarbij het huidige profiel wordt gehandhaafd en waarbij een lange termijn oplossing wordt gecreëerd voor het tegengaan van wortelopdruk van de bomen. Een kapvergunning kan blijkens de Kapverordening slechts worden geweigerd in het belang van de handhaving van natuur-, landschaps-, of stadsschoon of om andere redenen van milieubeheer. Volgens vaste praktijk van verweerder wordt dit beoordeeld aan de hand van vijf technische criteria (leeftijdsbescherming, conditie van de boom, toekomstverwachting van de boom, beeldbepalendheid, drendrologische waarde) en een juridisch criterium (de bomen mogen geen schade voor derden veroorzaken). De te kappen bomen scoren negatief ten aanzien van alle technische criteria behalve beeldbepalendheid. Vanwege hun beeldbepalendheid leveren de bomen een bijdrage aan het stadsschoon. Het belang van het stadsschoon weegt minder zwaar dan het belang dat is gemoeid met het kappen van de bomen. Daarbij is overwogen dat de te kappen bomen zullen worden vervangen door nieuwe vleugnoten van fors formaat, de huidige bomen schade aan het wegdek veroorzaken en de gezondheid van de te kappen bomen – gelet op de adviezen van deskundigen – niet goed is, deze gezondheid niet meer kan verbeteren en door onderhoud van het Amstelveld nog verder zal verslechteren.

Tegen dit besluit heeft verzoeker beroep ingesteld. Tevens is een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Verzoeker heeft in beroep aangevoerd dat het weer vlak en begaanbaar maken van het plein en de aanliggende straten mogelijk is zonder de betreffende bomen te kappen. Ter onderbouwing heeft verzoeker twee rapporten van beëdigde boomtaxateurs V. van Amerongen (hierna: Van Amerongen) en J.O.J. Copijn (hierna: Copijn) overgelegd. Verzoeker heeft onder verwijzing naar het rapport van Copijn aangevoerd dat de kap ernstige milieuschade tot gevolg heeft. Verder heeft verzoeker onder verwijzing naar het rapport van Copijn aangevoerd dat volgens de Flora- en Faunawet de bomen niet gekapt mogen worden in de overwinteringstijd als er geen onderzoek heeft plaatsgevonden naar holtes in de bomen die kunnen dienen als overwinteringsplaatsen voor vleermuizen. Voorts heeft verzoeker aangevoerd dat het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeerd. Het bestreden besluit is innerlijk tegenstrijdig. Verder heeft verzoeker aangevoerd dat zes jaar geleden wortelkap heeft plaatsgevonden bij de bomen aan de Prinsengrachtzijde. Blijkens het rapport van Pius Floris en H. Kaljée van april 2006 verkeert niet één van die bomen in een slechte conditie en is de straat aldaar thans nog spiegelglad, hetgeen niet in overeenstemming is met de voorspelling dat bij wortelkap in het onderhavige geval binnen vijf jaar nieuwe oneffenheden zullen ontstaan door wortelopdruk. Tot slot heeft bij vier van de in het onderhavige geval betreffende bomen zes jaar geleden bij aanleg van de jeu de boulesbaan wortelkap plaatsgevonden, van deze bomen is er één in matige conditie en drie in redelijke conditie. Verzoeker is van mening dat gelet hierop vraagtekens gezet kunnen worden bij de onderbouwing van de kapvergunning dat bij wortelkap de conditie van de bomen snel zal verslechteren.

De rechter overweegt als volgt.

Blijkens artikel 2, eerste lid, van de Kapverordening is het verboden, zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders, een houtopstand te vellen anders dan bij wijze van dunning.

Blijkens artikel 28, tweede lid, van de Verordening op de stadsdelen is in het onderhavige geval het Dagelijks Bestuur van het Stadsdeel Amsterdam-Centrum bevoegd om de vergunning te verlenen.

Blijkens artikel 5, eerste lid van de Kapverordening kunnen burgemeester en wethouders de vergunning slechts weigeren in het belang van de handhaving van het natuur-, landschaps- of stadsschoon of om andere redenen van Milieubeheer.

Gelet op het bepaalde in artikel 5, eerste lid, van de Kapverordening kan de vergunning slechts worden geweigerd indien tenminste één van de nader genoemde belangen in het geding zijn. Indien met de kap van de bomen één van de in artikel 5, eerste lid, van de Verordening opgenomen belangen in het geding is, komt aan verweerder de bevoegdheid toe de aangevraagde kapvergunningen op grond van dit artikellid te weigeren.

De beoordeling of gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid tot weigeren van de kapvergunning, vindt plaats aan de hand van vijf zogenoemde technische criteria en het juridische criterium. Indien minimaal drie technische criteria negatief beoordeeld worden, verleent verweerder in principe de kapvergunning. De vijf technische criteria betreffen leeftijdsbescherming, conditie van de boom, toekomstverwachting van de boom, beeldbepalendheid en dendrologische waarde. Het juridische criterium houdt in dat de bomen mogen geen schade voor derden veroorzaken.

Tussen partijen is niet in geschil dat de betreffende bomen bijdragen aan het stadsschoon. Verweerder is derhalve bevoegd de aangevraagde kapvergunning op grond van artikel 5, eerste lid, van de Kapverordening te weigeren. Aan verlening of weigering van een vergunning dient een belangenafweging vooraf te gaan. Het bestuursorgaan komt bij deze belangenafweging een zekere vrijheid toe, zodat de rechter het bestreden besluit slechts terughoudend kan toetsen. De rechter mag daarbij zijn eigen oordeel niet in de plaats stellen van het oordeel van verweerder maar dient zich te beperken tot de vraag of verweerders besluit gelet op het beleid en de daarop gebaseerde belangenafweging kennelijk onredelijk is.

Verweerder heeft advies gevraagd over de conditie van de bomen en de gevolgen daarvoor van maatregelen om worteldruk te verminderen. De adviezen zijn opgenomen in een rapport van Pius Floris Boomverzorging van november 2003, een ongedateerd rapport van Hoofdstedelijk Bomenconsulent Hans Kaljée en een rapport van Kaljée en Pius Floris tezamen van april 2006. In 2003 werd de conditie van de betreffende bomen als redelijk beoordeeld. In het rapport van april 2006 is de conditie van vijf bomen als matig beoordeeld en van de overige negen bomen als redelijk. In laatstgenoemd rapport is de toekomstverwachting van alle veertien bomen matig geacht en is de verwachting opgenomen dat de conditie na uitvoering van wortelkap slecht zal zijn. Een in opdracht van de Bewonersgroep Amstelveld uitgebracht advies van de Bomenstichting van juni 2006 ondersteunt voornoemde conclusies over de conditie van de bomen en geeft zelfs aan dat de conditie van drie bomen sinds april 2006 verder is verslechter. Dit advies vermeld voorts dat wortelkap een reëel gevaar van instabiliteit van de bomen tot gevolg heeft. Echter de Bomenstichting vindt kap van alle bomen op het plein onwenselijk. De conditie van de bomen is niet zodanig dat nu tot grootschalige kap dient te worden overgegaan. De Bomenstichting stelt een gefaseerde kap voor, waarbij de bomen waarvoor in de onderhavige zaak een kapvergunning is verleend nog 15 jaar behouden blijven.

Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat het door verweerder beoogde doel tevens bereikt kan worden zonder over te gaan tot kap van de betreffende bomen. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft verzoeker een tweetal rapportages van beëdigd boomtaxateurs, voornoemd, overgelegd. Van Amerongen stelt in het rapport van 6 december 2006 dat het wegdek redelijk herstelt kan worden met behoud van vrijwel alle bomen gedurende 10 a 15 jaar. De vitaliteit van de betreffende bomen gaat slechts heel traag achteruit en het is niet juist om te zeggen dat ze nog maar 5 jaar te leven hebben. Door iedere vijf jaar voorzichtig wortelkap toe te passen en het maaiveld maximaal vijf cm op te hogen en plaatselijk te herstraten is het probleem deels op te lossen, aldus Van Amerongen. Copijn stelt in het rapport van 13 december 2006 dat als de door hem beschreven aanpak, het plaatsen van horizontale beluchtingssystemen, de Enkadrain TP-mat, en verticale schermen met worteldoek, wordt toegepast toekomstige wortelopdruk zal uitblijven.

Ter zitting heeft Copijn desgevraagd verklaard dat de bomen met toepassing van voornoemde methode minimaal nog 25 jaar behouden kunnen blijven, 50 jaar is evenwel ook goed mogelijk. Voorts heeft Copijn aangegeven dat de methode die verweerder wil hanteren ter voorkoming van wortelopdruk bij de nieuw te planten vleugelnootbomen niet werkt.

Ter zitting heeft Kaljée aangegeven dat de door Copijn voorgestelde methode niet werkt tegen wortelopdruk, omdat onder de matten extreem veel wortels zullen gaan groeien en uiteindelijk de bestrating zullen opdrukken.

De rechter constateert dat de door verweerder en verzoeker geraadpleegde deskundigen elkaar tegenspreken op - blijkens het beleid - relevante punten, zoals de conditie van de bomen en de levensverwachting van de bomen. De rechter is dan ook van oordeel, in het licht van artikel 8:86 van de Awb, dat nader onderzoek, bijvoorbeeld in de vorm van een deskundigenonderzoek in de bodemprocedure, redelijkerwijs kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er zal derhalve geen uitspraak worden gedaan in de hoofdzaak.

Gelet op het feit dat de deskundigen elkaar tegenspreken is de rechter voorts van oordeel dat niet uitgesloten is dat het bestreden besluit niet in rechte stand kan houden. Nu, in geval van kap van de bomen op maandag 15 januari 2007, een onomkeerbare situatie zou ontstaan, is de rechter van oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. Dit ondanks het feit dat er met de voortgang van de kap financiële belangen van verweerder zijn gemoeid. De rechter erkent voorts dat er met de kap belangen in de sfeer van de verkeersveiligheid zijn gemoeid doch hecht daaraan in het onderhavige geval geen doorslaggevend belang. Verweerder vindt het immers zelf, vanuit verkeersveiligheidsoogpunt niet onaanvaardbaar om het groot onderhoud aan de Prinsengrachtzijde van het Amstelveld – waar eveneens sprake is van wortelopdruk – pas in het najaar van 2007 ter hand te nemen, zo blijkt uit de gedingstukken.

De rechter ziet in het bovenstaande voldoende grond om het bestreden besluit van 4 oktober 2006 en het primaire besluit van 24 juli 2006 te schorsen.

Er is een grond aanwezig om te bepalen dat het griffierecht moet worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- schorst de beslissing op bezwaar van 4 oktober 2006 en het primaire besluit van 24 juli 2006 tot zes weken na de uitspraak in de bodemprocedure geregistreerd onder het procedurenummer AWB 06/5529 VEROR;

- bepaalt dat de gemeente Amsterdam het door verzoeker betaalde griffierecht ad € 141,-- (zegge: honderd éénenveertig euro) aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 12 januari 2007 door mr. E.E.V. Lenos, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.J. Seijsener, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

DOC: B