Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:BD4764

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-12-2006
Datum publicatie
19-06-2008
Zaaknummer
13.497522-2006
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

IRK; EAB; art. 12 OLW; volgens informatie uitvaardigende autoriteit is appèldagvaarding betekend in persoon, rechtbank heeft geen aanleiding aan die informatie te twijfelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.522.2006

RK nummer: 06/3677

Datum uitspraak: 22 december 2006

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 12 september 2006 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 5 mei 2005 door de Vice Minister of Justice van het Ministry of Justice of the Republic of Lithuania te Vilnius, Litouwen. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Litouwen) op [geboortedatum],

verblijvende op het adres [adres],

thans gede¬tineerd in de Penitentiaire Inrichting “Nieuwegein” te Nieuwegein,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 7 november 2006. Daarbij zijn de offi¬cier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. M.T. van Daatselaar, advocaat te Zuidhorn gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Litouwse taal.

Ter zitting van 21 november 2006 is een interlocutoire uitspraak gedaan, waarin het onderzoek is heropend en vervolgens geschorst voor onbepaalde tijd, teneinde antwoord te krijgen op de volgende vragen:

* In de brief van de Vice-minister of Justice van 6 oktober 2006 valt te lezen: ‘summon served by post’. Kunt U nader toelichten wat dat inhoudt?

- Is de dagvaarding van de appelzitting door de postbeambte persoonlijk aan [opgeëiste persoon] overhandigd?

- Zo nee, is de dagvaarding aan iemand anders overhandigd en, zo ja, op welk adres heeft dat plaatsgevonden?

- Indien de dagvaarding op andere wijze is betekend, kunt U dan toelichten hoe dat heeft plaatsgevonden? Daarbij kan van belang zijn dat [opgeëiste persoon] heeft gesteld dat hij in het buitenland was, maar dat hij aan de gerechtelijke autoriteiten als postadres het adres van zijn ouders heeft opgegeven.

- Is het mogelijk dat [opgeëiste persoon] geen wetenschap heeft gehad van de zittingsdatum in hoger beroep?

* Uit het EAB blijkt dat de District prosecutors office of the Silute region van het vonnis in eerste aanleg in beroep is gegaan. De opgeëiste persoon heeft, naar zijn zeggen, geen hoger beroep ingesteld.

- Is het hoger beroep van de District Prosecutors office aan [opgeëiste persoon] betekend?

- Zo nee, is hij daarvan anderszins in kennis gesteld?

- Zo ja, hoe is hij daarvan in kennis gesteld en is dit gebeurd binnen de termijn waarop hij zelf hoger beroep kon instellen?

* Uit het EAB blijkt tevens dat de raadsman die de opgeëiste persoon in eerste instantie heeft bijgestaan, als raadsman is aangesteld voor de behandeling in hoger beroep.

- Heeft deze raadsman in hoger beroep ook de verdediging gevoerd?

- Zo ja, was hij daartoe, nadat het hoger beroep was ingesteld, gemachtigd door de opgeëiste persoon?

- In het EAB wordt met betrekking tot de procedure in hoger beroep verwezen naar art 322 van de Code of Criminal Procedure of the Republic of Lithuania. De rechtbank zou graag een kopie van de tekst van dit artikel ontvangen.

* In het EAB onderdeel d, tweede volzin, staat de mogelijkheid genoemd dat aan de opgeëiste persoon een garantie kan worden gegeven dat hij een nieuw proces aan kan vragen en aanwezig kan zijn bij de zitting. Dat betreft die gevallen waarin de opgeëiste persoon niet in persoon is gedagvaard of anderszins in persoon is geïnformeerd over de datum en tijdstip van de zitting die heeft geleid tot het verstekvonnis.

- Heeft de rechtbank uit het EAB en uit voornoemde brief van 6 oktober 2006 goed begrepen dat de Litouwse justitiële autoriteit van oordeel is dat er hier geen sprake is van een verstekvonnis zoals genoemd in onderdeel d, tweede volzin en dat derhalve de daar genoemde garantie niet wordt gegeven?

* Voorts zou de rechtbank graag nadere uitleg willen met betrekking tot het volgende:

In het EAB (onder b) staat dat de "Ruling of the Klaipeda County Court of 10-09-2001 was amended by the Ruling of the Klaipeda County Court of 6 januari 2005.

- Kunt U nader uitleggen wat dit amendement inhield?

* Tenslotte zou de rechtbank graag nadere informatie willen ontvangen met betrekking tot het type vuurwapen dat bij [opgeëiste persoon] is aangetroffen, nu de rechtbank ten aanzien van dit feit dient te toetsen of dit feit naar Nederlands recht strafbaar is en of op dit feit een gevangenisstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden staat.

Naar aanleiding van deze vragen is bij brief van 7 december 2006 informatie ontvangen van de autoriteiten van Litouwen.

De behandeling ter zitting is vervolgens hervat op 8 december 2006, waarbij de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman zijn gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Litouwse taal.

De rechtbank heeft de termijn als bedoeld in artikel 22, lid 1 van de OLW op grond van artikel 22, lid 4 OLW verlengd voor onbepaalde tijd in verband met de bijzondere omstandigheid dat door de druk bezette agenda van de Internationale Rechtshulpkamer een eerdere behandeling van het EAB niet mogelijk was. Gelet hierop heeft de rechtbank de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met ingang van 8 december 2006 geschorst, onder voorwaarden die afzonderlijk zijn geminuteerd.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een Ruling van de Klaipeda County Court van 10 september 2001 ten grondslag.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging op het grondgebied van de uitvaardigende staat van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaren. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemde beslissing.

Deze beslissing betreft de feiten zoals die zijn omschreven in een door de griffier gewaarmerkte en als bijlage aan deze uitspraak gehechte fotokopie van onderdeel e) van het EAB.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn, dat hij niet de Nederlandse, maar de Litouwse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

4.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft één van de feiten aangeduid als feit waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat uit de meegezonden wetsartikelen niet blijkt dat het aanwezig hebben van ‘poppies’, strafbaar is in Litouwen. Deze onduidelijkheid kan worden weggenomen als de Litouwse autoriteiten een bepaling of een lijst overleggen waaruit een en ander kan blijken. Op die wijze wordt voldaan aan het vereiste van artikel 2, tweede lid, onder d, van de OLW.

De officier van justitie verzet zich tegen toevoeging van een dergelijke lijst aan de stukken. De wetsartikelen ten aanzien van de handel in verdovende middelen en de strafbaarstelling zijn overgelegd en dat is voldoende. De rechtbank mag de gekwalificeerde dubbele strafbaarheid niet beoordelen nu het hier een zogenaamd ‘lijstfeit’ betreft.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt daartoe het volgende.

Het vertrouwensbeginsel brengt mee dat er vanuit gegaan mag worden dat een staat geen overlevering vraagt indien daar geen rechtsgrond voor bestaat. Anders gezegd mag er dus vanuit gegaan worden dat de in de feitomschrijving beschreven handeling naar het recht van de uitvaardigende staat een strafbaar feit oplevert. De rechtbank dient slechts te onderzoeken of de uitvaardigende lidstaat in redelijkheid het feit onder één van de categorieën heeft gebracht. Daarvoor zijn de meegezonden wettelijke bepalingen voldoende.

Uitgaande van het recht van de uitvaardigende lidstaat, zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen, heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen.

Het feit valt onder nummer 5 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Op dit feit is bovendien naar het recht van Litouwen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

4.2 Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

Het andere feit is zowel naar het recht van Litouwen als naar Nederlands recht strafbaar.

Op dit feit is, voor wat het vuurwapen betreft, in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden gesteld.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

De maximaal op te leggen vrijheidsstraf ten aanzien van de munitie voldoet niet aan het strafmaximum van tenminste 12 maanden, zodat voor dit feit de overlevering dient te worden geweigerd.

5. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen niet schuldig te zijn.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan deze feiten, is niet gebleken.

6. Verweren

De raadsman blijft bij het standpunt dat de opgeëiste persoon niet dient te worden overgeleverd, nu de antwoorden die bij brief van 7 december 2006 door de autoriteiten van Litouwen zijn gegeven lijnrecht tegenover de verklaring van de opgeëiste persoon staan. Hij verzoekt de rechtbank subsidiair de behandeling aan te houden om de autoriteiten van Litouwen het bewijs te laten leveren van een betekening in persoon.

De rechtbank overweegt het volgende.

Uit voornoemde brief blijkt dat de appeldagvaarding met betrekking tot de opgeëiste persoon

“was delivered to him personally”. De Litouwse autoriteiten stellen dat de opgeëiste persoon hierdoor op de hoogte moet zijn geweest van de plaats, datum en tijdstip van de behandeling van het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep.

De rechtbank heeft geen aanleiding om aan deze, door de Litouwse autoriteiten verstrekte informatie te twijfelen en acht het niet noodzakelijk om, zoals de raadsman heeft verzocht, de Litouwse autoriteiten uit te nodigen het bewijs van deze betekening in persoon te leveren. Daarbij betrekt de rechtbank dat de opgeëiste persoon ter zitting van 7 november 2006 heeft verklaard dat hij 3 weken na de uitspraak in eerste instantie uit Litouwen is vertrokken en de betekeningdatum van 29 juni 2006 binnen deze periode valt. Naar het oordeel van de rechtbank is aldus geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 12 OLW.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

6. Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

7. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie;

Artikelen 2, 5, 7 en 12 van de Overleveringswet.

8. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Vice Minister of Justice te Vilnius ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van Litouwen wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, met uitzondering van het feit ten aanzien van de munitie.

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Vice Minister of Justice te Vilnius ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van Litouwen wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, voor zover het het bezit van munitie betreft.

Aldus gedaan door

mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzit¬ter,

mrs. A.R.P.J. Davids en A.I. van der Kris, rech¬ters,

in tegenwoordigheid van mr. M.B. Weber, grif¬fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 22 december 2006.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Ik kon op de lijst bij het verdrag Opium of papaver niet terugvinden. Iemand van jullie wel?

We kunnen ook een algemene zin erin zetten in de trant van:

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het aanmerken van “Poppies” als ‘narcotic substances’ niet onbegrijpelijk is, nu dit begrip in het de Nederlands kan worden vertaald als papaver/opium.