Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:BD3838

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-10-2006
Datum publicatie
12-06-2008
Zaaknummer
13.497.373-2006
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

IRK; EAB; bescherming van art. 6 OLW geldt voor vreemdeling met verblijfsvergunning voor onbepaalde termijn alleen als Nederland rechtsmacht heeft voor feit dat aan EAB ten grondslag ligt; art. 16 Vluchtelingenverdrag omvat niet mede een recht op de garantie als bedoeld in art. 6 lid 1 OLW; ne bis in idem.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497373-2006

RK nummer: 06/2480

Datum uitspraak: 20 oktober 2006

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 19 juni 2006 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 19 april 2006 door de justitiële autoriteit, de hoofdofficier van justitie (Leitender Oberstaatsanwalt) bij het Openbaar Ministerie te Aurich (Duitsland). Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (voormalig Joegoslavië) op [geboortedatum] 1980,

wonende op het adres [adres],

thans uit anderen hoofde gede¬tineerd in de Penitentiaire Inrichting ‘Flevoland’,

Huis van Bewaring ‘Almere Binnen’ te Almere,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 6 oktober 2006. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht, gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Servokroatische taal.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een arrestatiebevel (‘bevel tot voorarrest’) ten grondslag, uitgevaardigd door het Landgericht Aurich en gedateerd 12 april 2006 (nummer 11 KLs 7/06 – 112 Js 20302/05)

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul¬dig heeft gemaakt aan een naar het recht van Duitsland strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn, dat hij niet de Nederlandse, maar de Servokroatische nationaliteit heeft en dat hij een Nederlandse verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd heeft. De opgeëiste persoon heeft bovendien verklaard in Nederland toegelaten te zijn als asielzoeker en niet over enig paspoort te beschikken.

4. Strafbaarheid

4.1 Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van het recht van de uitvaardigende lidstaat - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen - heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. Het feit valt onder nummer 18 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

georganiseerde of gewapende diefstal.

Op dit feit is bovendien naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan het feit. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan dit feit, is niet gebleken.

6. Artikel 6 OLW

De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon recht heeft op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid van de OLW. Nu de opgeëiste persoon beschikt over een verblijfsvergunning voor onbepaalde termijn, dient hij in dit opzicht gelijk gesteld te worden met een Nederlander. De raadsman heeft een beroep gedaan op het gestelde in artikel 6, vijfde lid, van de OLW. Indien de garantie niet wordt gegeven, dient de overlevering geweigerd te worden, aldus de raadsman.

De raadsman heeft tenslotte een beroep gedaan op artikel 16 van het Vluchtelingenverdrag en er op aangedrongen dat de opgeëiste persoon wordt behandeld als ware hij een Nederlander met recht op een terugkeergarantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid van de OLW.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

De bescherming van de garantie als bedoeld in het eerste lid van artikel 6 OLW kan alleen worden geboden aan een vreemdeling die over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd beschikt, indien de vreemdeling in Nederland kan worden vervolgd voor het feit dat aan het EAB ten grondslag ligt.

Nu het feit waarvan de opgeëiste persoon in Duitsland wordt verdacht, geheel gepleegd is in Duitsland, ontbeert Nederland rechtsmacht; de in artikel 4 van het Wetboek van Strafrecht genoemde gevallen doen zich hier niet voor. Artikel 16 van het Vluchtelingenverdrag ziet, kort gezegd, op de gelijke behandeling van een vluchteling met een Nederlander wat betreft rechtsingang. Naar het oordeel van de rechtbank moet onder het recht op rechtsingang in dat artikel niet mede een recht op de in artikel 6, eerste lid van de OLW, bedoelde garantie worden begrepen zodat het beroep wordt verworpen.

7. Verweren

7.1 De raadsman heeft een beroep gedaan op de weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid onder a OLW.

De opgeëiste persoon is bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Haarlem

d.d. 24 april 2004 wegens een reeks delicten veroordeeld tot een vrijheidsstraf. Van dit vonnis is de opgeëiste persoon in beroep gegaan. Enkele pagina's van het vonnis zijn aan de rechtbank overgelegd. Hij heeft gesteld dat de feiten die ten grondslag liggen aan het EAB onderdeel uitmaken van het Nederlandse strafonderzoek. In verband hiermee verzetten de beginselen van goede proces-orde, te weten het ne bis in idem-beginsel, zich tegen overlevering, aldus de raadsman.

Uit de stukken blijkt dat de opgeëiste persoon niet in Nederland is of wordt vervolgd ten aanzien van het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, in casu het medeplegen van de overval op m[slachtoffer] in de nacht van 30 juli 2005 te Uplengen, Duitsland.

De rechtbank is van oordeel dat het verweer feitelijke grondslag ontbeert. Het verweer faalt derhalve.

7.2 De raadsman heeft een beroep gedaan op het Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging (EVOS) en artikel 4a van het Wetboek van Strafrecht en er voor gepleit dat Nederland de strafvervolging van de opgeëiste persoon overneemt.. Dit beroep faalt. Genoemd verdrag en artikel regelen de mogelijkheid om op staatsniveau een strafvervolging over te dragen en de daaropvolgende toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet, maar bieden de opgeeiste persoon zelf geen aanspraak op de daar bedoelde overname door Nederland van een door een vreemde staat ingestelde strafvervolging.

8. Verzoek aanhouding

Tenslotte heeft de raadsman verzocht het onderzoek aan te houden teneinde de stukken die betrekking hebben op de voorlopige hechtenis van de opgeëiste persoon in de Haarlemse strafzaak, aan het overleveringsdossier te laten toevoegen. Deze stukken zouden het onder 7.1 gevoerde verweer kunnen staven.

De rechtbank wijst dit verzoek af. Het is niet aannemelijk geworden dat kennisname van bedoelde stukken tot een ander oordeel ten aanzien van het gevoerde verweer zouden kunnen leiden.

9. Slotsom

Nu ten aanzien van het feit waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

9. Toepasselijke wetsartikelen

de artikelen 2, 5, en 7 van de Overleveringswet.

10. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de hoofdofficier van justitie bij het Openbaar Ministerie te Aurich (Duitsland) ten behoeve van het in Duitsland tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzitter,

mrs. P.B. Martens en A.R.P.J. Davids, rechters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 20 oktober 2006.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.