Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:BD2943

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-03-2006
Datum publicatie
02-06-2008
Zaaknummer
13.497.557-2005
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

EAB Duitsland.

Verwerping verweer met betrekking tot artikel 6, vijfde lid van de OLW.

Het ontbreken van een terugkeergarantie in het onderhavige geval is geen discriminatie, noch zoals bedoeld in artikel 12 van het EG-verdrag, noch zoals bedoeld in artikel 1 van het Protocol.

Verwerping verweer met betrekking tot artikel 13 van de OLW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.557-2005

RK nummer: 06/74

Datum uitspraak: 17 maart 2006

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 15 december 2005 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 24 oktober 2005 door de hoofdofficier van justitie te Augsburg (Duitsland). Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

Bobby AKHIGBE

geboren te Benin City (Nigeria) op 15 april 1972,

wonende: Rapenburgerschans 6, 3432 TP Nieuwegein,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 10 februari 2006. Vervolgens heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 24 februari 2006 de officier van justitie in de gelegenheid gesteld om nader onderzoek te laten verrichten door de Immigratie- en Naturalisatiedienst en de behandeling van de zaak aangehouden tot de zitting van 3 maart 2006. Op de zitting zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. J.J.I de Jong, advocaat te Amsterdam gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Engelse taal.

De rechtbank heeft op de zitting van 3 maart 2006 de termijn genoemd in artikel 22, lid 1 Overleveringswet op grond van het bepaalde in artikel 22, lid 4 van de Overleveringswet voor onbepaalde tijd verlengd. De reden daarvoor is gelegen in de omstandigheid dat het zittingsrooster van de rechtbank dusdanig vol is dat zij niet binnen de termijn van 90 dagen uitspraak zal kunnen doen.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

2.1

De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon onrechtmatig is aangehouden en voorts dat de opgeëiste persoon ten onrechte een aantal dagen gedetineerd is geweest, nu was nagelaten hem in verzekering te stellen. Het openbaar ministerie dient dan ook niet ontvankelijk in zijn vordering te worden verklaard. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het EAB niet voldoet aan de in artikel 2 van de OLW gestelde eisen, nu de tekst onder e van het EAB verwarring schept en de pleegdatum genoemd onder feit 5 onvoldoende concreet is om zich tegen te kunnen verdedigen.

De rechtbank overweegt het volgende.

Eventuele onregelmatigheden bij de aanhouding, zoals gesteld door de raadsman, kunnen - ook indien juist – de conclusie dat de officier van justitie in de vordering tot overlevering niet kan worden ontvangen, niet dragen. Het verweer wordt verworpen.

Anders dan de raadsman heeft aangevoerd volgt uit het EAB dat er sprake is van een verzoek van de Duitse justitiële autoriteiten de opgeëiste persoon over te leveren met de bedoeling hem te vervolgen en niet ter executie van een vrijheidsstraf.

De rechtbank acht voorts de tijdsaanduiding in feit 5 onder e van het EAB voldoende duidelijk. De opgeëiste persoon kan daaruit voldoende afleiden voor welke feiten zijn overlevering wordt gevraagd. De rechtbank verwerpt voorts de verweren van de raadsman.

2.2

Aan het EAB ligt een arrestatiebevel van het kantongerecht (Amtsgericht) Augsburg d.d. 21 juni 2005 ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan 5 naar het recht van Duitsland strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn, dat hij niet de Nederlandse, maar de Nigeriaanse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van het recht van de uitvaardigende lidstaat - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen - heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. De feiten vallen onder nummer 20 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

oplichting.

Op deze feiten is bovendien naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

De raadsman heeft voorts gemotiveerd betoogd dat de opgeëiste persoon niet schuldig is aan de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. De raadsman heeft verzocht – wanneer de rechtbank hem niet in zijn onschuldverweer volgt – de zaak aan te houden, teneinde nadere informatie bij de Duitse justitiële autoriteiten op te vragen omtrent de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de feiten.

De rechtbank overweegt het volgende.

Uit de Memorie van Toelichting bij de OLW blijkt nadrukkelijk dat het de bedoeling van de wetgever is dat de onschuld onverwijld tijdens het verhoor dient te worden aangetoond. Voor aanhouding van de zaak teneinde nadere informatie van de Duitse justitiële autoriteiten te verkrijgen biedt de OLW geen ruimte. De verdediging dient verweren ten aanzien van de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de feiten voor de Duitse rechtbank te voeren.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan deze feiten, is dan ook niet gebleken.

6 Verweren

6.1. Verweer met betrekking tot artikel 6, vijfde lid van de OLW.

De raadsman heeft aangevoerd dat artikel 6, vijfde lid van de OLW op de opgeëiste persoon van toepassing is. De opgeëiste persoon heeft namelijk op 19 februari 2006 een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd ingediend. De brief van de Immigratie- en Naturalisatiedienst is onvolledig en onjuist. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de opgeëiste persoon gelijk gesteld dient te worden met een gemeenschapsonderdaan.

De rechtbank overweegt het volgende:

6.2. De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 24 februari 2006 vastgesteld dat – weliswaar in het licht van een beroep op artikel 13 lid 1 van de OLW – door of namens de opgeëiste persoon is gesteld dat hij al bijna tien jaar beschikt over een verblijfsvergunning regulier, dat deze laatstelijk is afgegeven voor bepaalde tijd, dat deze afloopt op 18 november 2006 en derhalve verlengd dient te worden.

6.3. De rechtbank zag zich voorheen al een aantal malen gesteld voor de vraag of de bepaling van artikel 6 lid 5 van de OLW voor een burger van één van de landen van de Europese Unie strijd oplevert met het discriminatieverbod als vervat in artikel 12 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap(verder: het EG-verdrag) open staat.

De rechtbank heeft omtrent dat vraagstuk in eerdere uitspraken overwogen:

“De opgeëiste persoon stelt dat zijn overlevering aan een EU lid-Staat slechts kan worden toegestaan, nadat die Staat met toepassing van artikel 6, eerste tot en met vierde lid van de OLW heeft gegarandeerd dat hij, na veroordeling tot een vrijheidsbenemende straf, zal worden teruggebracht naar Nederland, waar zijn straf naar hier geldende maatstaven zal worden omgezet in een Nederlandse straf. Aangevoerd is dat het recht van de opgeëiste persoon op gelijke behandeling met Nederlandse staatsburgers wordt geschonden indien zijn overlevering aan die lid-Staat zou worden toegestaan, zonder dat van die Staat een garantie, als hiervoor bedoeld, wordt verlangd. De opgeëiste persoon baseert dit verweer op de omstandigheid dat hem een beroep op artikel 12 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG-Verdrag) toekomt.

Artikel 12 van het EG-Verdrag bepaalt, voor zover hier van belang, dat elke discriminatie op grond van nationaliteit binnen de werkingssfeer van dit verdrag verboden is.

Bij een verweer als het onderhavige ziet de rechtbank zich in beginsel geconfronteerd met de volgende vier hoofdvragen:

1. Valt de opgeëiste persoon binnen de personele werkingssfeer van het EG-verdrag?

2. Valt de regeling van artikel 6, lid 1 tot en met lid 4 van de OLW (hierna: terugkeergarantie) binnen de materiële werkingssfeer van het EG-verdrag?

3. Is er sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen op grond van nationaliteit?

4. Bestaat een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor deze ongelijke behandeling?

De rechtbank is van oordeel dat zelfs indien de eerste drie vragen in het onderhavige geval bevestigend zouden worden beantwoord – de rechtbank laat dit in het midden – er een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling kan bestaan en overweegt daartoe als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank is de terugkeergarantie onder meer bedoeld ter resocialisatie in Nederland na een veroordeling in het buitenland, met het oog op terugkeer in de Nederlandse maatschappij. Dit doel van de regeling leidt de rechtbank onder andere af uit het vijfde lid van artikel 6 van de OLW en de toelichting daarop. Artikel 6 vijfde lid OLW bepaalt dat de regeling van artikel 6, lid 1 tot en met lid 4, van de OLW eveneens geldt voor een vreemdeling die aan drie voorwaarden voldoet. Ten eerste moet hij in Nederland vervolgd kunnen worden voor de feiten welke aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen. Ten tweede moet ten aanzien van hem de verwachting bestaan dat hij niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. Ten derde moet hij een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd hebben.

De eerste voorwaarde, dat de vreemdeling in Nederland vervolgd kan worden voor de feiten waarvoor zijn overlevering wordt gezocht, heeft tot doel te waarborgen dat als een opgeëiste persoon met terugkeergarantie naar Nederland wordt teruggebracht zijn in het buitenland opgelegde straf ook daadwerkelijk kan worden omgezet in een Nederlandse straf en dient daarnaast om het mogelijk te maken dat indien de terugkeergarantie niet wordt verleend en de overlevering wordt geweigerd de opgeëiste persoon in Nederland vervolgd kan worden. Er is derhalve een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het stellen van deze voorwaarde gelet op het doel van de regeling en gelet op het feit dat dit voor Nederlanders ingevolge artikel 5 van het Wetboek van Strafrecht vrijwel altijd het geval is.

De tweede voorwaarde, dat een opgeëiste persoon naar verwachting niet zijn recht op voortgezet verblijf zal verliezen, brengt tot uitdrukking dat de opgeëiste persoon een toekomst in Nederland moet hebben. De regeling is bedoeld voor personen die na de executie van de hun in het buitenland opgelegde straf Nederland niet hoeven te verlaten en daarom recht hebben op resocialisatie in de Nederlands samenleving. Met andere woorden de regeling is niet bedoeld voor personen die onvoldoende perspectief hebben op een toekomst in de Nederlandse samenleving. Er is derhalve gelet op het doel van de regeling een objectieve en redelijke rechtvaardiging om personen, die wel rechtmatig in Nederland verblijven maar die geen toekomst in de Nederlands samenleving hebben met betrekking tot de terugkeergarantie anders te behandelen dan Nederlanders.

Met betrekking tot de derde voorwaarde, dat de vreemdeling een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd moet hebben, is de rechtbank van oordeel dat het enkele ontbreken van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd niet in de weg hoeft te staan aan het hebben van een perspectief op een toekomst in de Nederlandse samenleving. Of een vreemdeling zicht heeft op een toekomst in de Nederlandse samenleving moet beoordeeld worden aan de hand van alle omstandigheden die de vreemdeling betreffen. Voor het stellen van deze voorwaarde bestaat naar het oordeel van de rechtbank in beginsel geen objectieve en redelijke rechtvaardiging.

6.4. Nu is de opgeëiste persoon geen EU-onderdaan en heeft hij ook geen beroep op artikel 12 van het EG-verdrag gedaan, noch rechtstreeks, noch als zogenaamd “Derde-lander”. Daar staat tegenover dat een discriminatie-verbod als in het EG-verdrag bedoeld niet slechts vast ligt in dat verdrag maar – bijvoorbeeld – ook in artikel 1 van het Protocol nr.12 bij het verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) (verder: het Protocol). De rechtbank is van oordeel dat voor de opgeëiste persoon in beginsel een beroep op artikel 1 van het Protocol openstaat.

6.5. De rechtbank zal vervolgens beoordelen of in het individuele geval sprake is van schending van het discriminatieverbod als bedoeld in artikel 1 van het Protocol en zich daarbij opnieuw moeten afvragen of, indien kan worden gesproken van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen op grond van nationaliteit, er een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat voor deze ongelijke behandeling.

6.5.1. De rechtbank komt hier tot dezelfde beantwoording als hiervoor in het kader van artikel 12 van het EG-Verdrag, namelijk dat voor de eerste twee voorwaarden als gesteld in artikel 6 lid 5 van de OLW een objectieve en redelijke rechtvaardiging is en dat alleen voor het stellen van de voorwaarde dat de vreemdeling dient te beschikken over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op de hierboven cursief weergeven gronden in beginsel geen – zelfstandige - objectieve en redelijke rechtvaardiging is.

6.6. Aangezien de rechtbank ten tijde van de tussenuitspraak over onvoldoende informatie beschikte om tot een uiteindelijk oordeel ten deze te komen heeft ze bij tussenuitspraak de officier van justitie in de gelegenheid gesteld onderzoek door de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND) te laten verrichten naar de verblijfsgeschiedenis van de opgeëiste persoon en de vraag of hij zijn recht op verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering naar Duitsland opgelegde straf of maatregel.

De IND heeft bij brief van 27 februari 2006 geantwoord dat ten aanzien van de opgeëiste persoon te gelden heeft dat een veroordeling, omgerekend naar Nederlandse strafmaat, van negen maanden voldoende is om verder verblijf van betrokkene te weigeren en hem ongewenst te verklaren, nu de opgeëiste persoon pas sedert 21 december 1999 rechtmatig verblijf in Nederland heeft en de feiten waarvoor overlevering is gevraagd zijn gepleegd in de periode van november 2001 tot en met januari 2003.

6.7. De rechtbank zal thans de vraag beantwoorden of het voor deze opgeëiste persoon gerechtvaardigd is hem ten aanzien van een terugkeergarantie anders te behandelen dan een Nederlander. Daarbij wordt overwogen dat de tekst van artikel 6 lid 5 OLW spreekt van “een verwachting”.

6.7.1. De opgeëiste persoon voldoet aan de voorwaarde dat Nederland rechtsmacht heeft voor de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, nu de feiten waarvoor zijn overlevering wordt gevraagd deels in Nederland hebben plaatsgevonden.

De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of de opgeëiste persoon, na zijn eventuele detentie, voldoende perspectief heeft op een toekomst in de Nederlandse samenleving. De rechtbank baseert haar oordeel mede op eerdergenoemde brief van de IND.

6.7.2. De opgeëiste persoon wordt in Duitsland verdacht van oplichting. Als hij daarvoor in Duitsland wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, is het niet onaannemelijk dat deze straf van aanzienlijke duur zal zijn. De rechtbank is, mede in overweging nemend wat tijdens de terechtzitting over de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon is verklaard, van oordeel dat de opgeëiste persoon onvoldoende zicht heeft op een toekomst in de Nederlandse samenleving, zodat het gerechtvaardigd is hem ten aanzien van een terugkeergarantie anders te behandelen dan een Nederlander.

6.8. Door of namens de opgeëiste persoon is weliswaar tevens betoogd dat overlevering strijd zou opleveren met artikel 8 EVRM, doch nu deze stelling onvoldoende feitelijk is onderbouwd, zal de rechtbank aan deze mogelijkheid voorbij gaan.

6.9. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het ontbreken van een terugkeergarantie in het onderhavige geval geen discriminatie is, noch zoals bedoeld in artikel 12 van het EG-verdrag, noch zoals bedoeld in artikel 1 van het Protocol.

6.10. Verweer met betrekking tot artikel 13 van de OLW.

De raadsman heeft aangevoerd dat de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd gedeeltelijk op Nederlands grondgebied zijn gepleegd en dat de overlevering derhalve niet kan worden toegestaan. In dit kader heeft de raadsman aangevoerd dat de opgeëiste persoon in Nederland een vier-jarig dochtertje heeft dat hij elk weekend ziet. Overlevering zou een schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) opleveren. Subsidiair voert de raadsman aan dat de zaak dient te worden aangehouden, teneinde meer zicht te krijgen op de periode en wijze waarop de opgeëiste persoon in Duitsland zijn detentie zal moeten ondergaan.

De rechtbank overweegt het volgende.

Uit het dossier blijkt dat de feiten bedoeld onder 4. waarvoor de Duitse justitiële autoriteiten de opgeëiste persoon willen vervolgen gedeeltelijk in Nederland zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid onder a van de Overleveringswet verbiedt in dit geval de overlevering voor dit feit.

Op grond van het tweede lid van genoemd artikel heeft de officier van justitie gevorderd dat om redenen van goede rechtsbedeling dient te worden afgezien van bedoelde weigeringsgrond.

Hij heeft daartoe de volgende argumenten aangevoerd.

Enerzijds blijkt dat de opgeëiste persoon in Nederland woonachtig is, hier familie heeft en (soms) werkt, dan wel gewerkt heeft, en hier een verblijfstitel heeft.

Anderzijds blijkt uit dit Europese Aanhoudingsbevel en de daarop betrekking hebbende stukken dat

1. de feiten waarop het Europees Aanhoudingsbevel ziet zich slechts gedeeltelijk op Nederlands grondgebied hebben afgespeeld;

2. dat de opsporing en vervolging van de feiten in Duitsland zijn aangevangen;

3. dat een medeverdachte in Duitsland werd aangehouden en zich thans in Duitsland in voorlopige hechtenis bevindt, voorts dat een andere medeverdachte in Duitsland reeds voor deze feiten is veroordeeld;

4. dat met betrekking tot dit Europees Aanhoudingsbevel in Duitsland de bewijsmiddelen voorhanden zijn;

5. dat de door de opgeëiste persoon benadeelde bedrijven in Duitsland gevestigd zijn, hetgeen eveneens een argument vormt voor de conclusie dat het zwaartepunt van de schending van de rechtsorde vanwege de schadelijke gevolgen van het strafbare feit vooral buiten Nederland ligt.

Het bovenstaande brengt de officier van justitie tot het oordeel dat bij afweging van het belang dat de opgeëiste persoon heeft bij een berechting in Nederland en het belang dat de verzoekende staat heeft bij zijn berechting aldaar, het belang van de verzoekende staat dient te prevaleren.

De rechtbank is van oordeel dat gezien de door de officier van justitie aangevoerde gronden hij in redelijkheid tot deze vordering heeft kunnen komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13 Overleveringswet bedoelde weigeringsgrond.

De rechtbank verwerpt aldus het door de raadsman aangevoerde verweer. Ook het subsidiair door de raadsman aangevoerde verweer wordt in dat kader verworpen.

7. Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

8. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikelen 2, 5, 7, en 13 van de OLW.

9. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van AKHIGBE aan de hoofdofficier van justitie te Augsburg ten behoeve van het in Duitsland tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. J.M.J. Lommen-van Alphen voorzitter,

mrs A.J.R.M. Vermolen en J.L. Hillenius, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. W.J.A. van der Velde grif¬fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 17 maart 2006.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.