Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:BD2936

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-10-2006
Datum publicatie
02-06-2008
Zaaknummer
13.497.258.2004
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, nu er sprake is van een dusdanig grove veronachtzaming van de belangen van de opgeëiste persoon dat tekort is gedaan aan zijn recht op een behoorlijke behandeling van de zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.258.2004

RK nummer: 06/3389

Datum uitspraak: 17 oktober 2006

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 21 augustus 2006 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 9 september 2004 door de justitiële autoriteit, de Leitende Staatsanwalt bij de Staatsanwaltschaft te Osnabrück (Bondsrepubliek Duitsland). Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

[adres],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 3 oktober 2006. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. E.J. de Mare, advocaat te Groningen gehoord.

De rechtbank heeft op die zitting de termijn genoemd in artikel 22, lid 1 Overleveringswet op grond van het bepaalde in artikel 22, lid 3 van de Overleveringswet met onbepaalde tijd verlengd. De reden daarvoor is gelegen in de omstandigheid dat het openbaar ministerie 2 jaar na ontvangst van het EAB een vordering heeft ingediend, zodat de rechtbank niet binnen de termijn van 90 dagen uitspraak zal kunnen doen. Voorts heeft de rechtbank, alvorens het onderzoek ter terechtzitting te sluiten, de vordering tot gevangenhouding van de opgeëiste persoon afgewezen, nu niet gebleken is van enig vluchtgevaar

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een bevel tot voorlopige hechtenis van 23 juni 2004 (ref.: 24665152/04) van het Amtsgericht te Osnabrück ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan tien naar het recht van Duitsland strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

3. Ontvankelijkheid officier van justitie

Standpunt van de opgeëiste persoon:

De raadsman heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering ex artikel 23 van de OLW, omdat sprake is van de uitzonderlijke situatie dat het EAB dateert van 9 september 2004 en ook op die dag door het parket is ontvangen en dat de zaak nu pas - twee jaar later - op zitting behandeld wordt. De opgeëiste persoon heeft gedurende een periode van ruim twee jaar in onzekerheid verkeerd over wat er nu met deze zaak zou gebeuren. De opgeëiste persoon was buitengewoon verrast toen hij een aantal weken geleden vernam dat het EAB op 3 oktober 2006 ter zitting behandeld zou worden. Het parket heeft gedurende een periode van ruim twee jaar niets ondernomen.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat er onduidelijkheid is over de vraag of de overlevering ziet op feiten waarvoor de opgeëiste persoon reeds geheel of gedeeltelijk is veroordeeld en over de vraag of een mogelijke executie van de nog openstaande straf van 600 dagen detentie opgelegd bij vonnis van 19 november 2001 van het Amtsgericht te Osnabrück nog in het verschiet ligt. Dit zou strijdig kunnen zijn met artikel 6, tweede lid van de OLW.

Verder heeft de raadsman aangevoerd dat er humanitaire redenen zijn om niet tot overlevering van de opgeëiste persoon over te gaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zitting verklaard dat na ontvangst van het EAB het dossier van de opgeëiste persoon in behandeling is genomen door een medewerker die vervolgens het parket heeft verlaten. Het dossier is toen overgedragen aan een niet ervaren medewerker. Na het vertrek van die medewerker bij het parket is het dossier in de kast blijven liggen. Na anderhalf jaar is het dossier weer in behandeling genomen en heeft het parket de Duitse justitiële autoriteiten gevraagd of zij de overlevering van de opgeëiste persoon naar aanleiding van het EAB nog wensten. Zij gaven aan hierbij nog steeds belang te hebben. De officier van justitie heeft voorts verklaard dat hij zich op het standpunt stelt dat de OLW geen sanctie stelt op overtreding van de termijn zoals die genoemd wordt in het tweede lid van artikel 23 van de OLW. Er is voorts geen sprake van een grove veronachtzaming van de belangen van de opgeëiste persoon zodat er ook in zoverre geen (ontvankelijkheids)-beletselen bestaan.

De gevolgen voor de thuissituatie van de echtgenote bij overlevering van de opgeëiste persoon, spelen geen rol bij de beoordeling van de overlevering.

De officier van justitie heeft voorts verklaard dat wanneer de gezondheid van de opgeëiste persoon het niet toelaat op korte termijn tot overlevering over te gaan, artikel 35 van de OLW het openbaar ministerie de mogelijkheid biedt de feitelijke overlevering van de opgeëiste persoon op een later moment te laten plaatsvinden. Een eventueel onderzoek naar de detentiegeschiktheid van de opgeëiste persoon dient in Duitsland uitgevoerd te worden. Verder heeft de officier van justitie verklaard dat de artikelen 11 en 13 van de OLW niet van toepassing zijn.

De rechtbank overweegt het volgende.

De opgeëiste persoon is op basis van de Uitleveringswet op 16 augustus 2004 voorlopig aangehouden, in verzekering gesteld en vervolgens in bewaring gesteld.

De rechter-commissaris heeft op dezelfde dag de inbewaringstelling geschorst.

Het EAB, gedateerd 9 september 2004, is op 9 september 2004 door het parket per fax ontvangen.

Bij brief van de Staatsanwalt bij de Staatsanwaltschaft te Osnabrück van 15 september 2004 is het EAB nader aangevuld.

Op 21 augustus 2006 vordert de officier van justitie het in behandeling nemen van het EAB ex artikel 23 van de OLW.

Naar aanleiding van een schrijven van het IRC Amsterdam van 21 augustus 2006 heeft de Oberstaatsanwalt bij de Staatsanwaltschaft te Osnabrück bij brief van 29 augustus 2006 een nadere omschrijving van de feiten gegeven en een schriftelijke verklaring, gedateerd 19 augustus 2004, inhoudende een aantal artikelen uit het Duitse Wetboek van Strafrecht verstrekt.

Uit het uittreksel Justitiële documentatie d.d. 4 augustus 2004 betreffende de opgeëiste persoon blijkt dat hij op 19 november 2001 door het Amtsgericht te Osnabrück voor 6 gevallen van Steuerverkürzung tot een gevangenisstraf van 600 dagen en een geldboete van 100 DM is veroordeeld. Ter zitting heeft de officier van justitie verklaard ervan uit te gaan dat de feiten waarvoor thans de overlevering wordt gevraagd niet dezelfde zijn als die waarvoor de opgeëiste persoon in 2001 in Duitsland is veroordeeld. De registratienummers komen niet met elkaar overeen en in het EAB gaat het om 10 feiten terwijl het in de zaak waarvoor de opgeëiste persoon reeds is veroordeeld gaat om 6 feiten. De rechtbank is van oordeel dat met de enkele vaststelling dat sprake is van een ander aantal feiten en een verschil in registratienummers nog niet onomstotelijk komt vast te staan dat bedoelde veroordeling niet ziet op in ieder geval een deel van de feiten waarvoor thans overlevering wordt gevraagd.

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat hij sedert het moment waarop hij in het kader van de Uitleveringswet is aangehouden in grote onzekerheid heeft geleefd. Een aantal weken geleden bleek dat er een vordering ex artikel 23 OLW werd gedaan. De rechtbank acht het aannemelijk dat de opgeëiste persoon - hoewel de wettelijke regeling daar geen aanleiding toe geeft - door het lange tijdsverloop de hoop heeft opgevat dat het met de gevraagde overlevering niet zo’n vaart zou lopen, met alle gevolgen van dien op zijn geestelijke gezondheid en stabiliteit. Hoewel dit belang hier niet wordt beschermd door artikel 6 EVRM nu dit artikel niet van toepassing is op de overleveringsprocedure betreft het hier wel een belang dat door de officier van justitie dient te worden gewogen in de snelheid van haar handelen.

De opgeëiste persoon heeft voorts zijn eerder verklaring uit 2004 een slechte gezondheid te hebben, aangevuld met de navolgende informatie:

Hij moet regelmatig voor specialistenbezoek naar het ziekenhuis en slikt medicijnen. Hij is in de zomer van 2006 op zijn hoofd gevallen, als gevolg waarvan hij last van duizelingen heeft.

Een en ander is door de opgeëiste persoon nader onderbouwd en geconcretiseerd middels overlegging van een brief van [internist], internist bij het [ziekenhuis]. Daaruit blijkt dat de opgeëiste persoon in het verleden een paar keer een TIA heeft gehad, dat hij sinds 1999 diabetes mellitus heeft en dat hij vanaf 1995 bekend is met status na darmkanker, waar hij overigens op dit moment van is genezen. Bij de complicaties van de diabetes heeft de opgeëiste persoon in ieder geval hypertensie. Samen met de lichte beroertes die hij in het verleden heeft gehad, denkt de internist niet dat de opgeëiste persoon in staat is in de gevangenis te overleven. Zijn vrouw is gezondheidstechnisch is erg zwak. Wanneer de vrouw alleen komt te staan, zal zij vrij snel in een verpleeghuis terechtkomen.

[internist] concludeert dat

1. het belangrijkste op dit moment de diabetes mellitus met complicaties in de vorm van hoge bloeddruk en eiwitverlies vanuit de nieren is;

2. de opgeëiste persoon in het verleden een grote operatie in verband met darmkanker heeft ondergaan, waarvan hij is genezen;

3. er sprake is van vaatlijden zich uitend in lichte beroertes in het verleden, waar de opgeëiste persoon geen restverschijnselen van heeft, maar dat dit voldoende is om zijn gezondheid zwakker te noemen.

Artikel 23, tweede lid, van de OLW, vereist dat de officier van justitie uiterlijk op de derde dag na de ontvangst van het EAB schriftelijk vordert dat de rechtbank het EAB in behandeling zal nemen. In casu is het EAB op 9 september 2004 op het parket ontvangen en is de vordering van de officier van justitie op 21 augustus 2006 ingediend. Er is derhalve sprake van een tijdsverloop van bijna twee jaar. De rechtbank is nog niet eerder met een termijn overschrijding van deze omvang geconfronteerd. De officier van justitie heeft de in de wet genoemde termijn derhalve in zeer extreme mate overschreden.

De wet stelt geen concrete sanctie op overschrijding van die termijn.

Vervolgens dient te worden onderzocht of sprake is van ernstige schending van beginselen van een goede procesorde waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de opgeëiste persoon wordt tekort gedaan aan zijn recht op een behoorlijke behandeling van de zaak.

Blijkens de verklaring ter terechtzitting van de officier van justitie is er gedurende de eerste anderhalf jaar niets gebeurd met deze zaak. Toen dat eenmaal werd opgemerkt heeft het vervolgens nog eens zes maanden geduurd voordat een vordering tot het in behandeling nemen van het EAB werd ingediend.

In die periode is niet veel meer gebeurd dan dat aan de verzoekende justitiële autoriteiten is gevraagd of men het EAB wenste te handhaven.

Van verder onderzoek naar uit het dossier naar voren komende vraagpunten is niet gebleken. Zo is geen onderzoek verricht naar de gezondheid van de - inmiddels 80-jarige - opgeëiste persoon, hoewel daartoe, gezien zijn eerdere verklaring bij de rechter-commissaris te Groningen in augustus 2004, aanleiding was. De ter terechtzitting namens de opgeëiste persoon ingebrachte informatie geeft een zeer alarmerend beeld van zowel de gezondheid van hemzelf als die van zijn echtgenote, terwijl daarin ook nog de zorg wordt uitgesproken dat de echtgenote, als de opgeëiste persoon voor langere tijd niet in staat zou zijn de zorg voor haar te dragen, zij vrij snel in een verpleegtehuis terecht zal komen. Evenmin heeft onderzoek plaats gevonden naar de detentiegeschiktheid van de opgeëiste persoon hoewel daar gelet op zowel diens leeftijd als zijn bovenbedoelde verklaring omtrent zijn gezondheid alle aanleiding toe was.

Voorts heeft geen of onvoldoende onderzoek plaatsgevonden naar de vraag of de veroordeling van de opgeëiste persoon door het Amtsgericht te Osnabrück van 19 november 2001 voor 6 gevallen van Steuerverkürzung geheel of gedeeltelijk ziet op (een deel van) de feiten waarvoor thans overlevering wordt gevraagd, hoewel de opgeëiste persoon althans zijn raadsman daar tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris in Groningen in 2004 wel aandacht voor heeft gevraagd.

Er is derhalve niet alleen sprake van een extreem lang tijdsverloop, maar ook van een situatie waarin vrijwel geen activiteiten van de zijde van de officier van justitie zijn ontwikkeld om er tenminste voor te zorgen dat de zaak zo snel mogelijk nadat men wist dat de zaak was blijven liggen aan de rechter zou worden voorgelegd en het dossier dusdanig compleet zou zijn dat geen ruimte was voor enige - voorzienbare - onduidelijkheid. Dat alles valt binnen de verantwoordelijkheid van de officier van justitie. Veel van de boven beschreven onzekerheden omtrent de gezondheid van de opgeeiste persoon en de eerdere veroordeling raken aan de belangen van de opgeëiste persoon.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat weliswaar niet kan worden gesproken van een doelbewust handelen, maar wel van een dusdanig grove veronachtzaming van de belangen van de opgeëiste persoon dat tekort is gedaan aan zijn recht op een behoorlijke behandeling van de zaak.

Het voorgaande overziende komt de rechtbank tot het oordeel dat, het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

4. Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 van de OLW.

5. Beslissing

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn vordering tot het in behandeling nemen van voornoemd EAB.

Aldus gedaan door

mr. A.J.R.M. Vemolen, voorzitter,

mrs. C. Klomp en B.M. Vroom-Cramer rechters,

in tegenwoordigheid van W.J.A. van der Velde, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 17 oktober 2006.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.