Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:BA1500

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-07-2006
Datum publicatie
26-03-2007
Zaaknummer
297042
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

deskundigenbericht, beroep op blokkeringsrecht

art. 7:464 lid 2, aanhef en onder b BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 297042 / HA ZA 04-2705

Vonnis van 19 juli 2006

in de zaak van

A

wonende te

eiseres

procureur mr. F.W.P. Wolters

tegen

de naamloze vennootschap

DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.

gevestigd te Amsterdam

gedaagde

procureur voorheen mr. A. Vrisekoop, thans mr. B.J.H. Crans.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 september 2005,

- de conclusie na niet uitgebracht deskundigenbericht van A, met producties,

- de antwoordconclusie van Delta Lloyd, met producties.

A heeft ervan afgezien om op laatstgenoemde producties te reageren.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. In het tussenvonnis van 21 september 2005 is overwogen dat het rapport van neurologisch onderzoek, uitgebracht door B op 27 maart 2002, tot uitgangspunt zal strekken bij de verdere vaststelling van de schade. Voorts is overwogen dat de rechtbank met betrekking tot de beperkingen en belastbaarheid van A behoefte heeft aan voorlichting door een arbeidsdeskundige.

Vervolgens is als deskundige benoemd C, als arbeidsdeskundige werkzaam bij D & Partners BV te Assen. Aan hem is onder meer gevraagd of hij, met inschakeling van zijn medisch adviseur, aan de hand van de door neuroloog B in zijn rapport genoemde medische beperkingen een belastbaarheidsprofiel kan (doen) opmaken.

2.2. Op 6 december 2005 heeft D & Partners BV aan (de procureur van) A het concept belastbaarheidsprofiel en medisch portret toegezonden van de medisch adviseur drs. E. Verzocht is om voor 16 december 2005 te laten weten of A zich op haar blokkeringsrecht wilde beroepen.

2.3. Bij brief van 16 december 2005 heeft (de procureur van) A aan C meegedeeld dat A “voorshands gebruik maakt van het blokkeringsrecht” zodat de bijlagen bij de brief van D & Partners van 6 december 2005 (nog) niet aan Delta Lloyd bekend mogen worden gemaakt.

Vervolgens heeft hij op 20 december 2005 in een brief aan C geschreven dat de mening van E onjuist is, aangezien deze is gebaseerd op de (door A bestreden) mening van B.

2.4. A verzoekt thans in de plaats van C een andere deskundige te benoemen en wel F.

2.5. Delta Lloyd verzet zich daartegen. Zij voert aan dat A zich op haar blokkeringsrecht heeft beroepen en dat het gevolg daarvan is dat geen deskundigenbericht tot stand komt.

2.6. Dit verweer van Delta Lloyd slaagt. Het blokkeringsrecht van artikel 7:464 lid 2, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) houdt naar zijn aard in dat de keurling slechts bevestigend of ontkennend kan antwoorden op de vraag of van de uitslag van een onderzoek als dat van E en de gevolgtrekking van dat onderzoek mededeling aan de wederpartij wordt gedaan. Een tussenweg is niet mogelijk.

Daarom moet beoordeeld worden of A zich al dan niet op haar blokkeringsrecht heeft beroepen. Op grond van het over en weer gestelde moet worden geconcludeerd dat A zich niet alleen “voorshands” op haar blokkeringsrecht beroept, maar dat zij daarin volhardt. Uit haar proceshouding volgt immers dat zij nog steeds niet wil dat het concept belastbaarheidsprofiel en medisch portret, dat door E is opgesteld, ter kennisname komt van Delta Lloyd. Het tegendeel is, na de brieven van de zijde van A d.d. 16 en 20 december 2005, gesteld noch gebleken.

Door gebruik te maken van haar blokkeringsrecht voldoet A niet aan haar verplichting op grond van artikel 198 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) om mee te werken aan het door de rechter gelaste deskundigenonderzoek (zie Hoge Raad 26 maart 2004, RvdW 2004, 54). Daaruit kan de rechter de gevolgtrekking maken die hij in de omstandigheden van het gegeven geval geraden acht.

2.7. De rechtbank is hier van oordeel dat er, anders dan A betoogt, geen vervangende deskundige dient te worden benoemd. Daarvoor zijn onvoldoende redenen door A aangevoerd. Voor zover haar stellingname aldus moet worden begrepen dat zij zich erop wenst te beroepen dat E en C op ondeugdelijke wijze hun taak als deskundige hebben vervuld, kan de rechtbank die stelling niet op juistheid toetsen doordat A er niet mee heeft ingestemd dat het door E opgestelde concept belastbaarheidsprofiel en medisch rapport in de procedure werden ingebracht. Dit betekent dat aan het verzoek van A om een andere deskundige te benoemen, wordt voorbijgegaan.

2.8. Nu er geen deskundigenadvies is uitgebracht, kan de rechtbank het geschilpunt van partijen omtrent de beperkingen en belastbaarheid van A, die het gevolg zijn van het ongeval, slechts beoordelen aan de hand van de schriftelijke stukken. Uit het vonnis van 21 september 2005 volgt dat de inhoud van de processtukken – mede gelet op het gemotiveerde verweer van Delta Lloyd – onvoldoende is voor de vaststelling van die beperkingen en belastbaarheid.

A heeft dan ook haar stelling, dat zij zodanige beperkingen heeft als gevolg van het ongeval dat zij de door haar gestelde schade lijdt, onvoldoende onderbouwd. Derhalve is niet gebleken dat zij door het ongeval beperkingen heeft die haar hebben genoodzaakt de in de dagvaarding gestelde voorzieningen te treffen. Haar schadevorderingen, verband houdende met de gestelde beperkingen, moeten worden afgewezen.

2.9. A heeft tevens vergoeding gevorderd van de proceskosten van de kort gedingprocedure in twee instanties, van de kosten van Bureau G B.V. en van (buitengerechtelijke) kosten van juridische bijstand.

De kosten van de kort gedingprocedure komen niet voor vergoeding in aanmerking, aangezien in beide instanties reeds over de proceskosten is beslist. Het beroep van A, dat Delta Lloyd in die procedures misbruik van recht kan worden verweten, faalt. In de onderhavige procedure blijkt het verweer van Delta Lloyd, dat zij zowel in kort geding als in de onderhavige bodemprocedure heeft gevoerd, immers niet vergeefs te zijn.

Voorts komen de kosten van Bureau G B.V. voor eigen rekening van A, aangezien haar standpunt, waarop de berekeningen van Bureau G B.V. zijn gebaseerd, niet wordt gehonoreerd. Hetzelfde geldt voor de (buitengerechtelijke) kosten van rechtsbijstand.

Tot slot vordert A immateriële schadevergoeding, die echter door de rechtbank niet op een hoger bedrag wordt begroot dan hetgeen reeds door Delta Lloyd terzake van deze schadepost als voorschot geacht kan worden te zijn betaald.

2.10. Al het voorgaande leidt tot afwijzing van de vorderingen van A. Zij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de proceskosten, waaronder mede begrepen de kosten van de deskundige C. Zijn factuur bedraagt EUR 758,64.

Bij brief van 6 juli 2006 heeft de procureur van A bezwaar gemaakt tegen de omvang van deze kosten. Het gefactureerde bedrag komt de rechtbank echter niet onredelijk voor, gelet op de uitgevoerde verrichtingen van E en C, zodat de kosten worden begroot op het gefactureerde bedrag.

3. De beslissing

De rechtbank

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt A tot betaling van de proceskosten, waaronder de kosten van de deskundige, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Delta Lloyd begroot op EUR 4.535,- aan verschotten, EUR 758,64 aan deskundigenkosten en EUR 6.450,- aan salaris van de procureur;

- verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Hees en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2006.?