Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:BA1268

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-10-2006
Datum publicatie
22-03-2007
Zaaknummer
337442
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2008:BM4525, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Besluit van de VvE tot instemming met de aanleg van een dakterras op een deel van het gemeenschappelijke dak ten behoeve van één van de appartementseigenaren is rechtsgeldig. Het aanbrengen van een dakterras is geen wijziging van de bestemming ‘dak’. Naar de strekking van de wet nopen slechts feiten die voor de goederenrechtelijke toestand van een appartement van belang zijn tot wijziging van de splitsingsakte. Wijziging is niet vereist nu voormelde appartementseigenaar geen eigenaar van het dak is geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2007, 53

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 337442 / HA ZA 06-681

Vonnis van 18 oktober 2006

in de zaak van

1. A,

wonende te,

2. B,

wonende te,

eisers,

procureur mr. B. Külbs,

tegen

1. DE VERENIGING VAN EIGENAARS,

VVE ZOCHERSTRAAT 59 EN 61,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

procureur mr. H.G. Tienstra,

2. C,

wonende te Amsterdam,

gedaagde,

procureur mr. A.C. Zweedijk.

Eisers worden hierna A c.s. genoemd. Gedaagden worden aangeduid als de VvE en C.

1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 28 februari 2006, met producties;

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie;

- het tussenvonnis van 10 mei 2006;

- het proces-verbaal van comparitie van 4 september 2004 en de daarin genoemde processtukken.

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1 A c.s. zijn eigenaar van het appartementsrecht Zocherstraat 6I-I te

Amsterdam. Zij bewonen dit appartement zelf niet, maar verhuren het aan

D.

2.2 C is eigenaar van het appartementsrecht Zocherstraat 59-I te Amsterdam.

2.3 A c.s. en C zijn lid van de VvE.

2.4 Op 12 februari 2004 heeft C bij de gemeente Amsterdam, stadsdeel Oud-West,

een aanvraag voor een lichte bouwvergunning ingediend tot het veranderen van de

eerste verdieping van het gebouw Zocherstraat 59, met behoud van de bestemming

daarvan, tot één woning en het oprichten van een dakterras aan de achterzijde van

haar woning op het platte dak van de uitbouw van de verdieping op de begane

grond.

2.5 Op 19 april 2004 heeft de vergadering van de VvE unaniem met het plan tot de aanleg van voornoemd dakterras ingestemd. In de notulen van de vergadering van 19 april 2004 is met betrekking tot dit besluit als volgt bepaald:

“(...) Beloopbaar maken van het platte dak boven 59hs (...) Het gaat om:

-het beloopbaar maken van het dak van 59hs (uitbouw), en dus niet van 61hs

-een zwevende constructie

-een degelijk bouwplan, goedgekeurd door de gemeenteinspekteur

-een aluminium balustrade, in overeenstemming met de overige nieuw aan te brengen hekken

-beschaafd gebruik, in overeenstemming met het op te stellen huishoudelijk reglement (...)

De vergadering stemt unaniem in met de plannen, met dien verstande dat er een goed huishoudelijk reglement moet komen voor het gebruik van de platte daken (...)”

2.6 A c.s. hebben op de vergadering van de VvE op 14 oktober 2004 bezwaar gemaakt tegen voornoemd besluit.

2.7 A c.s. hebben bij de gemeente zienswijzen ingediend met betrekking tot het bouwplan van C. Naar aanleiding van die zienswijzen is het bouwplan op last van de gemeente aangepast in die zin dat C op het dakterras een privacyscherm dient te plaatsen.

2.8 Bij besluit van 9 mei 2005 is door de gemeente aan C de in 2.4 genoemde bouwvergunning verleend.

2.9 Op 13 juni 2005 hebben A c.s. tegen het besluit van de gemeente van 9 mei 2005 bezwaar gemaakt, welk bezwaar vervolgens bij besluit van 6 september 2005 door de gemeente ongegrond is verklaard.

2.10 Op 17 oktober 2005 hebben A c.s. bij de Rechtbank Amsterdam beroep ingesteld tegen laatstgenoemd besluit.

2.11 Vooruitlopend op het beroep heeft C, met toestemming van de VvE, de gevel gewijzigd in die zin dat deuren zijn aangebracht die toegang geven tot het platte dak en heeft zij het platte dak ingericht als dakterras.

2.12 Bij brieven van 13 december 2005 hebben A c.s. C en de VvE gesommeerd het dakterras te verwijderen.

2.13 Bij brieven van 20 en 23 december 2005 hebben C en de VvE aan A c.s. bericht geen gevolg aan de sommatie te zullen geven.

3. Het geschil

in conventie

3.1 A c.s. vorderen, verkort weergegeven, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- te verklaren voor recht dat het besluit van de VvE tot het verlenen van toestemming aan

C tot inrichting en gebruik van het platte dak als dakterras nietig is,

- C te veroordelen om het dakterras aan de achterzijde op de uitbouw van de begane

grondverdieping van het pand Zocherstraat 59 te Amsterdam te verwijderen en dak en

gevel in oude staat te herstellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-

per dag voor elke dag dat C in gebreke blijft om aan de gevraagde veroordeling te

voldoen,

- alsmede C te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 A c.s. leggen aan hun vorderingen het volgende ten grondslag.

-Ter comparitie is door A c.s. aangevoerd dat geen besluit over de aanleg van het dakterras is genomen. Weliswaar is bij het besluit van 19 april 2004 unaniem door de vergadering met de aanleg van het dakterras ingestemd, maar daarbij is tevens bepaald dat er een huishoudelijk reglement moest komen voor het gebruik van de platte daken. Het besluit tot vaststelling van dit huishoudelijk reglement is echter niet genomen.

-Voorts is ter comparitie door A c.s. gesteld dat het besluit van de VvE wegens strijd met artikel 4 van het splitsingsreglement (hierna: artikel 4) nietig is. Volgens A c.s. kent artikel 4, in tegenstelling tot artikel 9, tweede lid van het splitsingsreglement, geen mogelijkheid voor de vergadering om toestemming te geven voor gebruik dat afwijkt van de bestemming van de gemeenschappelijke gedeelten. Door toestemming te verlenen voor de aanleg van een dakterras op het platte dak heeft de VvE de bestemming van dit gemeenschappelijke gedeelte gewijzigd en daarmee gehandeld in strijd met het splitsingsreglement.

Bovendien bepaalt artikel 4 dat het gebruik van de gemeenschappelijke gedeelten geen inbreuk mag maken op het recht van medegenot van de andere eigenaars. Het dakterras maakt een inbreuk op dit recht nu het van een hekwerk is voorzien en uitsluitend toegankelijk is vanuit het appartement van C. Ook op dit punt is derhalve sprake van strijd met het splitsingsreglement.

-Op grond van artikel 9, eerste lid van het reglement van splitsing maakt het platte dak waarop het dakterras is aangelegd, deel uit van de gemeenschappelijke gedeelten. Op grond van artikel 11 van hetzelfde reglement van splitsing komt het gebruik van de gemeenschappelijke gedeelten toe aan alle eigenaren, overeenkomstig de bestemming daarvan, derhalve als plat dak en dus uitdrukkelijk niet als dakterras. Door de inrichting en het gebruik van het platte dak als dakterras, dat bovendien uitsluitend voor C toegankelijk is, wordt de bestemming van het platte dak gewijzigd. Voor de wijziging van de bestemming van het platte dak en het verlenen van het genot daarvan aan C is een besluit van de VvE onvoldoende. Daarvoor is een wijziging van de splitsingsakte vereist. Het besluit van de VvE lijdt derhalve aan nietigheid op de voet van artikel 2:14, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

3.3 De VvE en C voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4 C vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, A c.s. te veroordelen in

de kosten van juridische bijstand, alsmede A c.s. te veroordelen in de kosten van het geding.

3.5 In voorwaardelijke reconventie vordert C dat de rechtbank C en de VvE

machtiging verleent tot het wijzigen van de akte van splitsing.

3.6 A c.s. voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1 Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of het besluit van de VvE van 19 april 2004 rechtsgeldig is. Aan de orde is derhalve de vraag of het in gebruik geven als dakterras van een gedeelte van het gemeenschappelijke dak aan C mogelijk is door een besluit van de VvE.

4.2 De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

-Vaststaat dat in de vergadering van 19 april 2004 door de VvE bij unanimiteit het besluit is genomen C toestemming te verlenen tot de aanleg van het dakterras, met dien verstande dat een huishoudelijk reglement moest worden gemaakt waarin het gebruik van de platte daken zou worden geregeld. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel ter comparitie door de VvE is erkend dat in de notulen geen expliciete beslissing met betrekking tot de goedkeuring van het huishoudelijk reglement is terug te vinden, een en ander niet zo dient te worden begrepen dat door de vergadering een voorwaardelijk besluit is genomen in die zin dat de goedkeuring van het huishoudelijk reglement een voorwaarde is voor het bestaan van het besluit. Uit de bewoordingen kan dit namelijk niet zonder meer worden afgeleid -“met dien verstande” houdt nog geen voorwaarde in – en omstandigheden die dit anders zouden kunnen of zelfs moeten maken zijn door A c.s. niet naar voren gebracht.

-Met betrekking tot de gestelde strijd met artikel 4 geldt het volgende. A c.s. gaan er zonder meer van uit dat de bestemming van de gemeenschappelijke eigendom waarop het dakterras is gebouwd, is beperkt tot: “dak” en dus niet (ook): “dakterras”. Waarop die zekerheid is gebaseerd is niet duidelijk, met name niet nu A c.s. deze stelling niet hebben onderbouwd. Belangrijker acht de rechtbank echter dat het aanbrengen van het dakterras de bestemming niet heeft gewijzigd (zoals A c.s. voorts hebben gesteld) in die zin dat – om in de gedachtengang van A c.s. te blijven – de oorspronkelijke bestemming “dak” verloren is gegaan. Het betreffende gedeelte van de gemeenschappelijke eigendom oefent immers nog steeds de functie van “dak” uit, en geen van de eigenaren is in het genot van die functie beperkt door de aanleg van het dakterras. Evenmin zijn de andere eigenaren dan C op andere wijze feitelijk beperkt in het genot van de betreffende gemeenschappelijke eigendom (een stelling van A c.s. die zich overigens niet verdraagt met hun stelling dat er maar één functie is, namelijk “dak”). Die andere eigenaren hadden immers niet het genot van het betreffende gedeelte in de functie van dakterras; het was er simpelweg niet. Voorts geldt dat er geen besluit is genomen om C een exclusief recht op het gebruik van de betreffende gemeenschappelijke eigendom als dakterras te geven.

-Bij de vraag of veranderingen in de bestaande situatie betreffende de

appartementsrechten tot een wijziging van de splitsingsakte moeten leiden geldt dat het er blijkens de strekking van de wet om gaat dat de splitsingsakte een juist beeld geeft van de omvang van de rechten en verplichtingen van de appartementseigenaren. Daaruit volgt dat alleen feiten die voor de goederenrechtelijke toestand van een appartement van belang zijn nopen tot een wijziging van de splitsingsakte. Nu C geen eigenaar is geworden van het dak volgt daaruit dat voor de inrichting en het gebruik van het platte dak als dakterras geen wijziging van de splitsingsakte is vereist.

4.3 Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de vorderingen van A c.s. zullen

worden afgewezen.

4.4 Als de in het ongelijk gestelde partij zullen A c.s. worden veroordeeld in de

kosten van deze procedure.

De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van C op:

- vast recht: € 248,00

- salaris procureur: € 904,00 (2 punten x tarief € 452,00)

- totaal: € 1152,00

De rechtbank begroot de kosten aan de zijde van de VvE op:

- vast recht: € 248,00

- salaris procureur: € 904,00 (2 punten x tarief €452,00)

- totaal: € 1152,00

4.5 De rechtbank verklaart de kostenveroordeling ten gunste van de VvE niet uitvoerbaar bij voorraad.

in reconventie

4.6 Voor zover C bedoeld mocht hebben een kostenvergoeding te vorderen los van

de proceskosten, is deze niet toewijsbaar, nu uit haar eigen stellingen niet valt af te leiden wat de grondslag is voor de vergoeding van deze kosten anders dan die waarin de proceskostenveroordeling reeds voorziet.

4.7 Nu de voorwaarde waaronder de vordering in voorwaardelijke reconventie is

ingesteld, gelet op hetgeen hiervoor in conventie is overwogen niet is vervuld, komt de rechtbank aan de bespreking van deze vordering niet toe.

4.8 Als de in het ongelijk gestelde partij zal C in de proceskosten worden

veroordeeld. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van A c.s. op nihil.

5. De beslissing

De rechtbank:

in conventie

- wijst het gevorderde af,

- veroordeelt A c.s. in de proceskosten, aan de zijde van C tot op heden begroot op € 1152,00 ( éénduizend en honderd en tweeënvijftig euro),

- veroordeelt A c.s. in de proceskosten, aan de zijde van de VvE tot op heden begroot op € 1152,00 (éénduizend en honderd en tweeënvijftig euro),

- verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling met betrekking tot de proceskosten aan de zijde van C uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

- wijst het gevorderde af,

- veroordeelt C in de proceskosten, aan de zijde van A c.s. tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Thomas en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2006.?