Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:AZ7489

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-12-2006
Datum publicatie
31-01-2007
Zaaknummer
13.497.528-2006
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overlevering aan Italië toegestaan. WOTS-garantie. Artikel 12 OLW. Rechtbank ziet af van in artikel 13 OLW bedoelde weigeringgrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.528-2006

RK nummer: 06/4215

Datum uitspraak: 15 december 2006

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 29 september 2006 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 23 juni 2005 door de justitiële autoriteit, de onderzoeksrechter bij de Rechtbank te Brescia (Italië). Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

volgens de vordering zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

wiens overleveringsdetentie met ingang van 14 september 2006 is geschorst,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 5 december 2006. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. J.W.P. Beijen, advocaat te Amsterdam gehoord.

Op deze zitting is de termijn genoemd in artikel 22, lid 1 OLW op grond van artikel 22, lid 3 OLW verlengd met dertig dagen aangezien de rechtbank er wegens haar volle agenda niet in slaagt binnen de gestelde termijn uitspraak te doen.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt ten grondslag een beschikking tot voorarrest, afgegeven door eerdergenoemde onderzoeksrechter en gedateerd 18 mei 2005.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan drie naar het recht van Italië strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia niet correct zijn weergegeven.

Hij heeft verklaard dat zijn naam luidt [opgeëiste persoon] en dat hij is geboren in [geboorteplaats].

Hij is niet zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, maar woont met zijn gezin op het adres: [adres].

De opgeëiste persoon heeft voorts verklaard dat hij sinds november 1993 in Nederland verblijft en dat hij sinds januari 2000 over de Nederlandse nationaliteit beschikt.

4. Strafbaarheid

4.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van het recht van de uitvaardigende lidstaat - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen - heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. De feiten vallen onder de nummers 1 en 5 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

1. deelneming aan een criminele organisatie en

5. illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Op deze feiten is bovendien naar het recht van Italië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan deze feiten, is niet gebleken.

6. Terugkeergarantie

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien de uitvaardigende justitiële autoriteit de in artikel 6, eerste lid, van de OLW bedoelde garantie geeft.

Namens het ‘Ministero della Giustizia’ (Ministerie van Justitie) te Rome, Italië, is bij brief van 19 september 2006 de volgende garantie gegeven:

[opgeëiste persoon] may be returned to the Netherlands, when the conviction becomes irrevocable, to serve his custodial sentence there pursuant to Dutch law.

Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna VOGP) volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren. Aan deze voorwaarde is voldaan. De onder 4.1 bedoelde feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

deelneming aan een organisatie die tot het oogmerk heeft het plegen van misdrijven

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de in artikel 2, eerste lid, onder A, B en C van de Opiumwet gegeven verboden.

Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook gewaarborgd dat, zo de opgeëiste persoon ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 van het VOGP zal kunnen worden omgezet.

7. Weigeringgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a OLW

Uit de stukken blijkt dat het feit bedoeld onder 4.1 waarvoor de Italiaanse justitie de opgeëiste persoon wil vervolgen gedeeltelijk in Nederland is gepleegd. Artikel 13, eerste lid, onder a OLW verbiedt in dit geval de overlevering voor deze feiten.

De raadsman heeft verzocht de overlevering in verband met de goede rechtsbedeling te weigeren en daartoe aangevoerd dat de officier van justitie niet in redelijkheid tot haar vordering heeft kunnen komen om af te zien van de weigeringgrond van artikel 13 OLW.

Subsidiair heeft de raadsman, met het oog op het arrest van de Hoge Raad van 28 november 2006 (LJN: AY 6634) verzocht de beslissing aan te houden totdat het openbaar ministerie zijn standpunt omtrent de weigeringgrond van artikel 13 OLW nader heeft bepaald.

De rechtbank wijst dit verzoek af nu uit de behandeling ter zitting en uit de schriftelijke conclusie van de officier van justitie afdoende blijkt dat het openbaar ministerie zijn standpunt in dezen reeds heeft bepaald.

Ten aanzien van het verweer overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van het tweede lid van genoemd artikel heeft de officier van justitie gevorderd dat om redenen van goede rechtsbedeling dient te worden afgezien van bedoelde weigeringgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd.

Uit het EAB en de stukken ter ondersteuning daarvan blijkt, dat:

1. de feiten waarop het EAB ziet, zich slechts gedeeltelijk op Nederlands grondgebied hebben afgespeeld;

2. de opsporing en vervolging van de feiten in Italië zijn aangevangen en zien op een groot aantal personen die als medeverdachten zijn aangemerkt, die in Italië wonen;

3. er in Italië reeds minstens een medeverdachte werd aangehouden;

4. de rechtbank Amsterdam reeds de overlevering naar Italië van een medeverdachte heeft toegestaan;

5. met betrekking tot dit EAB in Italië de bewijsmiddelen voorhanden zijn;

6. dat de verdovende middelen bestemd waren voor de Italiaanse markt, in ieder geval niet de Nederlandse markt, hetgeen eveneens een argument vormt voor de conclusie dat het zwaartepunt van de schending van de rechtsorde vanwege de schadelijke gevolgen van het strafbare feit vooral buiten Nederland ligt.

Ter zitting heeft de officier van justitie hier nog aan toegevoegd dat de Italiaanse autoriteiten ten aanzien van de opgeëiste persoon een dubbele WOTS-garantie hebben afgegeven. Voorts heeft zij naar voren gebracht dat de persoonlijke belangen maar een zeer beperkte rol kunnen spelen in deze afweging, en dat aan de persoonlijke belangen van de opgeëiste persoon in deze zaak voldoende tegemoet is gekomen door de verleende dubbele WOTS-garantie.

Het voorgaande brengt met zich mee dat op grond van de goede rechtsbedeling overlevering aan de Italiaanse autoriteiten de voorkeur geniet boven de eventuele overname van de strafzaak door Nederland.

De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie op de door haar aangevoerde gronden in redelijkheid tot haar vordering heeft kunnen komen. De rechtbank overweegt voorts dat de officier van justitie eveneens in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat met de verleende WOTS-garantie in de onderhavige zaak de belangen van de opgeëiste persoon voldoende zijn gewaarborgd.

Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13 Overleveringswet bedoelde weigeringgrond.

8. Verweren

8.1 Artikel 2, juncto artikel 28 OLW

De raadsman heeft betoogd dat de overlevering geweigerd dient te worden aangezien de omschrijving van de feiten voor zover deze ziet op de verdenking van ‘deelname aan een criminele organisatie’ niet voldoet aan de vereisten van artikel 2, tweede lid onder e OLW.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Uit de brief d.d. 6 oktober 2006, afkomstig van de Onderzoeksrechter te Brescia, E. Pierazzi, blijkt dat de opgeëiste persoon verdacht wordt van deelname aan een criminele organisatie in de jaren 2003 en 2004. In dit kader ligt het voor de hand dat de periode die op dit feit betrekking heeft, dezelfde periode betreft als die waarin de drugsdelicten hebben plaatsgevonden. Ook overigens voldoet de omschrijving van de aan de opgeëiste persoon verweten feiten aan de in artikel 2, tweede lid onder e OLW daaraan gestelde vereisten.

8.2 Artikel 12 OLW

De raadsman heeft verzocht de overlevering te weigeren op grond van artikel 12 OLW. De raadsman is van mening dat uit de in het EAB onder B verstrekte informatie kan worden afgeleid dat er jegens de opgeëiste persoon bij verstek reeds vonnis is gewezen en de in artikel 12 OLW bedoelde garantie niet, of onvoldoende, is gegeven. Dit zou een weigeringgrond opleveren.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Het EAB en de daarbij behorende stukken bieden geen aanknopingspunten om uit te gaan van een veroordeling bij verstek. Het is evident dat de overlevering wordt verzocht voor de vervolging van de opgeëiste persoon ter zake van de in het EAB omschreven feiten.

De raadsman heeft verklaard in contact te staan met een Italiaanse confrère te Milaan en hem in voorkomende gevallen te consulteren op het gebied van Italiaanse wetgeving; in dit verband heeft de raadsman een brief van de Italiaanse advocaat aan de rechtbank overgelegd. De rechtbank stelt vast dat deze contacten evenwel niet hebben geleid tot het nader onderbouwen van de stelling dat er reeds een bij verstek gewezen veroordelend vonnis van een Italiaanse rechtbank met betrekking tot de opgeëiste persoon zou bestaan.

9. Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

10. Toepasselijke wetsartikelen

de artikelen 47 en 140 van het Wetboek van Strafrecht;

de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet;

de artikelen 2, 5, 6, 7, 12 en 13 van de Overleveringswet.

11. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeeiste persoon] aan de onderzoeksrechter bij de Rechtbank te Brescia (Italië) ten behoeve van het in Italië tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. J.C. Boeree, voorzit-ter,

mrs. M. van Mourik en H.J. Tijselink, rech-ters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, grif-fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 15 december 2006.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.