Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:AZ6723

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
23-01-2007
Zaaknummer
343277
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

onrechtmatig gelegd executoriaal beslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 343277 / HA ZA 06-1982

Vonnis van 20 december 2006

in de zaak van

A,

wonende te,

eiseres in het verzet,

procureur mr. M. Dorgelo,

tegen

de AMBTENAAR van de DIENST BELASTINGEN VAN DE GEMEENTE AMSTERDAM

met zetel te Amsterdam,

gedaagde in het verzet,

procureur mr. B.R. ter Haar.

Partijen zullen hierna A en de Ambtenaar genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 16 augustus 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 7 november 2006.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

A heeft op 9 januari 2005 de Ambtenaar verzocht om een betalingsregeling ter zake van “alle openstaande aanslagen”. De Ambtenaar heeft A bij brief van 25 januari 2005 gewezen op de mogelijkheid om kwijtschelding te verzoeken. Vervolgens heeft A op 3 februari 2005 een schriftelijk verzoek bij de Ambtenaar ingediend om kwijtschelding van “alle aanslagen”. De Ambtenaar heeft bij brief van 25 mei 2005 het verzoek om kwijtschelding afgewezen ten aanzien van de combi aanslag 2004. Tegen deze beslissing is A niet in beroep gegaan.

Op 23 februari 2006 heeft de Ambtenaar executoriaal beslag laten leggen op de woonboot van A aan -- te -- krachtens verschillende dwangbevelen over de jaren 2000 tot en met 2005, met aanzegging dat tot verkoop zal worden overgegaan. Op 2 maart 2006 heeft de Ambtenaar met A afgesproken dat zij in eerste instantie zelf zou proberen de woonboot te verkopen.

Op 9 maart 2006 heeft de Ambtenaar nogmaals executoriaal beslag laten leggen op de woonboot van A krachtens verschillende dwangbevelen over de jaren 1997 tot en met 2006 die, met uitzondering van de roerende ruimtebelasting gebruikers- en eigenarendeel 1999, niet in het eerste beslag waren betrokken. De executoriale verkoop is tijdelijk, tot wederopzegging door de Ambtenaar, uitgesteld ingevolge op grond van de akte van prolongatie van 16 maart 2006.

Op 7 maart 2006 heeft de Ambtenaar drie dwangbevelen laten betekenen ter stuiting van de verjaring van de aanslagen roerende ruimtebelasting gebruikers- en eigenarendeel 1997 (aanslagnummers 6780482 en 6778465) en de aanslag precariobelasting 1999 (aanslagnummer 7643054). Op 9 maart 2006 zijn twee nieuwe dwangbevelen uitgevaardigd en aan A betekend. Tegen de dwangbevelen van 7 en 9 maart 2006 is A bij dagvaarding van 10 mei 2006 in verzet gekomen.

Het geschil en de beoordeling daarvan

A vordert, uitvoerbaar bij voorraad, dat de rechtbank:

- de genoemde dwangbevelen buiten effect zal stellen,

- het executoriaal beslag op haar woonboot aan -- te -- zal opheffen,

- de Belastingdienst zal veroordelen om binnen een door de rechtbank vast te stellen redelijke termijn een schriftelijk besluit te nemen op het verzoek om kwijtschelding van alle aanslagen dat A heeft gedaan op 3 februari 2005,

- subsidiair de Belastingdienst zal veroordelen om binnen een door de rechtbank vast te stellen redelijke termijn een schriftelijk besluit te nemen op het verzoek van A tot een betalingsregeling,

- de Belastingdienst zal veroordelen in de kosten van het geding.

Als grondslag voor haar vordering voert A aan dat de beslagleggingen op 23 februari 2006 en 9 maart 2006 onrechtmatig zijn doordat de Belastingdienst nog niet heeft beslist over het verzoek van A om kwijtschelding van alle aanslagen. A voert aan dat de beslagleggingen ook om andere redenen onrechtmatig zijn. De Belastingdienst is onzorgvuldig geweest bij de inning van de aanslagen als gevolg van een dubbeltelling bij de beslagleggingen. De Belastingdienst heeft A misleid doordat in het overzicht van 10 oktober 2003 aanslagen uit 1997 en 1998 niet waren vermeld zodat A ervan mocht uitgaan dat deze waren verjaard en zij, conform dit overzicht, erop mocht vertrouwen dat haar belastingschuld tot en met 10 oktober 2003 maximaal € 3.557,39 beliep. De Belastingdienst heeft de verjaring van aanslagen telefonisch bevestigd aan mevrouw B. Het overzicht openstaande aanslagen van 6 januari 2006 vermeldt ten onrechte de verjaarde aanslagen uit 1997 en 1998, € 4,99 hondenbelasting over het jaar 2000 en aanslagen over de jaren 2001 tot en met 2003 die niet in het overzicht van 10 oktober 2003 voorkwamen. De Belastingdienst had uitkeringsbeslag in plaats van beslag op de woonboot kunnen leggen en het beslag op de woonboot is disproportioneel nu de boot € 298.000,00 waard is terwijl de belastingschuld € 11.500 bedraagt en daar al € 4.000,00 op is afbetaald. Verder heeft A steeds alle medewerking verleend en alle instructies van de Belastingdienst opgevolgd. Ook om deze redenen zijn de beslagleggingen volgens A onrechtmatig.

De Ambtenaar voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. Partijen hebben ter comparitie verklaard dat in de dagvaarding in plaats van “de Gemeente Amsterdam, Dienst Belastingen Gemeente Amsterdam” gelezen moet worden: “de Ambtenaar van de Dienst Belastingen van de Gemeente Amsterdam”. De rechtbank verwerkt dit in het onderhavige vonnis.

Ontvankelijkheid

Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat A in zoverre in haar verzet kan worden ontvangen.

Dwangbevelen

Ter comparitie heeft A bevestigd dat zij geen bestuursrechtelijk bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslagen die aan de dwangbevelen van 7 en 9 maart 2006 ten grondslag liggen. De rechtbank dient dan ook in beginsel uit te gaan van de formele rechtskracht van deze aanslagen. A heeft geen verzetgronden aangevoerd tegen de dwangbevelen van 9 maart 2006 en ter comparitie heeft zij erkend dat van de vermeende dubbeltelling met betrekking tot het overzicht van 23 februari 2006, voor wat betreft de hoogte van haar schuld aan de Ambtenaar, geen sprake blijkt te zijn.

Twee dwangbevelen van 7 maart 2006 zijn betekend ter stuiting van het recht op dwanginvordering van de aanslagen roerende ruimtebelasting gebruikers- en eigenarendeel 1997 (hierna: rrb 1997) ter zake waarvan de originele dwangbevelen op 26 mei 2001 waren uitgevaardigd en op 2 juli 2001 aan A waren betekend. A heeft bij dagvaarding gesteld dat het recht op dwanginvordering van deze aanslagen is verjaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Ambtenaar echter in zijn conclusie van antwoord onder 26 en 27 genoegzaam onderbouwd dat voor ommekomst van de verjaringstermijn van vijf jaar die vanaf 2 juli 2001 is gaan lopen, stuiting van de verjaring van de dwanginvordering heeft plaatsgevonden door uitvaardiging en betekening van de dwangbevelen van 7 maart 2006 en betekening van het beslag aan A op 9 maart 2006. Dit is door A ter comparitie onweersproken gebleven. Het beroep op verjaring door A wordt derhalve door de rechtbank verworpen.

Vervolgens heeft de raadsvrouwe van A voor het eerst ter comparitie betwist dat de eerdere dwangbevelen, ter zake waarvan de stuitingsdwangbevelen van 7 maart 2006 zijn betekend, indertijd aan A zijn betekend en gesteld dat zij van de betekening geen stukken heeft gezien. Dit zou dan gaan om de ook hierboven onder 3.6 genoemde aanslagen rrb 1997 en om de aanslag precariobelasting 1999. A heeft nagelaten deze stelling met feiten en omstandigheden te onderbouwen. Dat had naar het oordeel van de rechtbank wel op haar weg gelegen. Op het proces-verbaal van beslag op roerende zaken van 9 maart 2006 (door A als productie 6 in het geding gebracht), staat bij de betreffende aanslagen rrb 1997 en de aanslag precariobelasting 1999 geschreven: “hoger bedrag op dwangbevel”, hetgeen er op wijst dat de originele dwangbevelen aan haar betekend waren. Bovendien komt de aanslag precariobelasting 1999 al voor op het overzicht van de Ambtenaar van 10 oktober 2003 dat door A als productie 7 is overgelegd. A was derhalve sinds die datum met deze aanslag bekend. De betwisting van A dat de dwangbevelen rrb 1997 en precariobelasting 1999 aan haar zijn betekend, wordt door de rechtbank dan ook als onvoldoende gespecificeerd verworpen.

Op grond van het bovenstaande zal de rechtbank het verzet van A voor zover het de dwangbevelen van 7 en 9 maart 2006 betreft, ongegrond verklaren.

Beslag

Het beleid van de Ambtenaar is vastgelegd in een op de Invorderingswet 1990 gebaseerde Leidraad Invordering Gemeente Amsterdam (hierna: de Leidraad). Ingevolge de Leidraad vinden geen dwanginvorderingsmaatregelen plaats hangende een verzoek om kwijtschelding of een betalingsregeling. De Ambtenaar heeft erkend dat bij de beslissing omtrent het kwijtscheldingsverzoek van A niet alle openstaande aanslagen zijn betrokken. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de Ambtenaar nog geen beslissing heeft genomen omtrent het verzoek van A om kwijtschelding van alle openstaande aanslagen, dat wil zeggen met uitzondering van de combi aanslag 2004. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van A van 3 februari 2005 om kwijtschelding van alle aanslagen dus nog aanhangig is. Het stond de Ambtenaar derhalve niet vrij om hangende het kwijtscheldingsverzoek over te gaan tot het leggen van executoriaal beslag zoals dat heeft plaatsgevonden op 23 februari 2006 en 9 maart 2006, mede krachtens dwangbevelen waaromtrent naar aanleiding van het kwijtscheldingsverzoek nog niet was beslist. Het oordeel dat het kwijtscheldingsverzoek nog steeds aanhangig is leidt er toe dat de Ambtenaar A niet kan verwijten dat zij tegen de afwijzingsbeslissing van 25 mei 2005 beroep had moeten aantekenen voor zover het de aanslagen betrof waaromtrent nog niet was beslist.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het de Ambtenaar onder deze omstandigheden evenmin vrij stond om, hangende het kwijtscheldingsverzoek, tot beslaglegging over te gaan op basis van een aanslag die is gedagtekend na de datum van indiening van het kwijtscheldingsverzoek of op basis van een aanslag die niet in het kwijtscheldingsverzoek was begrepen omdat daarvan geen kwijtschelding kan worden verleend. Voor zover dit niet al in strijd is met de Leidraad zelf, moet deze handelwijze onder de hierboven geschetste omstandigheden worden geacht in strijd te zijn met het zorgvuldigheidsbeginsel.

Ten slotte geldt dat beslaglegging weliswaar kan plaatsvinden indien er vrees is voor verduistering van een verhaalsobject, maar niet is gesteld of gebleken dat die vrees voor verduistering daadwerkelijk aanwezig was en dat daarom tot beslaglegging is overgegaan. Na de beslaglegging van 23 februari 2006 heeft de Ambtenaar op 2 maart 2006 met A afgesproken dat zij in eerste instantie zelf haar woonboot mocht verkopen. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank reeds dat vrees voor verduistering ten tijde van de beslagleggingen van 23 februari 2006 en 9 maart 2006 ontbrak.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat de Ambtenaar in strijd heeft gehandeld met de Leidraad dan wel met het zorgvuldigheidsbeginsel door over te gaan tot executoriaal beslag op de woonboot van A d.d. 23 februari 2006 en 9 maart 2006. Hieruit volgt dat het executoriaal beslag onrechtmatig is gelegd. De overige door A aangevoerde gronden voor de onrechtmatigheid van het beslag behoeven derhalve geen verdere bespreking. De rechtbank acht het verzet van A voor zover dat zich richt tegen de beslagleggingen van 23 februari 2006 en 9 maart 2006 gegrond en zal de vordering van A tot opheffing van het executoriaal beslag op haar woonboot aan -- te --, zoals gelegd op 23 februari 2006 en 9 maart 2006, derhalve toewijzen.

A heeft recht op een zorgvuldig afgewogen beslissing op het bij de Ambtenaar aanhangige kwijtscheldingsverzoek. Dit betekent dat de rechtbank ook de vordering van A dat de Ambtenaar binnen redelijke termijn een schriftelijk besluit moet nemen op verzoek om kwijtschelding van alle aanslagen van 3 februari 2005, zal toewijzen, uitgezonderd de combi aanslag 2004. De termijn waarbinnen de Ambtenaar dit besluit moet nemen bepaalt de rechtbank op zes weken na dagtekening van dit vonnis.

A heeft subsidiair gevorderd de Ambtenaar te veroordelen om – kort gezegd - een schriftelijk besluit te nemen op het verzoek van A tot een betalingsregeling. De rechtbank leidt hieruit af dat de vordering tot veroordeling van de Ambtenaar om te beslissen op het verzoek om kwijtschelding als de primaire vordering moet worden aangemerkt. Nu deze vordering conform het bepaalde hierboven onder 3.13 zal worden toegewezen, komt de rechtbank aan de subsidiaire vordering niet toe.

Proceskosten

Aangezien elk van de partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen partijen elk de eigen proceskosten dragen.

De beslissing

De rechtbank

verklaart het verzet gegrond voor wat betreft de beslagleggingen van 23 februari 2006 en 9 maart 2006,

verklaart het verzet voor het overige ongegrond,

heft op het executoriaal beslag op de woonboot van A aan -- te --,

veroordeelt de Ambtenaar binnen zes weken na dagtekening van dit vonnis een schriftelijk besluit te nemen op het verzoek om kwijtschelding van alle aanslagen dat A heeft gedaan op 3 februari 2005, uitgezonderd de combi aanslag 2004,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.D. Ruizeveld en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2006.?