Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:AZ5624

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-12-2006
Datum publicatie
04-01-2007
Zaaknummer
356985 / KG ZA 06-2120 OdC/JR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

"In kort geding wordt het gebruik door Greenpeace van het logo van de voorlichtingscampagne van de overheid met het thema 'Rampen vallen niet te plannen, voorbereidingen wel. Denk vooruit.' , niet onrechtmatig geacht. Het door de Staat gevraagde verbod tot het gebruik van het logo door Greenpeace wordt afgewezen."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
IER 2007, 39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 356985 / KG ZA 06-2120 OdC/JR

Vonnis in kort geding van 22 december 2006

in de zaak van

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

eiser bij dagvaarding van 24 november 2006,

procureur mr. P.N. van Regteren Altena,

advocaat mr. H.J.M. Boukema te ’s-Gravenhage,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GREENPEACE LICENSING B.V.,

procureur mr. J.G. Teulings,

2. de stichting

STICHTING GREENPEACE NEDERLAND,

procureur mr. J.M. van den Berg,

advocaten mrs. J.M. van den Berg en mr. W.A. Roos te Amsterdam,

3. de stichting

STICHTING GREENPEACE COUNCIL,

procureur mr. J.G. Teulings,

alle gevestigd te Amsterdam,

gedaagden.

De procedure

Ter terechtzitting van 13 december 2006 heeft eiser, verder te noemen de Staat, gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Gedaagden, verder ook ieder afzonderlijk te noemen Greenpeace Licensing, Greenpeace Nederland en Greenpeace Council, hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

De feiten

De Staat voert sinds 25 september 2006 onder regie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken een voorlichtingscampagne onder het thema “Rampen vallen niet te plannen, voorbereidingen wel. Denk vooruit.”, waarbij onderstaand logo wordt gebruikt (hierna: het logo).

De campagne wordt gevoerd op televisie, in huis aan huis folders en in dag- en weekbladen.

Het logo is op 17 november 2006 aan de Staat overgedragen bij onderhandse akte. Vervolgens heeft de Staat het logo als beeldmerk laten inschrijven bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom.

Greenpeace Nederland is een stichting die – onder meer door publieke acties en demonstraties – in Nederland de aandacht probeert te vestigen op milieuproblematiek. Greenpeace Council is de internationale coördinerende entiteit van de wereldwijde Greenpeace-organanisatie. Greenpeace Licensing beheert en exploiteert de beeldrechten van Greenpeace International.

In een brief van 3 november 2006 heeft de directeur-generaal Veiligheid, namens de minister van Binnenlandse Zaken, aan Greenpeace Nederland – onder meer – geschreven:

“In onder andere Sp!ts van vrijdag 27 oktober en dinsdag 31 oktober 2006 en Metro en de Volkskrant van dinsdag 31 oktober 2006 trof ik een advertentie aan, waarin u de kiezer oproept te kiezen voor schonere en veilige energie. Daarbij wordt gebruik gemaakt van een foto waarop een afbeelding van een kerncentrale en windmolens voorkomen alsook het logo en de slogan van de campagne “Denk vooruit” van de rijksoverheid. Zowel logo als slogan zijn ook gebruikt op het spandoek dat op 26 oktober 2006 op het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu is opgehangen. (...)

Ik verzoek, en zonodig sommeer u per omgaande te bevestigen, dat u het gebruik van het logo en de slogan alsmede alle persiflages hierop met onmiddellijke ingang beëindigt. (...)”

Aan dit verzoek heeft Greenpeace geen gehoor gegeven.

Het geschil

De Staat vordert thans – kort samengevat – gedaagden elke openbaarmaking en/of verveelvoudiging van het logo te verbieden, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van gedaagden in de kosten van dit geding.

De Staat stelt hiertoe dat de burger die in een uiting het logo en de slagzin verneemt, erop moet kunnen vertrouwen dat de uiting van de overheid afkomstig is. Het gebruik van dit logo in reclame-uitingen van Greenpeace is dan ook misleidend, omdat de burger daardoor de indruk kan krijgen dat de uiting van Greenpeace iets met de overheid te maken heeft. Bovendien pleegt Greenpeace merkinbreuk door het ingeschreven merk zonder toestemming van de rechthebbende te gebruiken. Zelfs als de Staat niet aangemerkt zou kunnen worden als onderneming en om die reden een merk niet zou kunnen inschrijven, resteert de onrechtmatige daadsactie op grond waarvan de Staat kan vorderen dat Greenpeace geen gebruik meer van het logo maakt.

Het gebruik van het logo met slagzin levert ook een inbreuk op het auteursrecht van de Staat op. Krachtens de overdracht van het auteursrecht is de Staat nu bevoegd het uit te oefenen. Het auteursrecht op het logo vervalt niet doordat de overheid het uitoefent. De parodie-exceptie uit de Auteurswet is in dit geval ook niet van toepassing, omdat Greenpeace het werk niet heeft nagebootst maar integraal heeft overgenomen. Ook zonder het gebruik van het logo kan Greenpeace haar boodschap vrijelijk uitdragen. Het door de Staat gevraagde verbod is dan ook functioneel en proportioneel.

Greenpeace Licensing, Greenpeace Council en Greenpeace Nederland hebben gemotiveerd verweer gevoerd, dat hierna bij de beoordeling van het geschil nader aan de orde zal komen.

De beoordeling

Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 4.6 lid 3 van het Beneluxverdrag inzake de intellectuele eigendom (BVIE) stelt de voorzieningenrechter zijn bevoegdheid vast op grond van het feit dat gedaagden te Amsterdam gevestigd zijn.

Greenpeace Licensing en Greenpeace Council hebben zich op het standpunt gesteld dat zij ten onrechte door de Staat voor dit geschil in rechte zijn betrokken. Zij hebben daartoe aangevoerd dat alle bestreden uitingen door of onder verantwoordelijkheid van Greenpeace Nederland zijn gedaan, die deze niet mede namens Greenpeace Licensing en Greenpeace Council heeft gedaan.

Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat Greenpeace Licensing en Greenpeace Council mede verantwoordelijk zijn voor het bestreden gebruik van het logo. Weliswaar blijkt, zoals de Staat heeft aangevoerd, uit het Merkenregister dat Greenpeace Council het merk Greenpeace heeft laten inschrijven en worden de licenties van dat merk klaarblijkelijk door Greenpeace Licensing beheerd, maar dit zegt niets over de aansprakelijkheid voor de onderhavige vermeende inbreuk op de rechten van de Staat. De Staat heeft Greenpeace Licensing en Greeenpeace Council dan ook ten onrechte gedagvaard. De vordering van de Staat zal om die reden dan ook jegens Greenpeace Licensing en Greenpeace Council worden afgewezen, met verwijzing van de Staat in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 van Richtlijn 2004/48/EG betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten, waarin is bepaald dat de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt door de verliezende partij zullen worden gedragen, zal de vordering van Greenpeace Licensing en Greenpeace Council tot vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten van EUR 1.000,= worden toegewezen.

Ten aanzien van Greenpeace Nederland staat vast dat zij heeft erkend het logo van de campagne van de Staat in haar eigen campagne te hebben gebruikt.

Vooropgesteld wordt dat Greenpeace Nederland recht heeft op vrijheid van meningsuiting. Met deze campagne heeft Greenpeace Nederland klaarblijkelijk bedoeld haar standpunt over te brengen over (het regeringsbeleid met betrekking tot) het milieu. De campagne van Greenpeace Nederland is bovendien gestart tijdens de verkiezingstijd waarbij het milieu uit zijn aard een wezenlijke rol speelt. Dat sprake is van een campagne van Greenpeace is overduidelijk door de aard van de actie (het ophangen van het spandoek aan het gebouw van het Ministerie van VROM) en door de duidelijke vermelding van de naam Greenpeace, zowel op het spandoek als in de advertenties in de dagbladen.

Het recht op vrijheid van meningsuiting kan krachtens het bepaalde in artikel 10 lid 2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) alleen in de daar genoemde uitzonderingsgevallen beperkt worden en/of onderworpen worden aan sancties die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn – onder andere – in het belang van de openbare veiligheid en de bescherming van de rechten van anderen. Onder die rechten van anderen kunnen ook het auteursrecht en het merkrecht worden verstaan.

Vaststaat dat het auteursrecht op het logo berust bij de Staat. De Staat heeft desgevraagd ter zitting de onderhandse akte aan gedaagden getoond waaruit de overdracht van het auteursrecht blijkt, hetgeen Greenpeace niet langer betwist.

Krachtens artikel 18b van de Auteurswet is het gebruik van een auteursrechtelijk werk in het kader van – onder meer – een parodie, uitdrukkelijk toegestaan, mits het gebruik in overeenstemming is met hetgeen naar de regels van het maatschappelijk verkeer redelijkerwijs geoorloofd is. De wijze waarop het logo met de bijbehorende tekst door Greenpeace Nederland in haar campagne wordt gebruikt is te beschouwen als een uiting die valt onder deze in artikel 18b van de Auteurswet geregelde parodie-exceptie, nu Greenpeace Nederland hier op een gekscherende wijze, maar tevens met een kritische ondertoon in het kader van de verkiezingsstrijd één van de belangrijkste maatschappelijke problemen – te weten het milieu – onder de aandacht van het publiek brengt.

De Staat heeft zich in dit geding tevens beroepen op merkenrechtelijke bescherming, die het logo hem biedt. Al aangenomen dat hier sprake is van het gebruik van het logo als merk door de Staat (wat hier in het midden wordt gelaten) het gewraakte gebruik door Greenpeace van het logo kan in elk geval niet worden aangemerkt als een gebruik ter aanduiding van de herkomst van de diensten van Greenpeace (daarvoor gebruikt ze haar eigen merk), maar als blikvanger voor haar politieke / maatschappelijke actie.

Dit gebruik is aldus aan te merken als gebruik in de zin van artikel 2.20 lid 1 sub d BVIE. Dit brengt allereerst mee dat het bepaalde in artikel 2.20 lid 1 sub b BVIE hier niet van toepassing is en dat het daarin voorkomende criterium van verwarringsgevaar hier niet aan de orde is. Wel moet worden getoetst aan het criterium (sub d) of door het gewraakte gebruik, zonder geldige reden, ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken uit of afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van dat merk.

Dit is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet het geval. Weliswaar wordt de Staat (althans zijn huidige beleid) door middel van deze actie kritisch door Greenpeace bejegend, met als blikvanger zijn eigen logo, maar deze reden moet in een democratische samenleving als een geldige reden – ook in merkenrechtelijke zin – worden aangemerkt. Het gebruik is dus geoorloofd, ook al trekt Greenpeace daaruit (ideëel) voordeel en ook al wordt aan de reputatie van het merk afbreuk gedaan doordat het in een controversieel daglicht wordt geplaatst.

Gelet op het voorgaande is het gebruik door Greenpeace Nederland van het logo van de Staat evenmin onrechtmatig te achten.

Dit alles betekent dat de vordering van de Staat ook jegens Greenpeace Nederland dient te worden afgewezen, met verwijzing van de Staat als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit geding. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 van de Richtlijn 2004/48/EG betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten, waarin is bepaald dat de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt door de verliezende partij zullen worden gedragen, zal de vordering van Greenpeace Nederland tot vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten van EUR 16.500,= worden toegewezen

De beslissing

De voorzieningenrechter

weigert de gevraagde voorziening,

veroordeelt de Staat in de proceskosten, aan de zijde van Greenpeace Licensing en Greenpeace Council tot op heden begroot op

- EUR 248,= aan vastrecht en

- EUR 1.000,= aan salaris procureur,

en aan de zijde van Greenpeace Nederland tot op heden begroot op

- EUR 248,= aan vastrecht en

- EUR 16.500,= aan salaris procureur,

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Orobio de Castro, bijgestaan door

mr. J.O. Rutten, griffier, en in het openbaar uitgesproken op vrijdag 22 december 2006.?