Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:AZ4551

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-12-2006
Datum publicatie
02-01-2007
Zaaknummer
AWB 06/2361
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Parkeerkaartje achter de voorruit is vormvoorschrift en geen onderdeel van de betaling. Betaling van parkeerbelasting kent vrije bewijsleer. Geen naheffing indien betaald is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2007/280
FutD 2007-0108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/2361

Uitspraakdatum: 8 december 2006

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z,

eiseres,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum,

verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 10 januari 2006 op het bezwaar van eiseres tegen de aan eiseres opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2006.

Eiseres is daar in persoon verschenen, bijgestaan door Y. Namens verweerder is verschenen mr. A.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslag;

- gelast de gemeente Hilversum het betaalde griffierecht van € 37 aan eiseres te vergoeden.

2. Gronden

2.1. Op 12 oktober 2005 om 14.22 uur constateerde een parkeercontroleur van de gemeente Hilversum dat een auto, merk B met kenteken 00-00-00, op de Schoolstraat geparkeerd stond. Bij controle heeft de parkeercontroleur geen geldig parkeerbewijs in de auto aangetroffen. De parkeercontroleur heeft vervolgens aan eiseres een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd.

2.2. De naheffingsaanslag is opgelegd ter zake van parkeerbelasting als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 1, van de Verordening Parkeerbelastingen 2005 van de gemeente Hilversum (de Verordening). Artikel 6, eerste lid, van de Verordening bepaalt dat de vorenbedoelde belasting wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte dan wel door middel van het werpen van geld in parkeerapparatuur en moet worden betaald bij de aanvang van het parkeren.

2.3. De verklaring van de controleur, dat bij controle geen geldig parkeerkaartje is waargenomen, kan in het algemeen als toereikend bewijs dienen, maar geldt niet als onweerlegbaar bewijs. De belastingplichtige heeft de mogelijkheid tegenbewijs te leveren, bijvoorbeeld door het alsnog overleggen van een geldig parkeerkaartje. Daarbij geldt de vrije bewijsleer, hetgeen inhoudt dat de rechter vrij is in de keuze van de bewijsmiddelen en de waardering daarvan.

2.4. Verweerder stelt dat door het ontbreken van een geldig parkeerkaartje, goed leesbaar achter de voorruit gelegd, de parkeerbelasting niet op de voorgeschreven wijze is voldaan en dat het achteraf tonen van een kaartje - ook volgens de jurisprudentie - niet het bewijs kan leveren dat de parkeerbelasting ten tijde van de controle was voldaan. Op grond daarvan stelt verweerder dat de door eiseres gegeven verklaring niet aannemelijk is. De rechtbank verstaat deze stelling aldus dat verweerder van mening is dat aan een verklaring van een eiseres geen betekenis toekomt indien het parkeerkaartje niet in de auto wordt aangetroffen en dat daarmee de parkeerbelasting niet op de voorgeschreven wijze is voldaan.

2.5. Ingevolge artikel 2 van het Besluit plaatsen en werkingsduur betaald parkeren 2005 van Burgemeester en wethouders van Hilversum moet bij gebruikmaking van een parkeerplaats het parkeerkaartje goed leesbaar achter de voorruit van het voertuig worden gelegd. Dit voorschrift maakt echter, mede gelet op de considerans van dit besluit, geen deel uit van de wijze van heffing of betaling als bedoeld in artikel 6 van de Verordening Parkeerbelastingen 2005. Dientengevolge vindt de stelling van verweerder dat door het ontbreken van een geldig parkeerkaartje goed leesbaar achter de voorruit gelegd, de parkeerbelasting niet op de voorgeschreven wijze is voldaan en dat het achteraf tonen van een kaartje niet het bewijs kan leveren dat de parkeerbelasting ten tijde van de controle was voldaan geen steun in het recht. De rechtbank is van oordeel dat het voorschrift om het parkeerkaartje achter de voorruit te leggen een vormvoorschrift is.

2.6. Nu eiseres een geldig parkeerkaartje heeft overgelegd en een kopie daarvan bij de stukken heeft gevoegd is er naar het oordeel van de rechtbank een begin van bewijs dat eiseres de belasting voor het parkeren van haar auto heeft voldaan op de wijze als bedoeld in artikel 6, eerste lid van de Verordening Parkeerbelastingen 2005 van de gemeente Hilversum.

2.7. De enige twee mogelijkheden die het bestaan van dit parkeerkaartje kunnen verklaren, anders dan dat eiseres de parkeerbelasting heeft betaald, bestaan er in dat het kaartje vals of vervalst is, dan wel dat het kaartje betrekking heeft op betaling van parkeerbelasting voor een ander voertuig. Nu zulks niet is gesteld, gebleken of anderszins aannemelijk is geworden, hecht de rechtbank geloof aan de verklaring van eiseres dat zij de parkeerbelasting heeft betaald. Alhoewel de rechtbank geloof hecht aan de verklaring van eiseres dat zij het parkeerkaartje wel goed zichtbaar achter de voorruit heeft gelegd, acht de rechtbank de beantwoording van de vraag of eiseres dat nu wel of niet heeft gedaan, gelet op het onder 2.5. overwogene, niet van doorslaggevend belang voor de beantwoording van de vraag of de belasting al dan niet is betaald.

2.8. Ingevolge artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) dat op grond van de artikelen 231, eerste lid, en 233 van de Gemeentewet van toepassing is, is naheffing enkel mogelijk indien de belasting die op aangifte behoort te worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald waardoor te weinig belasting is geheven. Dit brengt - anders dan verweerder betoogt - mee dat uitsluitend van belang is of de verschuldigde belasting is betaald en niet of op de voorgeschreven wijze aangifte is gedaan of de vormvoorschriften bij het parkeren zijn nageleefd. De rechtbank vindt steun voor haar opvatting in de arresten van de Hoge Raad. (HR 8 januari 1997, nr. 31 657, BNB 1997/68c*, Belastingblad 1997, blz. 277 en HR 3 maart 1999, nr. 34493, BNB 1999/2003).

2.9. Gelet op het onder 2.7. en 2.8. overwogene kan geen naheffingsaanslag worden opgelegd en is het beroep gegrond.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 8 december 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.J. Roke, in tegenwoordigheid van mr. M. Put, griffier.

Afschrift

verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een schriftelijke verklaring van de wederpartij gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank;

2 - tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal de rechtbank deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.