Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:AZ3708

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-12-2006
Datum publicatie
06-12-2006
Zaaknummer
13/477013-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De strafrechter veroordeelt een verdachte in een grootschalige softdrugshandelszaak tot een gevangenisstraf van 36 maanden. Bij de strafoplegging is ermee rekening gehouden dat de verdachte welliswaar een wezenlijker rol had dan alleen die van uitvoerder van het ransport, maar dat hij zich niettemin laag in de hiërarchie van het samenwerkingsverband bevond en in opdracht van de feitleijk leidinggevende handelde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/477013-06

Datum uitspraak: 5 december 2006

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres],

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring “Het Schouw” te Amsterdam.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 20 november 2006 en 21 november 2006.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals ter terechtzitting nader is omschreven. Van de dagvaarding en de vordering nadere omschrijving zijn kopieën als bijlage 1 en 2 aan dit vonnis gehecht. De nader omschreven telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

De geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft betoogd dat de dagvaarding partieel nietig moet worden verklaard ten aanzien van het onder 1 telastegelegde, wat betreft de daarin vermelde hoeveelheid van 23.030 kilogram, en ten aanzien van het onder 2 telastegelegde, wat betreft de daarin onder andere vermelde hoeveelheid van 22.560 kilogram. De raadsman heeft daartoe, zakelijk weergegeven, de volgende redenen aangevoerd:

De in de telastelegging gespecificeerd opgenomen hoeveelheden verhouden zich slecht tot het gebruik van de daarin eveneens opgenomen bewoordingen “ongeveer”, “circa” en “geschat gewicht”, terwijl de wijze waarop die hoeveelheden zijn berekenend niet inzichtelijk is. Daardoor is het voor verdachte niet duidelijk waartegen hij zich heeft te verweren. Het is niet duidelijk welke hoeveelheden verdachte zou hebben ingevoerd en aanwezig hebben gehad, aldus de raadsman.

De telastelegging, zoals die na inwilliging van de vordering nadere omschrijving van de officier van justitie is komen te luiden, bevat een nadere feitelijke invulling van de hoeveelheden hash in kilogrammen die verdachte volgens het openbaar ministerie onder 1 heeft ingevoerd en onder 2 aanwezig heeft gehad. De bezwaren tegen de nader omschreven telastelegging zijn op zichzelf begrijpelijk, maar leiden niet tot partiële nietigheid van de dagvaarding.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat van de in de dagvaarding genoemde hoeveelheden hash in kilogrammen niet (van alle) goed herleidbaar is hoe het openbaar ministerie die hoeveelheden heeft berekend. Dit maakt echter nog niet dat verdachte niet kan begrijpen wat hem wordt verweten. Zoals ook de raadsman ter terechtzitting immers heeft gesteld, begrijpt verdachte goed dat hem onder 1 en 2 wordt verweten betrokken te zijn geweest bij de invoer per vrachtwagen van veertien pallets met hash en het voorhanden hebben van hash in de woning en de bijbehorende loodsen in Bavel, alsmede in genoemde vrachtwagen. Verdachte begrijpt dus op welke partijen hash de telastelegging ziet. Dat het exacte aantal kilogrammen voor discussie vatbaar is, doet hieraan niet af. Bovendien is de raadsman zeer wel in staat gebleken de verdediging op adequate wijze te voeren. De rechtbank vindt dan ook geen aanleiding de dagvaarding partieel nietig te verklaren. In onderlinge samenhang met het dossier kan in redelijkheid niet worden gesteld dat de verdachte uit de dagvaarding in het geheel niet heeft kunnen begrijpen wat hem wordt verweten. Wel kan genoemde onduidelijkheid in de telastelegging consequenties hebben voor de vraag wat in deze zaak bewezen kan worden verklaard.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Aanhoudingsverzoek

De raadsman heeft primair verzocht de zaak aan te houden teneinde de teamleider van het achterliggende onderzoek te horen en de stukken uit dat onderzoek in het onderhavige dossier te voegen. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat hij dan kan bezien of dat onderzoek naar behoren is verlopen en zijn cliënt mitsdien in het onderzoek “Zwanenburg” terecht als verdachte is aangemerkt.

De rechtbank volgt de raadsman hierin niet. Het achterliggende onderzoek heeft betrekking op ander verdachten dan [verdachte]. Eventuele onrechtmatigheden in dat onderzoek, voor zover daar al sprake van zou zijn, schaden derhalve in beginsel de belangen van verdachte niet. Dit zou slechts anders kunnen zijn in het geval van zeer grove onregelmatigheden. De raadsman heeft echter op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake zou kunnen zijn. De rechtbank ziet derhalve geen noodzaak de verzoeken van de raadsman te honoreren. Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat alle stukken in het onderzoek “Zwanenburg” met het oog op het onder 3 te laste gelegde feit aan de raadsman ter beschikking zijn gesteld en dat uit die stukken genoegzaam volgt wat in die zaak de grond voor de verdenking jegens verdachte was.

3. Waardering van het bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Ten aanzien van het onder 1 telastegelegde

in de periode van 1 januari 2006 tot en met 2 april 2006 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk in een Franse vrachtwagen merk Volvo, gekentekend [nummer] binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, veertien pallets met pakken met een hoeveelheid van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish);

Ten aanzien van het onder 2 telastegelegde

in de periode van 1 januari 2006 tot en met 2 april 2006 te Bavel tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad in een loods aan de [adres] te Bavel en in een vrachtwagen merk Volvo, gekentekend [nummer], een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish);

Ten aanzien van het onder 3 telastegelegde

in de periode van 27 maart 2006 tot en met 28 maart 2006 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad in een voertuig merk/type Fiat Ducato, gekentekend [nummer], 803 kilogram van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish).

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem onder 1,2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest en een geldboete ter hoogte van € 25.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 120 dagen.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Met het oog op financieel gewin heeft verdachte met anderen opzettelijk duizenden kilo’s hash in een vrachtwagen binnen het grondgebied van Nederland gebracht en aldaar aanwezig gehad. Kort daaraan voorafgaand heeft verdachte bovendien nog enige honderden kilo’s hash aanwezig gehad. Verdachte hield binnen het samenwerkingsverband toezicht op het transport en droeg zorg voor het op de plaats van bestemming afleveren daarvan, onder andere door het veelvuldig onderhouden van (telefonisch) contact met andere verdachten in deze zaak. Ook was hij betrokken bij het laden en lossen van de hash.

Over de precieze hoeveelheden hash kan worden gedebatteerd, zoals ook ter zitting is geschied, maar duidelijk is dat het gaat om hoeveelheden in de orde van grootte als in de telastelegging opgenomen. De rechtbank houdt daarmee bij de straftoemeting rekening.

Hash is een middel waarvan het gebruik schadelijk is voor de volksgezondheid. Een kilo hash heeft een straatwaarde van ongeveer € 3.000,00. Verdachte heeft aldus een bijdrage geleverd aan de – uiterst lucratieve – handel in en de verspreiding van softdrugs. Vaak gaat deze handel gepaard met (vermogens)criminaliteit, waaronder witwassen. Voorts benadrukt de rechtbank in dit verband dat de financiële belangen bij deze vorm van handel in softdrugs zo groot zijn, dat ter bescherming van die belangen het plegen van andere strafbare feiten veelal niet wordt geschuwd. Ook in deze zaak lijkt hiervan blijkens het dossier sprake te zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze grootschalige handel in softdrugs en de maatschappelijk ongewenste neveneffecten daarvan met kracht bestreden dienen te worden.

De rechtbank houdt er anderzijds rekening mee dat verdachte weliswaar een wezenlijker rol had dan alleen die van uitvoerder van het transport, maar dat hij zich niettemin laag in de hiërarchie van het samenwerkingsverband bevond en in opdracht van de feitelijk leidinggevenden handelde. Bovendien is verdachte blijkens het hem betreffende Uittreksel Justitieel Documentatieregister van 23 augustus 2006 niet eerder in Nederland veroordeeld voor het plegen van enig strafbaar feit.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen-geachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op:

Eendaadse samenloop van:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 MAANDEN.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

1 1.00 STK Zaktelefoon Kl:zwart

Nokia 6230 2792139

met simkaart [nummer]

2 1.00 STK Zaktelefoon Kl:grijs

Nokia 6310I 2792114

met simkaart, barst in venster en besch.0628

3 1.00 DS Doos Kl:grijs

Nokia 2600 2792224

orange pre simnr 893120180506019267 puk71157

4 1.00 DS Doos Kl:zwart

Nokia 2600 2792295

dimrn 893120180506080251 zonder kaart/telefo

5 1.00 STK Zaktelefoon Kl:grijs

Nokia 2600 2792588

orange simk 893120180506019242 + oplader in

6 1.00 STK Zaktelefoon Kl:grijs

Nokia 2600 2792588

nieuw box nokia,met sticker orange prepaid

7 1.00 STK Visitekaartje

2792994

zundert trucks

8 1.00 STK Visitekaartje

2792999

kalenderkaartje van schmitz cargobull

9 1.00 STK Bankbescheiden

2793003

stortingsbewijs 2480 abn amrobank

10 1.00 STK Papier

2793007

deel kaart zuid spanje en notities

11 1.00 STK Briefpost

2793032

beschreven envelop met notities codes

Dit vonnis is gewezen door

mr. U.W. baron Bentinck, voorzitter,

mrs. G.A. Bouter-Rijksen en A. Tegelaar, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.M.N. van den Hazel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 december 2006.