Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:AZ1408

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-10-2006
Datum publicatie
02-11-2006
Zaaknummer
13.497.485-2006
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overlevering Italië toegestaan, verweren tav ontvankelijkheid OM, termijnoverschrijding ex art 23 OLW, Art 2 OLW, Art 9 OLW, Art 3 Kaderbesluit jo art 9, art 11OLW verworpen. Geen garantie art 12 OLW noodzakelijk, Ovj heeft terecht afgezien van vordering art 13 OLW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 330

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.485-2006

RK nummer: 06/3460

Datum uitspraak: 10 oktober 2006

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 augustus 2006 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 25 juli 2006 door de officier van justitie van het Openbaar Ministerie te Milaan, Italië. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gede-tineerd in de Penitentiaire Inrichting “Zuyderbos” te Heerhugowaard,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 26 september 2006. Daarbij zijn de offi-cier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw, mr. I.N. Weski, advocaat te Rotterdam gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Italiaanse taal.

Op die zitting heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij over de overlevering moet beslissen met dertig dagen verlengd.

De reden daarvoor is gelegen in de omstandigheid dat het zittingsrooster van de rechtbank dusdanig overbelast is dat zij niet binnen de termijn van 60 dagen uitspraak zal kunnen doen.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een uitspraak van het Hof van Beroep te Milaan van 27 januari 2004 ten grondslag.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging op het grondgebied van de uitvaardigende staat van een vrijheidsstraf voor de duur van acht jaar. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemde uitspraak.

De uitspraak betreft het feit zoals dat is omschreven in een door de griffier gewaarmerkte en als bijlage aan deze uitspraak gehechte fotokopie van onderdeel e) van het EAB.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsvrouw voert het volgende verweer.

Artikel 2, derde lid, van de Grondwet bepaalt dat uitlevering slechts kan geschieden krachtens verdrag. Het kaderbesluit waarop de overleveringswet is gebaseerd is geen verdrag in de zin van artikel 2, derde lid, van de Grondwet. Nu de overlevering van de opgeëiste persoon bij gebreke van een verdrag alleen kan plaatsvinden met schending van de Grondwet dient de officier van justitie in haar vordering ex artikel 23 OLW niet ontvankelijk te worden verklaard, aldus de raadsvrouw.

De raadsvrouw meent subsidiair dat een prejudiciële beslissing dient te worden gevraagd aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen omtrent de uitleg van de mate van vrijheid bij de verplichtingen die het kaderbesluit met zich brengt en de strijdigheid daarvan met de Nederlandse Grondwet.

De officier van justitie verwijst in in reactie hierop naar de memorie van toelichting bij de overleveringswet. Daarin wordt verwezen naar de conclusies van Afdeling I van de Raad van State inhoudende dat het kaderbesluit, hoewel het geen verdrag is, moet worden beschouwd als een regeling met een voor de lidstaten bindend supranationaal karakter en dat totstandkoming van het kaderbesluit niet leidt tot afwijking van artikel 2, derde lid, van de Grondwet. Dat het kaderbesluit geen rechtstreekse werking heeft is daarvoor geen beletsel.

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank deelt het standpunt van de officier van justitie. Door de instemming van de Staten-Generaal met de totstandkoming van het Kaderbesluit EAB en het aannemen van het daarop gebaseerde wetsvoorstel OLW hebben zij het regeringsstandpunt aanvaard dat een en ander niet in strijd met de Grondwet is. Nu artikel 120 van de Grondwet de rechter verbiedt te treden in de grondwettigheid van wetten, kan dit oordeel niet in rechte worden aangevochten.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank reeds hierom geen aanleiding prejudiciële vragen over dit onderwerp te stellen.

Overschrijding van de termijn ex artikel 23, tweede lid, OLW

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de termijn genoemd in artikel 23, tweede lid, OLW in de onderhavige procedure is geschonden. De officier van justitie heeft pas op 29 augustus 2006 een vordering tot behandeling bij de rechtbank ingediend, terwijl het EAB al op 1 augustus 2006 door de officier van justitie is ontvangen.

Deze overschrijding dient, gelet op de bespreking van de termijnen in de overleveringswet in Memorie van Toelichting, te leiden tot de beëindiging van de vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon.

De rechtbank stelt vast dat het EAB op 1 augustus 2006 door de officier van justitie is ontvangen en de vordering van de officier van justitie van 24 augustus 2006 op 28 augustus 2006 bij de rechtbank is ingediend.

Hiermee is de termijn als bedoeld in artikel 23 OLW overschreden.

De overleveringswet stelt echter geen sanctie op overschrijding van die termijn niet. Evenmin is er sprake van ernstige schending van beginselen van een goede procesorde waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de opgeëiste persoon tekort wordt gedaan aan zijn recht op een behoorlijke behandeling van de zaak.

Slechts het niet naleven van de termijnen gesteld voor het nemen van een beslissing over de overlevering en voor de feitelijke overlevering hebben tot gevolg dat de vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon dient te worden beëindigd. Deze situatie doet zich thans nog niet voor nu de opgeëiste persoon op grond van het voorliggende EAB op 22 augustus 2006 is aangehouden en de gestelde termijn van 60 dagen, te verlengen met 30 dagen, nog niet is overschreden. De periode die de opgeëiste persoon op grond van een eerder ingediend EAB in detentie heeft doorgebracht kan hier niet worden meegewogen.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

Artikel 2, tweede lid, OLW

De raadsvrouw heeft betoogd dat het onderhavige EAB onvoldoende duidelijkheid verschaft omtrent de exacte plaats en tijd en rol van de opgeëiste persoon, zodat de overlevering op grond van de ongenoegzaamheid der stukken moet worden geweigerd.

Subsidiair heeft zij aangevoerd dat over die gegevens nadere informatie dient te worden verschaft door de Italiaanse autoriteiten.

De rechtbank verwerpt dit betoog en overweegt daartoe het volgende.

In het EAB is onder e) het strafbaar feit waaraan de opgeëiste persoon schuldig is bevonden omschreven als het in België te koop aanbieden aan [persoon 1] en aan [persoon 2] van een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne die vervolgens in Italië werd geïmporteerd. Verder staat daarbij vermeld dat het feit is begaan in België en in Milaan tussen 13 en 21 januari 1999. De omschrijving van de plaats en tijd en rol van de opgeëiste persoon acht de rechtbank daarmee voldoende duidelijk nu de rechtbank op grond van de omschrijving van het feit slechts heeft te onderzoeken of de uitvaardigende lidstaat in redelijkheid het feit onder één van de categorieën van de lijst heeft gebracht. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om nadere informatie op enig punt in te winnen.

Voor zover de raadsvrouw heeft betoogd, dat de opgeëiste persoon is veroordeeld voor een strafbaar feit op basis van gebrekkig bewijsmateriaal waaruit volgens haar niet eenduidig plaats en tijd van de strafbare feiten zou blijken-, is dit een standpunt dat alleen in de Italiaanse strafrechtelijke procedures een rol had kunnen spelen en er niet aan kan afdoen dat de omschrijving van de feit in het EAB op zich zelf wel voldoende duidelijk is. De rechtbank onderschrijft verder niet de stelling van de raadsvrouwe, dat enig raakvlak met het Italiaanse territorium zou ontbreken, nu in het EAB voldoende duidelijk valt af te leiden dat de cocaïne was bestemd voor de Italiaanse markt. Bovendien is vermeld dat het feit mede is begaan in Milaan.

De verwijzing tenslotte van de raadsvrouw naar het arrest van de Hoge Raad van 2 september 2003 (NS 2003, 315) gaat hier niet op nu het hier niet een vergelijkbare zaak betreft.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn, dat hij niet de Nederlandse, maar de Italiaanse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van het recht van de uitvaardigende lidstaat - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen - heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen.

Het feit valt onder nummer [5] op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Op dit feit is bovendien naar het recht van Italië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan het feit. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

De raadsvrouw heeft in haar pleitnota aangevoerd dat, gelet op de gestelde pleegplaatsen en de daarmee samenhangende fysieke onmogelijkheid dat het feit gepleegd is zoals gesteld en de feitelijke onderbouwing daarvan aan de hand van de, in strijd met de Nederlandse soevereiniteit verkregen, taps dient te worden aangenomen dat de opgeëiste persoon niet schuldig kan zijn aan het gestelde.

Anders dan door de raadsvrouw bepleit, is de rechtbank van oordeel dat het door haar aangevoerde niet onverwijld de onschuld van de opgeëiste persoon aantoont. Voor weigering van de overlevering is slechts plaats, indien de opgeëiste persoon het feit, waarvan hij in Italië wordt verdacht, onmogelijk kan hebben gepleegd.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan dit feit, is niet gebleken.

6. Verweren

Lopende strafvervolging in Nederland.

De raadsvrouw heeft betoogd dat de overlevering dient te worden geweigerd nu de opgeëiste persoon onderzoekssubject was in een Nederlands onderzoek genaamd “Imelda”. Dit onderzoek liep in ieder geval nog op het moment van zijn aanhouding.

Artikel 9, eerste lid van de OLW, staat derhalve aan overlevering in de weg.

De rechtbank overweegt het volgende.

Naar aanleiding van vragen van de raadsvrouw van de opgeëiste persoon is door het openbaar ministerie in Amsterdam nader onderzoek verricht naar eventuele vervolging van de opgeëiste persoon in Nederland. Daaruit is gebleken dat de opgeëiste persoon onderzoekssubject geweest is in een strafrechtelijk onderzoek met de naam “Imelda”. Dit onderzoek is volgens het openbaar ministerie inmiddels ten aanzien van de opgeëiste persoon gesloten en er loopt geen vervolging meer. Tevens zag het Nederlandse onderzoek op andere feiten dan de feiten waarvoor thans de overlevering wordt gevraagd. Deze mededelingen van het openbaar ministerie zijn neergelegd in een brief van 15 augustus 2006 aan de raadsvrouw. Ter zitting is daar door de officier van justitie nog aan toegevoegd dat het bij dit onderzoek ging om feiten met een recentere pleegdatum dan de feiten waarvoor overlevering wordt verzocht, te weten feiten gepleegd in de eerste helft van 2006. De rechtbank ziet, nu concrete aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel ontbreken, anders dan de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw geen aanleiding om te twijfelen aan deze mededelingen.

De rechtbank verwerpt het verweer.

De garantie als bedoeld in artikel 12 OLW

Door de raadsvrouw is gesteld -samengevat- dat het EAB van 25 juli 2006 een verzoek tot overlevering betreft dat ziet op een vonnis gewezen bij verstek. De opgeëiste persoon heeft nooit enige betekening ontvangen betreffende een tegen hem aangevangen procedure, noch heeft hij ooit een daad verricht waaruit die bekendheid blijkt.

Ook ter zitting heeft de opgeëiste persoon ontkend enige machtiging te hebben verstrekt aan Italiaanse advocaten om zich in Italië processueel te laten vertegenwoordigen.

Nu er door Italië geen garantie wordt gegeven dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering een nieuw proces kan krijgen dient de overlevering te worden geweigerd.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat zij niet twijfelt aan de machtigingen nu hier sprake is van 2 uitdrukkelijke machtigingen van de opgeëiste persoon die mede ondertekend zijn door een raadsman en ingediend bij de bevoegde instanties. De verdediging in is twee instanties ter hand genomen.

Nu de opgeëiste persoon betwist dat hij die machtigingen heeft getekend verwijst de officier van justitie naar de brief van de Italiaanse justitiële autoriteiten van 25 juli 2006, waarin zij stellen dat de opgeëiste persoon, indien hij kan aantonen effectief geen kennis te hebben gehad van de procedure te zijnen laste, kan vragen om gebruik te mogen maken van de termijn om in beroep te gaan.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat in het EAB onder punt d is verwoord dat de opgeëiste persoon is gedagvaard met de rechtsprocedure van voortvluchtige, met het dagvaardingsbesluit betekend aan zijn verdediger die hem heeft geassisteerd en vertegenwoordigd tijdens de verschillende fasen in de rechtsprocedure. Uit een vertaling van het vonnis in eerste aanleg blijkt dat de opgeëiste persoon is verdedigd door zijn [advocaat 1]. Voorts wordt, naast het feit dat de opgeëiste persoon in eerste aanleg is verdedigd door zijn advocaat, in het eerder ingediende EAB vermeld dat deze advocaat hoger beroep heeft aangetekend; dat de opgeëiste persoon in hoger beroep niet is verschenen maar wel is verdedigd door [advocaat 1] en de [advocaat 2]. Vervolgens is door [advocaat 1] cassatieberoep aangetekend en waren beide advocaten aanwezig bij de behandeling van de zaak door het Hof van Cassatie. Het cassatieberoep is bij uitspraak d.d. 6 april 2005 verworpen.

De Italiaanse autoriteiten hebben op verzoek van de Nederlandse officier van justitie een tweetal machtigingen toegezonden met daarop de naam en de (beweerdelijke) handtekening van de opgeëiste persoon.

Deze machtigingen behelzen een volmachtverlening aan [advocaat 1] van 12 december 2003 en een akte van benoeming van 7 januari 2004, waarbij [advocaat 1] tot raadsman wordt benoemd.

Op basis van het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank er- ondanks de ontkenning door de opgeëiste persoon vanuit dat de door de Italiaanse autoriteiten overgelegde (en aldaar kennelijk gebruikte) machtigingen authentiek zijn en hebben geleid tot een behandeling van de strafzaak in aanwezigheid van door de opgeëiste persoon aangestelde raadslieden. Daartoe overweegt de rechtbank allereerst dat de ontkenning op geen enkele wijze is onderbouwd.

De raadsvrouw heeft nog betoogd dat de machtigingen van 12 december 2003 en 7 januari 2004 niet kunnen kloppen omdat zij dateren van na de datum van het vonnis in eerste aanleg en de datum waarop daartegen beroep is ingesteld. Dit brengt de rechtbank echter niet tot de conclusie dat de garantie van artikel 12 zou moeten worden verstrekt. Nog daargelaten dat in de machtiging van 12 december 2003 een bekrachtiging van de werkzaamheden van de raadman van de opgeëiste persoon valt af te leiden gezien de zin “beschouwd vanaf nu zijn werkzaamheden als bevestigd en geldig”, staat vast dat de hoger beroepsprocedure heeft plaatsgevonden na het verstrekken van de machtigingen zodat de opgeëiste persoon tenminste in één feitelijke instantie rechtsgeldig is vertegenwoordigd.

De strekking van artikel 12 OLW is het waarborgen van verdedigingsrechten.

Nu de rechtbank aanneemt dat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten heeft kunnen effectueren, hoeft de garantie van artikel 12 OLW niet te worden gegeven.

Indien de opgeëiste persoon na overlevering de valsheid van de handtekeningen op de machtigingen kan aantonen en daarmee kan aantonen dat hij effectief geen kennis heeft gehad van de tegen hem lopende procedure kan hij, gelet op de door de officier van justitie genoemde brief van 25 juli 2006, in Italië binnen dertig dagen na zijn overlevering vragen om weer gebruik te mogen maken van de termijn om in beroep te gaan.

Het verweer op dat punt wordt derhalve verworpen.

Artikel 3, eerste lid, kaderbesluit juncto artikel 9, onder e 2e en f OLW.

De raadsvrouw heeft betoogd dat de overlevering, gelet op hetgeen is bepaald in artikel 3, eerste lid, van het Kaderbesluit, moet worden geweigerd, omdat de strafbare feiten die aan het EAB ten grondslag liggen, mogelijk onder een amnestieregeling vallen. De Italiaanse autoriteiten dienen in dat kader duidelijkheid te verschaffen omtrent het strafrestant, ter voorkoming van verregaande willekeur ten aanzien van gelijk gestraften.

De raadsvrouwe heeft subsidiair verzocht om een prejudiciële beslissing te vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen ten aanzien van de vraag of artikel 3 Kaderbesluit analoge toepassing vereist gelet op de amnestieregeling in Italië die leidt tot een strafvermindering van 3 jaar.

De officier van justitie heeft zich in dit kader primair op het standpunt gesteld dat, nu de opgeëiste persoon niet gedetineerd is in Italië, hij op dit moment geen onderwerp kan zijn van een amnestieregeling.

Subsidiair heeft zij gesteld dat de opgeëiste persoon de geldigheid van enige amnestieregeling te zijnen aanzien niet heeft onderbouwd en voorts dat voor deze feiten een aanzienlijke vrijheidsbenemende straf is opgelegd, zodat zelfs indien de opgeëiste persoon in aanmerking zou komen voor een amnestieregeling, hij nog steeds geruime tijd gedetineerd zal zijn.

De rechtbankt verwerpt het verweer van de raadvrouw.

Artikel 3 van het Kaderbesluit ziet uitsluitend op de situatie waarbij het strafbare feit dat aan het EAB ten grondslag ligt in de uitvoerende lidstaat (in casu Nederland) onder een amnestie valt. Het is derhalve een uitsluitingsgrond die ziet op de mogelijkheid tot vervolging. Nu Nederland geen amnestieregeling voor deze delicten kent is daarvan al geen sprake.

Voorts blijkt uit het door de raadsvrouw aangevoerde dat strafvermindering is verstrekt aan personen die op dat moment in Italië gevangen zaten. De opgeëiste persoon was op dat moment niet gedetineerd in Italië. Ook overigens heeft de opgeëiste persoon onvoldoende aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat hij voor deze amnestieregeling in aanmerking komt in die mate dat, zoals de officier van justitie terecht heeft aangevoerd, maakt dat er geen strafrestant meer open zou blijven staan.

De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen.

Beroep op artikel 11 OLW

Voorts heeft de opgeëiste persoon aangevoerd dat de overlevering in strijd komt met artikel 11 OLW en wel op de volgende gronden:

Schending van het soevereiniteitsbeginsel

Namens de opgeëiste persoon heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de overlevering dient te worden geweigerd nu door het tappen van zijn Nederlandse telefoon het soevereiniteitsbeginsel is geschonden.

De officier van justitie heeft daartegenover gesteld dat nergens uit blijkt dat de soevereiniteit van Nederland is geschonden. Er is niet gezegd dat er helemaal geen rechtshulpverzoeken zijn gedaan vanuit Italië, maar inzage daarin is geweigerd in het belang van het Italiaanse onderzoek.

De rechtbank overweegt als volgt.

Nog daargelaten de vraag of er sprake is van onrechtmatige taps, er zitten immers tapmachtigingen van Italiaanse rechters in het dossier, terwijl niet is vast te stellen waar de getapte telefoons zich ten tijde van het tappen bevonden, overweegt de rechtbank ten aanzien van dit verweer het volgende. De rechtbank begrijpt het verweer zo dat de opgeëiste persoon bedoelt te betogen dat door deze taps op onrechtmatige wijze bewijs is verkregen. Dit verweer kan in de onderhavige zaak niet leiden tot weigering van de overlevering, nu dit in essentie een bewijsverweer betreft. Voorts overweegt de rechtbank dat het beginsel van soevereiniteit met name de belangen van staten dient, en dat alleen staten en in beginsel niet de opgeëiste persoon zich hierop kunnen beroepen. De rechtbank is van oordeel dat er op grond van wederzijdse erkenning op vertrouwd moet worden dat het EAB op de juiste wijze tot stand is gekomen, tenzij er concrete aanwijzingen zijn die aanleiding geven om te vermoeden dat het anders ligt. Dat is hier niet het geval.

Strijd met artikel 3 EVRM

Voorts heeft de opgeëiste persoon betoogd dat er sprake van een dreigende schending van artikel 3 van het EVRM vanwege de in Italië zeer slechte detentie situatie in de gevangenissen.

Daartoe is aangevoerd dat algemeen bekend is dat de detentie situatie in Italië zeer slecht is, waarvoor is verwezen naar een groot aantal rapporten van mensenrechtenorganisaties. Daarbij is aangegeven dat thans 15.000 gedetineerden zijn vrijgelaten in het kader van een amnestieregeling vanwege de mensonterende omstandigheden.

De officier van justitie stelt dat niet aannemelijk is geworden dat de opgeëiste persoon zelf na overlevering wordt blootgesteld aan discriminatie, mishandeling of foltering. Het verweer is onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank deelt de opvatting van de raadsvrouw dat een dreigende schending van artikel 3 van het EVRM aan overlevering in de weg kan staan.

In het kader van artikel 11 OLW en de gestelde mogelijke schending van artikel 3 EVRM kan niet worden voorbijgegaan aan het toetsingskader waarbij van belang is dat in de voorliggende zaak sprake moet zijn van een reëel risico voor de opgeëiste persoon op een door artikel 3 EVRM verboden behandeling. De omstandigheid dat er veel rapporten de zorgelijke situatie in de Italiaanse gevangenissen beschrijven is onvoldoende om dat aan te nemen.

7. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, OLW

De raadsvrouw heeft aangevoerd - kort gezegd - dat het feit waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht in het onderhavige EAB deels zou zijn gepleegd op Nederlands grondgebied en dat de overlevering dan dient te worden geweigerd op grond van het gestelde in artikel 13 eerste lid onder a OLW.

De rechtbank merkt dienaangaande op dat de opgeëiste persoon het ingenomen standpunt dat het feit waarvan hij volgens het EAB wordt verdacht voor een deel in Nederland zijn gepleegd slechts kan onderbouwen met een aantal Italiaanse telefoontaps uit 2001/2002 op een kennelijk bij de opgeëiste persoon in gebruik zijnd Nederlands mobiel telefoonnummer.

De omstandigheid dat getapt is op Nederlandse mobiele nummers (kennelijk in gebruik bij de opgeëiste persoon) rechtvaardigt niet de conclusie dat er daadwerkelijk in Nederland getapt is dan wel dat zich strafrechtelijk relevante uitvoeringshandelingen in Nederland hebben voorgedaan.

Voorts stelt de rechtbank vast dat op grond van hetgeen is verwoord onder punt e van het EAB en in de brief van de officier van justitie bij het Hof van Beroep te Milaan van 25 juli 2006 gegeven bevestiging, dat België en Italië als pleeglocaties dienen te worden beschouwd. De rechtbank heeft in de vertalingen van de nadien, door zowel de raadsvrouw als het openbaar ministerie, ingebrachte stukken geen aanwijzingen aangetroffen dat het feit deels in Nederland zou zijn gepleegd.

De stelling van de raadsvrouw dat ”de feiten zich buiten het grondgebied van Italië hebben afgespeeld “ en dat de overlevering daarom op grond van artikel 13 eerste lid onder b moet worden geweigerd, behoeft -nu deze stelling verder niet concreet wordt onderbouwd - gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel geen verdere bespreking.

De officier van justitie heeft dan ook terecht afgezien van een vordering op grond van artikel 13, tweede lid, OLW. Het verweer wordt verworpen.

8. Slotsom

Nu ten aanzien van het feit waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

9. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikelen 2, 5, 7 en 11 van de Overleveringswet.

10. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de officier van justitie van het Openbaar Ministerie te Milaan (Italië) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende staat wegens het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr.J.C. Boeree, voorzit-ter,

mrs. J.P.W. Helmonds en A.R.P.J. Davids, rech-ters,

in tegenwoordigheid van mr. A.B. Boukema , grif-fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 10 oktober 2006.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.