Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:AZ1006

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-10-2006
Datum publicatie
26-10-2006
Zaaknummer
13.497.422-2006
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overlevering verzocht door Duitsland. De rechtbank vond in een gevoerd onschuldverweer aanleiding om nadere informatie in te winnen. Het onderzoek werd om die reden enkele weken geschorst. De inhoud van de informatie leidde er toe dat het verweer tenslotte werd verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497422-2006

RK nummer: 06/2942

Datum uitspraak: 13 oktober 2006

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 20 juli 2006 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 10 maart 2005 door de officier van justitie (‘Staatsanwalt’) bij het Openbaar Ministerie te Ulm (Duitsland). Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gede-tineerd in de Penitentiaire Inrichting ‘Rijnmond’,

Huis van Bewaring ‘Noordsingel’ te Rotterdam,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 6 oktober 2006. Daarbij zijn de offi-cier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. S.R. Bordewijk, advocaat te Schiedam, gehoord. De opgeëiste persoon heeft verklaard geen behoefte te hebben aan de bijstand van een opgeroepen tolk in de Servokroatische taal.

Een eerdere behandeling van de vordering heeft plaatsgevonden op de openbare zitting van

15 september 2006. Ook toen zijn de opgeëiste persoon, zijn raadsman en de officier van justitie gehoord. Het onderzoek is op die datum geschorst tot 6 oktober 2006 teneinde de officier van justitie de gelegenheid te geven aan de Duitse justitiële autoriteiten vier vragen te stellen en de antwoorden op die vragen af te wachten. De in artikel 22, derde lid, OLW bedoelde termijn is op 15 september 2006 met dertig dagen verlengd, om de reden zoals in het proces-verbaal van die zitting aangegeven.

Aangezien deze termijn op 20 oktober 2006 zal verstrijken, is besloten dat op 13 oktober 2006 uitspraak zal worden gedaan.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een arrestatiebevel ten grondslag, uitgevaardigd door de rechtbank te Geislingen/Steige en gedateerd 4 februari 2003, referentienummer 5Gs 52/05.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul-dig heeft gemaakt aan een naar het recht van Duitsland strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn, dat hij niet de Nederlandse, maar de Kosovaarse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

4.1 Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van het recht van de uitvaardigende lidstaat - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen - heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. Het feit valt onder nummer 5 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Op dit feit is bovendien naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan het feit en zijn onschuld te kunnen aantonen.

De opgeëiste persoon heeft op de zitting van 15 september 2006 aangevoerd dat hij van 6 juli 1999 tot 19 oktober 2000 onafgebroken gedetineerd heeft gezeten, terwijl volgens de raadsman uit het op die zitting door hem overgelegde vonnis van het Landgericht Ellwangen d.d. 25 november 2002 met betrekking tot [persoon1] kan worden opgemaakt dat het feit waarvoor genoemde [persoon1] is veroordeeld hetzelfde feit betreft als waarvoor nu de overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht en dat dit feit gepleegd is op een datum gelegen nà 23 december 1999.

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft ter zitting van 15 september 2006 verzocht de overlevering te weigeren nu ontegenzeggelijk is aangetoond dat de opgeëiste persoon onmogelijk het hem verweten feit kan hebben gepleegd.

De raadsman heeft op 6 oktober 2006 bij dit standpunt gepersisteerd.

De officier van justitie heeft op 15 september 2006 de rechtbank verzocht hem in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te (laten) verrichten met betrekking tot de inhoud van de overgelegde stukken, de vraag of de opgeëiste persoon en de persoon die in genoemde periode in Duitsland gedetineerd heeft gezeten één en dezelfde persoon zijn en onder welk gevangenisregiem deze detentie plaats vond alsmede wat de mogelijkheid van verlof tijdens de detentie is geweest. Bovendien moet worden vastgesteld dat het feit bedoeld in het vonnis, gewezen ten aanzien van [persoon1], en het feit genoemd in het EAB daadwerkelijk hetzelfde feit betreft.

Ter beoordeling van het door en namens de opgeëiste persoon gevoerde verweer en overeenkomstig het verzoek van de officier van justitie heeft de rechtbank op

15 september 2006 besloten dat nadere informatie ingewonnen moest worden bij de uitvaardigende justitiële autoriteit.

De rechtbank heeft de officier van justitie gelegenheid gegeven aan de Duitse justitiële autoriteiten de volgende vragen te stellen:

1. Betreft het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht hetzelfde feit als het eerste feit genoemd in het vonnis van het Landgericht Ellwangen d.d. 25 november 2002, betreffende [persoon1], op pagina 4 onder II?

2. Kunnen de Duitse justitiële autoriteiten bevestigen dat [opgeëiste persoon] in de periode 6 juli 1999 tot 19 oktober 2000 gedetineerd was in de Bondsrepubliek Duitsland?

3. Zo ja, kan – bijvoorbeeld met behulp van foto’s of vingerafdrukken – worden bevestigd dat de opgeëiste persoon dezelfde persoon is als de [opgeëiste persoon] die gedetineerd was in de Justizvollzugsanstalt Geldern?

4. Was het voor de opgeëiste persoon tijdens deze detentie mogelijk om – bijvoorbeeld in het kader van verlof of een verlicht gevangenisregiem – tijdelijk de detentieplaats te verlaten?

Ingevolge deze beslissing, heeft de parketsecretaris bij brief van 18 september 2006 aan de officier van justitie te Ulm, de heer Bischofberger, schriftelijk een aantal vragen gesteld.

De rechtbank heeft moeten vast stellen dat de door de rechtbank geformuleerde vragen onvolledig zijn weergegeven. Ten onrechte is niet (een vertaling in het Duits van) het proces-verbaal van de zitting van 16 september 2006 aan het Openbaar Ministerie te Ulm verstrekt. De door de rechtbank geformuleerde vragen zijn in de brief voorts onjuist geparafraseerd.

Wat hier ook van zij, de Staatsanwalt bij het Openbaar Ministerie te Ulm heeft bij brief van 27 september 2006 geantwoord dat

? de opgeëiste persoon van 6 juli 1999 tot 19 oktober 2000 onafgebroken in hechtenis heeft verbleven en dat hem in die periode geen verlof is verleend.

? de in het vonnis tegen [persoon1] vastgestelde toedracht van feiten hetzelfde feit betreft als het in het EAB omschreven feit. Hieraan heeft de Staatsanwalt toegevoegd dat er thans op grond van nieuw onderzoek twijfels bestaan ten aanzien van de in dat vonnis genoemde pleegdatum/pleegperiode. In de brief wordt gesteld – onder verwijzing naar gegevens uit het Duitse kentekenregister en een nader verhoor van een getuige op 26 september 2006 – dat er thans van uit moet worden gegaan dat de eerste levering van verdovende middelen, waarbij de opgeëiste persoon betrokken zou zijn, vóór 6 juli 1999 heeft plaatsgevonden.

De rechtbank stelt vast dat de in het EAB genoemde, zeer ruime, pleegperiode hiermee zodanig is beperkt dat de aangevoerde argumenten ten aanzien van de periode die de opgeëiste persoon in detentie in Duitsland heeft doorgebracht, het onschuldverweer niet langer kunnen dragen.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat het verweer faalt en dat de opgeëiste persoon er niet in is geslaagd zijn onschuld ter zitting aan te tonen.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan dit feit, is niet gebleken.

De raadsman heeft tenslotte nog aangevoerd dat het EAB vermeldt dat er van de opgeëiste persoon in Duitsland geen vingerafdrukken bekend zijn; dit gegeven zou zijn standpunt moeten ondersteunen dat de opgeëiste persoon niet degene is die in Duitsland wordt gezocht.

De rechtbank is van oordeel dat dit verweer faalt; het feit dat de opgeëiste persoon in Duitsland gedetineerd heeft gezeten – hetgeen niet wordt betwist – maakt het slecht voorstelbaar dat er ten dienste van politie en justitie geen vingerafdrukken van hem zijn afgenomen en opgeslagen. De rechtbank gaat er vanuit dat de vermelding in het EAB op een vergissing berust.

6. Overige verweren

De raadsman heeft aangevoerd dat noch uit het EAB noch uit de nagezonden stukken blijkt of volgens de Duitse strafwet een maximumstraf van tenminste drie jaar op het feit is gesteld. Het desbetreffende artikel ontbreekt. Om deze reden dient de overlevering te worden geweigerd.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Weliswaar ontbreekt bedoeld wetsartikel, maar uit de nagezonden stukken blijkt dat ter zake van het feit, waarvan de opgeëiste persoon wordt beschuldigd, reeds een vrijheidsstraf met een maximum van vijf jaar kan worden opgelegd indien het om minder zware gevallen gaat. Daarmee is voldaan aan het criterium dat er tenminste een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar op het feit moet zijn gesteld. In deze omstandigheden neemt de rechtbank er genoegen mee dat het bedoelde artikel niet is verstrekt door de uitvaardigende justitiële autoriteit.

7. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, Overleveringswet

Uit de stukken blijkt dat het feit, bedoeld onder 4.1 waarvoor de Duitse justitie de opgeëiste persoon wil vervolgen, gedeeltelijk in Nederland is gepleegd. Artikel 13, eerste lid, onder a van de Overleveringswet verbiedt in dit geval de overlevering voor deze feiten.

Op grond van het tweede lid van genoemd artikel heeft de officier van justitie gevorderd dat om redenen van goede rechtsbedeling dient te worden afgezien van bedoelde weigeringsgrond.

Zij heeft daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

Uit het EAB en de daarop betrekking hebbende stukken blijkt dat:

Enerzijds: de opgeëiste persoon is vanuit Nederland met de verdovende middelen naar Duitsland gereden.

Anderzijds blijkt uit het EAB en de daarop betrekking hebbende stukken dat om redenen van een goede rechtsbedeling dient te worden afgezien van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 lid 1, gelet op het feit dat:

- slechts een deel van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht gedeeltelijk op Nederlands grondgebied is gepleegd, te weten de levering van de drugs;

- dat de opgeëiste persoon ongewenst vreemdeling is in Nederland;

- dat uit de stukken niet blijkt dat de overige feiten (gedeeltelijk) op Nederlands grondgebied zouden zijn gepleegd;

- dat de opsporing en vervolging van het strafbare feit in Duitsland is aangevangen;

- dat de medeverdachte is veroordeeld in Duitsland;

- dat in Duitsland de bewijsmiddelen – onder meer in de vorm van inbeslaggenomen drugs en tapverslagen – voorhanden zijn;

- dat de inbeslaggenomen verdovende middelen waarschijnlijk bestemd waren voor de Duitse markt, in elk geval niet de Nederlandse markt, hetgeen eveneens een argument vormt voor de conclusie dat het zwaartepunt van de schending van de rechtsorde vanwege de schadelijke gevolgen van het strafbare feit vooral buiten Nederland ligt.

Het bovenstaande brengt de officier van justitie tot het oordeel dat bij afweging van het belang dat de opgeëiste persoon heeft bij een berechting in Nederland en het belang dat de verzoekende staat heeft bij zijn berechting aldaar, het belang van de verzoekende staat dient te prevaleren.

De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie op de door haar aangevoerde gronden in redelijkheid tot haar vordering heeft kunnen komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13 Overleveringswet bedoelde weigeringsgrond.

8. Slotsom

Nu ten aanzien van het feit waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

9. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikelen 2, 5, 7 en 13 van de Overleveringswet.

8. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de officier van justitie verbonden aan het Openbaar Ministerie te Ulm (Duitsland) ten behoeve van het in Duitsland tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzit-ter,

mrs. P.B. Martens en A.R.P.J. Davids, rech-ters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, grif-fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 13 oktober 2006.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.