Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:AZ0951

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-10-2006
Datum publicatie
26-10-2006
Zaaknummer
341920
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beschikking, art. 186 Rv

verzoek voorlopig getuigenverhoor afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 341920 / HA RK 06-313

Beschikking van 5 oktober 2006

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CAMP KLEYN PROJECT II B.V.,

gevestigd te Schiphol-Rijk,

verzoekster,

procureur mr. A.C. Zondervan,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HEDDES BOUW B.V.,

gevestigd te Hoorn,

verweerster,

procureur mr. J.W. Hamming,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOTEL LIJNDEN B.V.,

gevestigd te Hoorn,

verweerster,

procureur mr. J.W. Hamming,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOTEL LIJNDEN HOLDING B.V.,

gevestigd te Hoorn,

verweerster,

procureur mr. J.W. Hamming,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HEDDES HOLDING B.V.,

gevestigd te Hoorn,

verweerster,

procureur mr. J.W. Hamming,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CASE VI HOLDING B.V.,

gevestigd te Hoorn,

verweerster,

procureur mr. J.W. Hamming,

6. A,

wonende te ( woonplaats ),

verweerder,

procureur mr. J.M. Gerretsen,

7. B,

wonende te ( woonplaats ),

verweerder,

procureur mr. M.L. Donker,

8. C,

wonende te ( woonplaats ),

verweerder,

procureur mr. M.L. Donker,

9. D,

wonende te ( woonplaats ),

verweerder,

procureur mr. M.L. Donker.

Partijen worden hierna ook CKPII en Heddes Bouw c.s. genoemd. Verweerders 1 tot en met 5 worden ook aangeduid met de Heddes Groep.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bewijsstukken,

- de mondelinge behandeling en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

De vaststaande feiten

Gerekwestreerden sub 6 tot en met 9 zijn bestuurder respectievelijk commissarissen van de tot de Heddes-Groep behorende vennootschappen.

CKPII en de Heddes Groep zijn – kort gezegd - een joint venture aangegaan met als doel het realiseren van een hotel te Lijnden. De betreffende percelen (hierna: de percelen) waren eigendom van CKPII. Op de percelen is door Hotel Lijnden B.V. een hotel gerealiseerd, dat is gebouwd door Heddes Bouw B.V.

Op 27 januari 2006 hebben partijen op basis van de vaststelling dat verdere samenwerking niet wenselijk was een vaststellingsovereenkomst gesloten. Bij deze vaststellingsovereenkomst zijn partijen overeengekomen, kort gezegd, dat CKPII een eerste recht van uitkoop zou hebben en daarmee de (economische) eigendom van het hotel zou kunnen verwerven (optie 1). CKPII moest dan tijdig verklaren van de optie gebruik te maken en vervolgens vóór 28 februari 2006 de uitkoopsom van € 31,5 miljoen hebben gestort bij de notaris. Indien CKPII niet binnen de gestelde termijn gebruik zou hebben gemaakt van haar uitkooprecht of niet tijdig de uitkoopsom zou hebben voldaan, zou Hotel Lijnden B.V. een recht van uitkoop hebben om de eigendom van de grond te verwerven tegen betaling van een koopsom van € 14,5 miljoen (optie 2). Hotel Lijnden moest in dat geval uiterlijk 15 maart 2006 verklaren dat zij gebruik maakte van optie 2. Verder bevat de vaststellingsovereenkomst de volgende bepaling:

5.3 Indien tijdig gebruik wordt gemaakt van het recht van uitkoop en de overeengekomen betaling (van de eerste termijn) van de uitkoopsom en de zekerheidsstellingen tijdig plaatsvinden (...) geven partijen elkaar voor het verleden over en weer finale kwijting.

Bij vonnis van 6 april 2006 heeft de voorzieningenrechter in deze rechtbank de termijn waarbinnen CKPII haar eerste recht van uitkoop kon uitoefenen verlengd, zodat deze afliep op 18 april 2006.

Op 14 april 2006 is door Hollandsche Bank Unie N.V. (hierna: HBU) onder CKPII beslag gelegd op de percelen ten laste van Camp Kleyn Associates, de moedervennootschap van CKPII.CKPII heeft als gevolg daarvan niet vóór 18 april 2006 de koopsom kunnen betalen.

Bij vonnis van 18 mei 2006 heeft de voorzieningenrechter in deze rechtbank – kort gezegd – (onder meer) CKPII en Hotel Lijnden B.V. veroordeeld om medewerking te verlenen aan de levering van de percelen aan Hotel Lijnden B.V. indien Hotel Lijnden B.V. per 31 mei 2006 heeft voldaan aan haar betalingsverplichtingen, voortvloeiende uit het inroepen van optie 2 van de vaststellingsovereenkomst.

Op 31 mei 2006 heeft notaris mr. E met behulp van volmachten de betreffende akten van levering van de percelen aan de Hotel Lijnden B.V. gepasseerd.

Het verzoek

Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor zal bevelen voor het horen als getuige van een drieëntwintigtal personen, genoemd in het verzoekschrift.

CKPII legt aan haar verzoek het volgende ten grondslag. HBU heeft op onrechtmatige wijze samengespannen met de Heddes Groep. Hotel Lijnden B.V. en Heddes Bouw B.V. hebben de vooroplevering van het hotel, waartoe zij op grond van de vaststellingsovereenkomst gehouden waren, getraineerd, waardoor CKPII de financiering van haar recht van uitkoop niet kon rondkrijgen. Vervolgens heeft CKPII via de voorzieningenrechter een verlenging van de termijn afgedwongen. HBU heeft toen echter op haar beurt het recht van uitkoop binnen die verlengde termijn gedwarsboomd door (onder meer) beslag te leggen op de percelen. HBU had hetzelfde belang als de Heddes Groep bij het frustreren van CKPII, aangezien zij de koop op grond van optie 2 zou financieren.

CKPII wenst de in het verzoekschrift genoemde getuigen te horen over, samengevat, het volgende:

i) voorafgaand aan de vaststellingsovereenkomst: de gang van zaken rond de joint venture;

ii) na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst: de samenspanning tussen de Heddes Groep en HBU;

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft CKPII nog verklaard dat het verzoek mede betrekking heeft op:

iii) de gang van zaken rond de levering van de percelen op 31 mei 2006, en de vraag of deze levering rechtsgeldig heeft plaatsgevonden.

Heddes Bouw c.s. verzet zich tegen inwilliging van het verzoek. Heddes Bouw c.s. stelt daartoe dat sprake is van een fishing expedition van CKPII, die is ingesteld met geen ander doel dan het schaden van Heddes Bouw c.s.. CKPII maakt daarmee, aldus Heddes Bouw c.s., misbruik van haar bevoegdheid.

De beoordeling

Uitgangspunt bij de beoordeling van een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor als het onderhavige is dat het verzoek onder meer kan worden afgewezen op de grond dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt, waarvan onder meer sprake kan zijn wanneer de verzoeker wegens de onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet tot toepassing van die bevoegdheid kan worden toegelaten. Dat betekent dat de vraag voorligt of CKPII een belang heeft dat in dit verband voldoende opweegt tegen het belang van Heddes Bouw c.s. om een kostbare procedure te vermijden, als gevolg van welke procedure bovendien te verwachten valt dat, naar Heddes Bouw c.s. onbetwist heeft gesteld, voor Heddes Bouw c.s. nadelige media-aandacht zal ontstaan.

Voorts dient de verzoeker tevens een rechtspositie te hebben waaraan hij de bevoegdheid kan ontlenen om de aan de getuigen voor te leggen vragen tot inzet van een gerechtelijk vooronderzoek te maken. Dat betekent dat de vraag moet worden beantwoord of CKPII voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit kan worden afgeleid dat zij een rechtspositie heeft die voldoende sterk is om het houden van het voorlopig getuigenverhoor te rechtvaardigen.

De rechtbank beantwoordt beide hiervoor weergegeven vragen ontkennend, en wel op grond van het navolgende.

Ten aanzien van de door CKPII geformuleerde, aan de getuigen te stellen vragen over de periode, voorafgaand aan de vaststellingsovereenkomst, moet worden vastgesteld dat hetgeen zich in die periode heeft afgespeeld is achterhaald door de finale kwijting die partijen elkaar over en weer in die overeenkomst hebben verleend. CKPII heeft onvoldoende gesteld waaruit het tegendeel kan volgen. Afgaande op hetgeen door partijen in dit geding is gesteld is de rechtbank dan ook van oordeel dat niet aannemelijk is dat in een eventuele gerechtelijke procedure hetgeen tussen partijen voorafgaand aan de vaststellingsovereenkomst is voorgevallen relevant zal worden geacht.

CKPII stelt voorts weliswaar “aanwijzingen” te hebben voor de gestelde samenspanning tussen HBU en de Heddes Groep. Zij concretiseert die stelling echter niet, maar laat het in dit verband bij de enkele verwijzing naar de omstandigheid dat HBU en de Heddes Groep een gelijk belang zouden hebben bij het dwarsbomen van CKPII, dat Hotel Lijnden B.V. en Heddes Bouw B.V. eerder de vooroplevering hebben getraineerd en de omstandigheid dat CKPII met HBU een schikking heeft bereikt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft CKPII daarmee onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit, indien bewezen, kan volgen dat sprake is van samenspanning tussen de Heddes Groep en HBU, waardoor de Heddes Groep onrechtmatig zou hebben gehandeld jegens CKPII. De onderbouwing van het verzoek van CKPII is op dit onderdeel dan ook te vaag.

Ten slotte heeft Heddes Bouw c.s. terecht betoogd dat partijen het eens zijn over de meeste relevante feiten met betrekking tot de gang van zaken bij de levering van de percelen aan de Heddes Groep, maar dat partijen in hoofdzaak twisten over de juridische gevolgen van die feiten, waaronder het moment van betaling. Voor het overige stelt CKPII niet méér dan dat sprake zou kunnen zijn van samenspanning tussen de notaris en Heddes Bouw c.s., zodat ook in dat opzicht naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende is gesteld. De enkele wens van CKPII om uit te zoeken of wellicht sprake is van “zaken die het daglicht niet kunnen verdragen” is in de gegeven omstandigheden ontoereikend om een voorlopig getuigenverhoor te rechtvaardigen.

De conclusie uit het voorgaande moet zijn dat, nu CKPII niet voldoende duidelijk stelt welke feiten en stellingen, voor zover relevant, zij aan een eventueel in te stellen vordering ten grondslag wenst te leggen, het voorlopig getuigenverhoor zoals verzocht niet kan worden toegewezen.

CKPII zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Heddes Bouw c.s. worden begroot op EUR 452,00 aan salaris procureur (1,0 punten × tarief EUR 452,00)

De beslissing

De rechtbank

wijst het verzochte af,

veroordeelt CKPII in de proceskosten, aan de zijde van Heddes Bouw c.s. tot op heden begroot op EUR 452,00.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. van Hees en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2006.?