Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:AZ0409

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
19-10-2006
Zaaknummer
318296
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

verkeersongeval tussen een bestuurder van een motorrijtuig en een fietser, overmacht, eigen schuld ex art. 6:101 BW, regresvordering verzekeraar, billijkheidscorrectie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 318296 / HA ZA 05-1724

Vonnis van 11 oktober 2006

in de zaak van

de onderlinge waarborgmaatschappij

OWM ZORGVERZEKERAAR VGZ U.A.,

gevestigd te Eindhoven,

eiseres,

procureur mr. A. van Hees,

advocaat mr. M.J. Snijder te Alphen aan den Rijn,

tegen

1. de naamloze vennootschap

DELTA LLOYD N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. A,

wonende te ( woonplaats ),

gedaagden,

procureur mr. H. de Boer.

Partijen zullen hierna VGZ en Delta Lloyd en A genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met 5 producties

- de conclusie van antwoord met 2 producties

- de conclusie van repliek met 5 producties

- de conclusie van dupliek.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

Op 31 januari 2002 heeft om omstreeks 7.53 uur in de morgen op de Javastraat te Maastricht een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een motorrijtuig (een personenauto van het merk Volvo, type 740 Gl K6, uit het bouwjaar 1989) (verder te noemen de auto), bestuurd door A en een fiets (verder te noemen de fiets), bereden door B, geboren (...), (verder te noemen: B), als gevolg waarvan B een dwarslaesie heeft opgelopen.

VGZ voldeed op grond van de Ziekenfondswet de kosten van verzorging en verpleging ten behoeve van haar verzekerde B.

De burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe de auto in het verkeer aanleiding kan geven, werd ten tijde van het ongeval gedekt door Delta Lloyd.

Ten tijde van het ongeval reed A in de auto op de Javastraat, een uit twee rijstroken bestaande voorrangsweg binnen de bebouwde kom waarlangs aan beide zijden een fietspad loopt, komende uit de richting van de Tongerseweg en gaande in de richting van de Ebenistendreef. Enkele meters na een T-splitsing (gezien vanuit richting van de Tongerseweg naar links) in de Javastraat en de Planetenhof bevindt zich op de Javastraat een oversteekplaats voor fietsers. Ten tijde van het ongeval reed B op haar fiets op die oversteekplaats, komende van het fietspad uit de richting van de Borneostraat en gaande in de richting van de Planetenhof. In het midden van de oversteekplaats bevindt zich ter hoogte van de scheiding van de rijstroken van de Javastraat een vluchtheuvel. Kort voordat B op de fiets die vluchtheuvel bereikte, is de linker voorkant van de auto in botsing gekomen met de linker achterzijde van de fiets. B is daarbij met de fiets ten val gekomen, ten gevolge waarvan zij genoemd letsel heeft opgelopen.

Om 7.57 uur die ochtend waren de hoofdagent van politie C en de agent van politie D ter plaatse. Door hen is proces-verbaal opgemaakt.

In het door hen opgemaakte proces-verbaal van bevindingen staat onder meer het volgende:

“BEVINDINGEN

(…)

Het verkeersbeeld was druk in verband met woon/werkverkeer.

(…)

Wij zagen, dat zij{rechtbank: bedoeld wordt B}gekleed was in een lange beige jas.

(…)

Wij zagen dat de dynamo van de fiets, welke voor het voor- en achterlicht zorgt niet in werking was gesteld. De dynamo stond in de uit stand.

WEERSGESTELDHEID

Het was donker dan wel beginnende schemer. Het regende en de straatverlichting brandde. Het wegdek was nat.

(…)

SCHADE VOERTUIGEN

Wij zagen, dat de betrokken fiets schade had aan de linker achterzijde. Het stuur was naar rechts verbogen.

Wij zagen, dat in de linker verticale stang van de bagagedrager een deuk zat.

Wij zagen, dat de ketting van het tandwiel was afgelopen.

Wij zagen, dat van de personenauto aan de linker voorzijde, het glas van het knipperlicht en het stadslicht kapot was. Deze lichten bevinden zich uiterst links boven elkaar.

Wij zagen, oranje en transparante glasscherven links voor de auto liggen.”

In het door genoemde verbalisanten opgemaakte proces-verbaal van verhoor op 31 januari 2002 te 8.30 uur van A staat onder meer het volgende:

“(…)

Ik reed ongeveer 40 km p/uur. Hierna naderde ik een straat naar linksaf {rechtbank: bedoeld wordt de Planetenhof}. Het was erg druk met verkeer. Ik moest afremmen daar een aantal auto’s voor mij reden en linksaf wilden slaan. Ik reed op dat moment ongeveer 20 a 30 km p/uur. Ik weet nog dat een auto voor mij fel optrok en rechtdoor reed. Het regende en het was nog donker. Ik rij deze weg elke dag, daar mijn tandartspraktijk iets verderop ligt. Ik reed nog steeds met een snelheid van ongeveer 20 a 30 km p/uur. De weg naar linksaf en de oversteekplaats zijn nagenoeg op dezelfde plaats. Ineens zag ik bij de oversteekplaats voor de fietsers een persoon op een fiets oversteken. Ik zag dat deze persoon niet in mijn richting keek. Ik remde meteen krachtig, stond nagenoeg meteen stil. Ik hoorde geen klap. Ik zag dat de fiets draaide en een persoon naast mijn auto viel. Toen ik uitstapte zag ik een vrouw links naast mijn auto liggen. Het moment dat ik haar zag en de aanrijding plaatsvond was minimaal. Toen ik haar voor de eerste keer zag was zij in het midden van mijn auto. Hier bedoel ik mee, dat het voorwiel van de fiets in het midden van de voorzijde van mijn auto was. Zij keek mij absoluut niet aan en reed gewoon door. (…) Ik heb deze vrouw absoluut niet zien aankomen. Ineens zag ik een fietser in de regen en duisternis voor mijn auto.”

Blijkens genoemd proces-verbaal van bevindingen is B in verband met haar medische toestand ten gevolge van het ongeval niet door de verbalisanten gehoord.

Bij brief van 12 oktober 2005 heeft de advocaat van B aan de advocaat van VGZ een “getuigenverklaring” d.d. 11 oktober 2005 van B doen toekomen. In die verklaring is op de vraag hoe de weersomstandigheden ten tijde van het ongeval waren door B ingevuld: “donker, regenachtig”, op de vraag of de verlichting op de fiets was ingeschakeld: “Volgens mij wel. Ik doe dat altijd.”, op de vraag of zij in eigen bewoordingen kon weergeven hoe het ongeval zich heeft voorgedaan: “Nee, ik weet niets meer van het geval” en tenslotte “Ik weet alleen, dat ik altijd goed uitkijk en ik de auto niet heb gezien.” Door de advocaat van B is voorts op de plaats bestemd voor de handtekening van B ingevuld: “cliënte kan niet tekenen”.

In het door A ingevulde aanrijdingsformulier heeft A verklaard dat door de auto verlichting werd gevoerd, niet zijnde stadsverlichting.

Van de auto zijn ter plaatse van het ongeval geen remsporen aangetroffen.

In een door VGZ in het geding gebracht briefrapport d.d. 8 juli 2003 staat onder meer het volgende: Met een westelijke stroming passeerde in de vroege ochtend {rechtbank: bedoeld is van 31 januari 2002) een koufront, waarbij in Maastricht tot ca. 04.55 uur enige regen viel. Om ca. 07.53 was het half bewolkt en droog (…) Het zicht was goed (>10 km). (…) De zon kwam om 8.23 uur op en de burgerlijke schemering duurde ca. 35 minuten. De gegevens zijn afgeleid uit waarnemingen en metingen op omliggende KNMI-stations. (…) Men spreekt van burgerlijke schemering, wanneer het middelpunt van de zonneschijf minder dan zes graden beneden de horizon is.

Gedurende de burgerlijke schemering (bij helder weer):

. zijn de omtrekken van grote voorwerpen duidelijk zichtbaar;

(…)”.

De banden van de fiets waren voorzien van reflectoren.

Het geschil

VGZ vordert - samengevat - hoofdelijke veroordeling van Delta Lloyd en A tot betaling van primair EUR 171.775,08, subsidiair 50% van dat bedrag, in beide gevallen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 november 2002, EUR 4.354,62 aan buitengerechtelijke kosten met wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding en proceskosten.

Tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven feiten legt VGZ het volgende aan haar vordering ten grondslag. VGZ voldeed op grond van de Ziekenfondswet de kosten van verzorging en verpleging van B. De door VGZ tot dusverre betaalde kosten van verzorging en verpleging ten behoeve B bedragen vanaf de ongevalsdatum tot en met 30 oktober 2002 EUR 171.775,08. Alle behandelingen die na het ongeval gevolgd zijn, zijn een direct gevolg van het ongeval. Nu sprake is van een verkeersongeval tussen een motorrijtuig en een fietser en geen sprake is van overmacht, is op grond van het bepaalde in artikel 185 van de Wegenverkeerswet (WVW) aansprakelijkheid gegeven. Op grond van artikel 83b van de Ziekenfondswet heeft VGZ het recht de door haar betaalde kosten van verzorging en verpleging op Delta Lloyd en A te verhalen. VGZ heeft op grond van artikel 6 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) een rechtstreeks vorderingsrecht op Delta Lloyd. Voor zover de rechtbank van oordeel zou zijn dat het ontstaan van het ongeval mede is veroorzaakt door aan B toe te rekenen verkeersgedragingen, vordert VGZ subsidiair ten minste 50% van de kosten van verzorging en verpleging. Op 4 november 2002 heeft VGZ een gespecificeerde vordering ingediend ter hoogte van genoemd bedrag onder aanzegging van de wettelijke rente met ingang van 18 november 2002. VGZ heeft op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b en c van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van de door haar betaalde kosten van buitengerechtelijke rechtshulp ten bedrage van EUR 4.344,62.

Delta Lloyd en A voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

Hoewel dit door VGZ niet is gesteld en ook Delta Lloyd en A zich daarover niet hebben uitgelaten, gaat de rechtbank er vanuit dat A de eigenaar of houder van de auto is.

Delta Lloyd en A hebben primair een beroep op overmacht als bedoeld in artikel 185 WVW gedaan. Subsidiair hebben Delta Lloyd en A een beroep op eigen schuld aan de zijde van B (VGZ) gedaan.

De rechtbank verwerpt het door Delta Lloyd en A gedaan beroep op overmacht. Niet gezegd kan worden dat de bestuurder van het motorrijtuig geen verwijt gemaakt kan worden. Gezien het feit dat B op het moment dat het verkeersongeval plaatsvond, al nagenoeg de door A in de auto bereden rijstrook van de Javastraat was overgestoken en A, naar hij tegenover de politie heeft verklaard, kort voor het ongeval 20 à 30 km per uur reed, meteen krachtig heeft geremd en nagenoeg meteen stilstond, is aannemelijk dat A onvoldoende tijdig aandacht heeft gehad voor de mogelijkheid dat zich op die oversteekplaats een fietser kon bevinden/bevond. Met de verklaring bij de politie van A dat, toen hij B voor de eerste keer zag, zij met het voorwiel van de fiets in het midden van de voorzijde van de auto was, wordt door A feitelijk ook erkend dat hij B te laat heeft gezien. Ook het ontbreken van enig remspoor van de auto maakt aannemelijk dat A de fiets met daarop B pas tijdens de aanrijding of heel kort voordien heeft opgemerkt. Voor dat te laat zien door A van B kan niet gezegd worden dat A geen verwijt gemaakt kan worden. Gezien het feit dat zijn voorganger, naar A eveneens bij de politie heeft verklaard, na de stop voor de T-kruising met de Planetenhof fel optrok en rechtdoor reed moet hij tijdig zicht op de oversteekplaats voor fietsers hebben gekregen. De weersgesteldheid (regende het wel of regende het niet), de verlichting van de fiets (voerde die wel of geen licht) en de verlichting van de straat (was een lantaarnpaal nabij de oversteekplaats nu wel - zoals Delta Lloyd en A hebben gesteld - of niet defect) kunnen in dit oordeel geen verandering brengen. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat de auto licht voerde (zijnde geen stadslicht), de banden van de fiets van reflectoren voorzien waren en in ieder geval één van de twee lantaarnpalen die zich - naar uit de door beide partijen overgelegde foto’s blijkt - aan weerszijden van de fietsoversteekplaats bevinden, moet hebben gebrand. Hierdoor moet de zichtbaarheid voor A van de fiets met daarop B, ook als het regende, de fiets geen licht voerde en één van de twee lantaarnpalen defect was, voldoende zijn geweest om, gezien ook de snelheid waarmee A verklaard heeft te hebben gereden, zo tijdig te kunnen remmen dat een aanrijding voorkomen had kunnen worden.

Op grond van het hiervoor overwogene moet dan ook worden geoordeeld dat op grond van het bepaalde in artikel 185 lid 1 WVW A en daarmee op grond van artikel 6 WAM ook Delta Lloyd in beginsel verplicht is om de door het verkeersongeval aan B toegebrachte schade te vergoeden.

Daarmee komt thans aan de orde het subsidiaire verweer van Delta Lloyd en A dat die schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan B kan worden toegerekend en dat daarom genoemde vergoedingsplicht moet worden verminderd en tussen partijen zal moeten worden verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, waarbij gezien de uiteenlopende ernst en mate van verwijtbaarheid van de fouten, een zodanige billijkheidscorrectie dient plaats te vinden dat de schade geheel dan wel voor het overgrote deel voor rekening van VGZ blijft.

Naar het oordeel van de rechtbank is inderdaad sprake van eigen schuld van B als bedoeld in artikel 6:101 BW. Onbetwist is dat B op het moment dat de auto de plek waarop B de Javastraat, een voorrangsweg, wilde oversteken van dichtbij naderde, in strijd met artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 geen voorrang heeft verleend. Voorts valt B te verwijten dat zij bij dat oversteken onoplettend is geweest. Naar zij heeft verklaard, heeft zij de auto niet gezien, dat terwijl de zichtbaarheid, gelijk hiervoor overwogen en ook voor B geldt, ter plaatse voldoende moet zijn geweest. Hieraan kan nog worden toegevoegd dat B, naar de door VGZ niet betwiste verklaring van A bij de politie, niet in de richting van A keek, de richting vanwaar, naar zij op bedacht had moeten zijn, verkeer zou kunnen komen/kwam.

Gelijk hiervoor overwogen, moet de zichtbaarheid voor A van de fiets met daarop B, ook als het regende, de fiets geen licht voerde en één van de twee lantaarnpalen defect was, voldoende zijn geweest om zo tijdig te kunnen remmen dat een aanrijding voorkomen had kunnen worden, zodat in het midden kan blijven of B het verwijt gemaakt kan worden dat de fiets geen licht voerde. Daar komt bij dat niet zal kunnen worden vastgesteld of de fiets al dan niet licht voerde. A heeft er in zijn verklaring bij de politie niets over verklaard; Delta Lloyd en A baseren dit verweer klaarblijkelijk op de vaststelling in het proces-verbaal van politie dat de dynamo van de fiets niet in werking was gesteld/in de uit stand stond. Dit kan echter door de val van de fiets veroorzaakt zijn. Volgens B was de verlichting van de fiets aangeschakeld. Omdat zij zich van het ongeval niets meer herinnert, zal die verklaring echter vooral zijn ingegeven door het feit dat zij, zoals zij verder verklaart, dat altijd deed. Daarbij komt dat door geen van partijen getuigen zijn opgegeven omtrent hun stellingen over het al dan niet licht voeren door de fiets.

Gezien de hiervoor besproken aan B toe te rekenen omstandigheden die tot de schade hebben bijgedragen, zal de rechtbank de vergoedingsplicht van Delta Lloyd en A verminderen tot 50% van de schade.

Nu de vordering van VGZ een regresvordering betreft is er geen grond om een billijkheidscorrectie toe te passen voor het zogenaamde “Betriebsgefahr”. Ook is er geen sprake van een zodanig uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten dat op grond daarvan een billijkheidcorrectie op zijn plaats is. De omstandigheid dat de schade bij B zo groot is, omdat zij bij haar val van de fiets buitengewoon ongelukkig terecht is gekomen, kan evenmin tot een billijkheidscorrectie leiden. Dit is een risico dat zich bij een verkeersongeval als bedoeld in artikel 185 WVW altijd kan verwezenlijken.

Delta Lloyd en A hebben subsidiair het causaal verband tussen het ongeval en de gevorderde hoofdsom betwist en daarmee de hoogte daarvan. VGZ heeft de door haar gevorderde hoofdsom onderbouwd door specificaties van de door haar betaalde kosten van verpleging en verzorging van B tot en met 30 oktober 2002 in het geding te brengen. Ter onderbouwing van haar stelling dat al die kosten een gevolg zijn van het B overkomen ongeval heeft zij voorts het medisch dossier van B overgelegd. Op geen van deze stukken zijn Delta Lloyd en A inhoudelijk ingegaan. Op grond hiervan moet het onderhavige verweer dan ook als onvoldoende onderbouwd worden verworpen. Van de gevorderde hoofdsom zal mitsdien EUR 85.887,54 worden toegewezen.

Tenslotte hebben Delta Lloyd en A betwist dat VGZ buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt om haar vordering voldaan te krijgen. Subsidiair heeft zij de hoogte van het daarvoor door VGZ gevorderde bedrag betwist. Ter onderbouwing van dit onderdeel van haar vordering heeft VGZ een urenspecificatie met een overzicht van de verrichte werkzaamheden in het geding gebracht. Ook op dit stuk zijn Delta Lloyd en A niet inhoudelijk ingegaan. Op grond hiervan staat voor de rechtbank vast dat door VGZ buitengerechtelijke kosten ter voldoening van haar vordering zijn gemaakt. In een geval waarin een partij overgaat tot invordering van buitengerechtelijke kosten dienen deze kosten de grenzen van de redelijkheid niet te overschrijden, althans dient de toekenning daarvan niet te leiden tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen. Naar het oordeel van de rechtbank is vergoeding van een bedrag tot een beloop van twee punten van het toepasselijke liquidatietarief in het algemeen redelijk. De rechtbank zal de gevorderde buitengerechtelijke kosten dan ook ambtshalve matigen tot een bedrag gelijk aan twee punten van het voor de toe te wijzen hoofdsom geldende liquidatietarief, zijnde EUR 1.788,00. Bij de bepaling van het te dezen toegepaste tarief en dat van de proceskosten heeft de rechtbank betrokken enerzijds dat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen en anderzijds dat Delta Lloyd en A, naar VGZ onbetwist heeft gesteld, een voorstel uit te gaan van een verdeling 50%-50% van de hand hebben gewezen.

Delta Lloyd en A zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Gezien het hiervoor overwogene begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van VGZ op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding EUR 85,60

- vast recht 1.930,00

- salaris procureur 1.788,00 (2,0 punten × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 3.803,60

De beslissing

De rechtbank

veroordeelt Delta Lloyd en A hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan VGZ te betalen een bedrag van EUR 87.675,54 (zevenentachtig duizend zeshonderdvijfenzestig euro en vierenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 18 november 2002 tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt Delta Lloyd en A in de proceskosten, aan de zijde van VGZ tot op heden begroot op EUR 3.803,60,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, mr. A.J. van der Meer en mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2006.?