Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:AZ0188

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-10-2006
Datum publicatie
16-10-2006
Zaaknummer
13/524192-05 (zaak A) en 13/047475-04 (zaak B)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte, een tekenleraar van het Sweelinckcollege, wordt er van verdacht een meisje voor haar eigen woning met een mes te hebben gestoken en haar zeven steekwonden te hebben toegebracht onder druk van twee anderen, waaronder de ex van dat meisje.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummers: 13/524192-05 (zaak A) en 13/047475-04 (zaak B)

Datum uitspraak: 16 oktober 2006

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te distrikt [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens

op het [adres]

gedetineerd in het Huis van Bewaring “De Grittenborgh” te Hoogeveen.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna genoemd respectievelijk zaak A en zaak B.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 25 en 28 september 2006 en 2 oktober 2006.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaardingen, waarvan kopieën als bijlage 1 en 2 aan dit vonnis zijn gehecht. De in die dagvaardingen vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

3. Waardering van het bewijs

Algemeen

3.1. Alvorens tot de beoordeling van hetgeen aan verdachte is telastegelegd over te gaan, zal de rechtbank zich uitlaten over de vraag of de verklaringen die [verdachte] ten overstaan van de politie, de rechter-commissaris en de rechtbank heeft afgelegd geheel of gedeeltelijk als geloofwaardig en betrouwbaar kunnen worden aangemerkt, en welke gevolgen dit voor het bewijs van de aan verdachte telastegelegde feiten heeft.

Verklaringen [verdachte]

3.1.1 Vooropgesteld dient te worden dat [verdachte] wisselende verklaringen heeft afgelegd. Hij heeft gedurende de eerste drie weken van het onderzoek ontkend het slachtoffer te hebben gestoken. Wel heeft hij verklaard sinds lange tijd onder bedreiging te zijn gedwongen geld en goederen af te geven aan [medeverdachte1] en [medeverdachte2].

3.1.2 [verdachte] heeft tijdens zijn verhoor bij de politie op 13 juli 2005 een opvallende draai gemaakt in zijn verklaring. Hij heeft toen bekend dat hij op 23 juni 2005 het [slachtoffer] met een mes heeft gestoken, zulks onder zware psychische druk van [medeverdachte1] en [medeverdachte2], onder andere bestaande in ernstige bedreigingen

3.1.3 Vervolgens is hij in zijn verklaringen bij de rechter-commissaris in april en mei 2006 en ter zitting gedeeltelijk teruggekomen op de aard en ernst van de bedreigingen door [medeverdachte1] en [medeverdachte2]. Zo verklaart hij dat hij [medeverdachte1] en [medeverdachte2] tijdens hun detentie geld en goederen bracht, en na hun vrijlating in hun opdracht een auto heeft aangeschaft, voornamelijk omdat [medeverdachte1] en [medeverdachte2] dreigden ‘zijn dossier’ op straat te gooien. [verdachte] was bang dat zijn betrokkenheid bij een aantal inbraken, waaronder inbraken in de school waar hij toentertijd als tekenleraar werkzaam was, bekend zou worden. Aldus had [verdachte] zich in een chantabele positie laten manoeuvreren.

Volgens [verdachte] sloeg de chantage om in ernstige bedreigingen in de nacht dat hij moest aanbellen bij de woning van het slachtoffer, enkele dagen voor de steekpartij. Vanaf dat moment - zo zegt hij - werd de psychische druk door [medeverdachte1] en [medeverdachte2] op [verdachte] verhoogd.

Betrouwbaarheid [verdachte]

3.1.4 De rechtbank acht de verklaring van [verdachte] dat hij het slachtoffer heeft gestoken betrouwbaar. Dat [verdachte] daarbij onder druk van [medeverdachte1] en [medeverdachte2] heeft gestaan is voorts aannemelijk geworden. Zonder deze druk valt redelijkerwijs niet te begrijpen waarom [verdachte] tot zijn daad is gekomen. [verdachte] heeft vanaf het moment dat hij de steekpartij heeft bekend consistent verklaard over de psychische druk die op hem werd uitgeoefend door [medeverdachte1] en [medeverdachte2], voornamelijk bestaande uit hun dreiging ‘zijn dossier’ op straat te zullen gooien. Op dit punt acht de rechtbank de verklaring van [verdachte] eveneens betrouwbaar.

3.1.5 In de eerste verklaringen bij de politie stelt [verdachte] dat al vóór het moment van aanbellen niet alleen sprake was van chantage, maar van regelrechte bedreiging met de dood of geweld door [medeverdachte1] en [medeverdachte2]. Zoals hiervoor is weergegeven is hij daarop later teruggekomen en zegt hij pas echt te zijn bedreigd op de avond van het aanbellen bij het slachtoffer en in de dagen daarna. [verdachte] is hier inconsistent in zijn verklaringen.

Daar komt bij dat de verhouding tussen [verdachte] en [medeverdachte1] en [medeverdachte2] een lange voorgeschiedenis kent. Niet uit te sluiten valt dat [verdachte] de door [medeverdachte1] en [medeverdachte2] geuite bedreigingen op punten heeft aangedikt om hen in een kwaad daglicht te stellen.

Vast is komen te staan dat [verdachte] anderen valselijk heeft beschuldigd teneinde zijn eigen verantwoordelijkheid te ontlopen. Zo heeft [verdachte] naar eigen zeggen niet geschroomd de medeverdachte [medeverdachte3] valselijk te beschuldigen omtrent de inbraak bij Ping’s Import in 2004 teneinde zelf buiten schot te blijven. Hij heeft ter zitting toegegeven over deze zaak tegen de politierechter te hebben gelogen.

3.1.6 Het vorenstaande brengt met zich dat de rechtbank er van uit gaat dat [verdachte] door [medeverdachte1] en [medeverdachte2] werd gechanteerd en dat dit hem onder druk zette, maar dat de door [verdachte] gestelde bedreigingen met de dood of geweld niet aannemelijk zijn geworden. Er is op dit onderdeel teveel ruimte voor twijfel aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van [verdachte]. Hierbij heeft de rechtbank mee laten wegen dat ten aanzien van de bedreigingen onvoldoende steunbewijs voorhanden is.

Ten aanzien van het in zaak A onder 1 telastegelegde

Poging tot moord?

3.2. [verdachte] heeft verklaard dat hij het slachtoffer heeft gestoken met een zakmes. Voorts heeft hij verklaard dat hij een electriciteitsdraad heeft gewikkeld om het lemmet van het mes teneinde het slachtoffer zo min mogelijk te verwonden. Volgens [verdachte] had hij de draad zo om het lemmet aangebracht dat hoogstens twee centimeter snijvlak over bleef. De rechtbank acht deze verklaring van [verdachte] aannemelijk. [verdachte] heeft op dit punt consistent verklaard. Voorts past het letsel, te weten oppervlakkige snijwonden, bij deze verklaring. Daarbij komt dat de zus van het slachtoffer heeft verklaard dat zij heeft gezien dat de dader met kracht steekbewegingen maakte en dat het slachtoffer op die dag luchtig was gekleed. De verwondingen zouden bij een langer en onbeschermd lemmet veel dieper moeten zijn geweest. Gelet op deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat [verdachte] geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. De primair telastegelegde poging tot moord/doodslag kan derhalve niet worden bewezen.

Zware mishandeling?

3.3. Nu geen zwaar lichamelijk letsel is toegebracht dient ook vrijspraak te volgen van het subsidiair telastegelegde voltooide delict, te weten het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Bewijs poging zware mishandeling

3.4. Resteert de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Ten aanzien van het opzet van [verdachte] op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer overweegt de rechtbank als volgt.

Zoals hiervoor onder 3.3. is overwogen oordeelt de rechtbank dat [verdachte] niet de bedoeling heeft gehad het slachtoffer te doden. Het (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar letsel is daarentegen wel aanwezig, Immers, een mes met een punt van twee centimeter is in principe lang genoeg om iemand ernstig mee te verwonden. Er was een reële, aanmerkelijke kans dat het lemmet zou uitschieten of organen zou raken die dicht onder de huid liggen en zwaar letsel zou hebben veroorzaakt. [verdachte] heeft die kans ook aanvaard en op de koop toe genomen. Hij heeft hierover niets met zoveel woorden verklaard, maar uit de omstandigheid dat hij het slachtoffer zeven keer heeft gestoken en hij niet precies kon controleren hoe, en waar hij haar zou raken, de worsteling die ontstond en die voorzienbaar was, leidt de rechtbank af dat [verdachte] zich van die kans bewust moet zijn geweest en deze op de koop toe heeft genomen.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank het (voorwaardelijk) opzet van [verdachte] op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer wettig en overtuigend bewezen.

Voorbedachte rade?

3.5. De raadsman van [verdachte] heeft ter terechtzitting betoogd dat er geen sprake is geweest van rustig overleg en kalm beraad. Hij heeft daartoe aangevoerd dat [verdachte] het niet heeft bedacht, [verdachte] helemaal gek werd van de situatie en dat [verdachte] zelfs heeft overwogen om [medeverdachte1] en [medeverdachte2] neer te steken om het slachtoffer niet te hoeven steken.

De rechtbank overweegt als volgt. [verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat [medeverdachte1] en [medeverdachte2] hem een paar dagen voor de steekpartij hadden opgedragen het slachtoffer neer te steken. [verdachte] en de medeverdachten hebben daartoe vervolgens een donkerblauw joggingpak, handschoenen en een mes aangeschaft. [verdachte] heeft het slachtoffer opgewacht bij haar woning en op het moment dat zij haar woning verliet is [verdachte] achter haar aan gerend en heeft hij haar met het mes gestoken. De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op zijn voornemen om het slachtoffer te steken en weerstand te bieden aan de druk die de medeverdachten op hem uitoefenden. Het verweer wordt verworpen.

Ten aanzien van het in zaak A onder 2, 4, 5 en 6 telastegelegde

De inbraken

3.6. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen in zaak A onder 4 is telastegelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Weliswaar is gebleken dat verdachte bij de inbraak was betrokken, maar het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen oordelen dat verdachte een zodanig aandeel in dit misdrijf heeft gehad dat sprake was medeplegen.

Ook de telastegelegde inbraken omschreven in zaak A onder 2, 5 en 6 kunnen niet wettig en overtuigend worden bewezen.

3.7. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

ten aanzien van het in zaak A onder 1 meer subsidiair telastegelegde:

op 23 juni 2005 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, (met kracht) met een mes in de rug en de rechterarm van die [slachtoffer] heeft gestoken,

ten aanzien van het in zaak A onder 3 telastegelegde:

in de periode van 26 maart 2004 tot en met 29 maart 2004 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in Scholengemeenschap Amsterdam Zuid, locatie Sweelinck, gelegen aan de Moreelsestraat 21, heeft weggenomen twee flatscreen monitoren en computers en een beamer en 10 hoofdtelefoons en een scanner en een digitale camera en een dvd-speler, toebehorende aan Scholengemeenschap Amsterdam Zuid, waarbij verdachte en zijn mededaders de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door een schuifraam en deuren van lokalen in die Scholengemeenschap Amsterdam Zuid, locatie Sweelinck, te forceren,

ten aanzien van het in zaak B telastegelegde:

op 3 mei 2004 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijf genaamd Ping’s Import, gelegen aan de Rudolf Agricolastraat, heeft weggenomen een grote hoeveelheid dozen inhoudende champignons en azijn en soyasheit en bamboe en bamba en kool en mihoen en walnootkoek en blikken paddestoelen, toebehorende aan Ping’s Import, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door een deur aan de voorzijde van dat pand met behulp van een breekijzer te forceren.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Het bewijs

4.1. De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf en de maatregel

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar in zaak A onder 1 primair, 3 en 4 en in zaak B bewezengeachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren, met aftrek van voorarrest.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft op klaarlichte dag het slachtoffer bij haar woning opgewacht en op het moment dat zij haar woning had verlaten om naar school te gaan heeft verdachte het slachtoffer op haar weg naar de tramhalte achtervolgd. Vervolgens heeft hij haar doelbewust zeven keer met een mes in de rug en in de rechterarm gestoken. Niet alleen heeft het slachtoffer veel pijn ondervonden van de steekwonden en zal zij verder moeten leven met littekens die haar lichaam ontsieren, bovenal is het slachtoffer bang geworden door wat er met haar is gebeurd. Verdachte heeft haar gevoel van veiligheid afgenomen, in het bijzonder nu de steekpartij heeft plaatsgevonden in de eigen woonomgeving van het slachtoffer. Dergelijke feiten veroorzaken bovendien in de samenleving gevoelens van afschuw en onbegrip en versterken ook in hoge mate de heersende gevoelens van angst en onveiligheid.

De ervaring leert dat slachtoffers van een dergelijk misdrijf nog geruime tijd psychisch nadeel ondervinden. Tot op de dag van de terechtzitting is het voor het slachtoffer niet mogelijk gebleken de draad van haar leven weer op te pakken. Als gevolg van het handelen van verdachte zit een jonge vrouw in de kracht van haar leven thuis, durft zij amper de deur uit en gaat zij niet meer naar school.

Verdachte heeft zich door de twee medeverdachten tot zijn daad laten bewegen. Verdachten en zijn mededaders hadden zich grondig op deze daad voorbereid. Weliswaar heeft de rechtbank haar twijfels geuit over de door verdachte beweerde bedreigingen van de zijde van de medeverdachten, maar vast staat dat verdachte onder druk van zijn medeverdachten heeft gehandeld. Door zich chantabel te laten maken heeft verdachte deze druk zelf veroorzaakt. Verdachte is voor de druk van de medeverdachten bezweken om onder zijn eigen verantwoordelijkheid uit te komen. Verdachte had zich moeten en kunnen realiseren dat hij kon ingrijpen, of zich kon terugtrekken. Ondanks het feit dat hij een langere periode heeft gehad om tot dat inzicht te komen heeft verdachte dit niet gedaan. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Daarbij komt dat verdachte na de steekpartij langere tijd geen openheid van zaken heeft gegeven uit angst voor ontdekking van de door hem gepleegde inbraken. Voorts heeft hij pas op de zitting voor het eerst zijn spijt betuigd tegenover het slachtoffer.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de diefstal van computerapparatuur uit de school waar hij toentertijd werkzaam was als docent tekenen. Aldus heeft verdachte voor puur materieel gewin het vertrouwen van zijn werkgever ernstig beschaamd en de school financieel benadeeld. Daarbij merkt de rechtbank op dat de dienstbetrekking tussen verdachte en de school inmiddels is beëindigd.

Ten slotte heeft verdachte met anderen een grote hoeveelheid goederen gestolen bij Ping’s Import. Dit bedrijf heeft hierdoor nadeel ondervonden. Niet alleen was de hele handelsvoorraad weggenomen, ook de opslagruimte was een grote ravage. Door zijn handelen heeft verdachte zich op grove en brutale wijze ten koste van derden verrijkt.

De rechtbank heeft acht geslagen op de inhoud van het omtrent verdachte opgemaakte rapport d.d. 19 september 2005 van de Forensisch Psychiatrische Dienst, alsmede op de inhoud van de aanvullende rapportage van voormelde dienst d.d. 25 maart 2006. In voornoemde rapporten wordt geconcludeerd dat verdachte een man is met een normale intelligentie, bij wie geen psychiatrische problematiek en/of een persoonlijkheidsstoornis is vastgesteld. Verdachte heeft zich wel laten kennen als iemand die onvoldoende voor zichzelf opkomt en meeneembaar is. Door zijn ik-zwakte was verdachte een prooi voor anderen, tegen wie hij zich niet durfde te verzetten. Verdachte wordt als volledig toerekeningsvatbaar beschouwd. Wel is het nodig dat verdachte leert zich assertiever op te stellen en dat hij leert zijn eigen plan te trekken als anderen trachten hem te beïnvloeden. Geadviseerd wordt een behandeling bij De Waag, centrum voor ambulante psychiatrie, waarbij zowel groepstherapeutische als individueel-therapeutische technieken worden gehanteerd. Door middel van een dergelijke behandeling kan de kans op recidive worden verkleind.

De rechtbank neemt deze conclusies over en maakt deze tot de hare.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij instemt met voornoemd advies.

De rechtbank is van oordeel dat het van groot belang is om de problematiek van verdachte aan te pakken. De rechtbank neemt voornoemd advies van de reclassering over en zal verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur opleggen met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact ook indien dit inhoudt behandeling bij De Waag te Amsterdam. Deze voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarde strekt er mede toe verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan het plegen van soortgelijke strafbare feiten.

Ten voordele van verdachte laat de rechtbank meewegen dat blijkens een op zijn naam staand Uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 1 juli 2005 niet eerder voor soortgelijke misdrijven is veroordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de omstandigheid dat verdachte – anders dan door de officier gevorderd – van het in zaak A onder 1 primair en subsidiair en onder 4 is vrijgesproken aanleiding bestaat om bij de straftoemeting in aanzienlijke mate naar beneden af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in zaak A onder 1 meer subsidiair bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij is niet van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van [slachtoffer] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 303 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart het in zaak A onder 1 primair en subsidiair, 2, 4, 5 en 6 telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1 meer subsidiair en 3 en in zaak B telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.6 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het in zaak A onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde:

poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade

ten aanzien van het in zaak A onder 3 bewezenverklaarde:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak

ten aanzien van het in zaak B bewezenverklaarde:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Tevens kan de tenuitvoerlegging worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat veroordeelde zich onverwijld stelt en dat hij gedurende de proeftijd blijft onder toezicht en leiding van Reclassering Nederland en zich gedurende die proeftijd gedraagt naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen, zolang deze instelling dat noodzakelijk oordeelt, ook indien dit inhoudt een behandeling bij De Waag te Amsterdam.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende op het [adres] toe tot een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro).

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voorzover deze vordering reeds door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen de som van € 3.000,- (drieduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 40 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.W. van der Veen, voorzitter,

mrs. A.M.F. Huigen en A.I. van der Kris, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.W.P. Pijls, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 oktober 2006.

De jongste rechter is buiten staat dit

verkorte vonnis mede te ondertekenen.