Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:AY8188

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-04-2006
Datum publicatie
14-09-2006
Zaaknummer
326578 FA RK 05-5853
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek ex art. 1: 24 BW. Twee kinderen worden door de vader erkend. De ambtenaar geeft de kinderen de geslachtsnaam van de moeder, omdat de vader - van Egyptische nationaliteit - een namenreeks kent. De ouders verzoeken primair verbetering geslachtsnaam in naam moeder, subsidiair in namenreeks vader. De rechtbank is van mening dat kinderen recht hebben op geslachtsnaam op grond van art. 7 IVRK en art. 8 EVRM. De rechtbank mag geen geslachtsnaam geven of wijzigen, maar zoekt oplossing in bevel vermelding voorlopige geslachtsnaam, in afwachting van Koninklijk Besluit, ter zake van naturalisatie en vaststelling geslachtnaam (met verwijzing naar uitspraak Hof Den Haag van 15-10-2003).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2006/4483

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

ZESDE ENKELVOUDIGE CIVIELE KAMER

BESCHIKKING

Verzoek ex artikel 1: 24 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek

Beschikking in de zaak van:

1. [moeder],

wonende te [woonplaats],

verzoekende partij sub 1,

hierna te noemen de moeder,

en

2. [vader],

wonende te [woonplaats],

verzoekende partij sub 2,

hierna mede te noemen de vader,

procureur mr. G. van Atten.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam,

hierna te noemen: de officier,

en

2. de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [woonplaats],

zetelende te [woonplaats],

hierna te noemen: de ambtenaar.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het op 14 oktober 2005 ter griffie ingediende verzoekschrift, met bijlagen;

- de schriftelijke conclusie van de ambtenaar d.d. 10 november 2005;

- de schriftelijke conclusie van de officier d.d. 22 november 2005;

- de brief, met bijlagen, van mr. Van Atten d.d. 13 december 2005;

- de brief van de officier d.d. 13 februari 2006;

- de faxbrief van de ambtenaar d.d. 10 maart 2006;

- het door mr. Van Atten ter zitting overgelegde tijdschriftartikel.

De zaak is behandeld ter terechtzittingen met gesloten deuren van respectievelijk 1 december 2005 (pro forma) en 15 maart 2006.

Tijdens de laatste behandeling zijn gehoord: de moeder, de vader en hun procureur.

De rechtbank overweegt als volgt:

1. Aan de hand van de stukken is het volgende komen vast te staan:

- op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] is geboren [dochter], dochter van de moeder voornoemd;

- van de geboorte van [dochter] is opgemaakt een geboorteakte, welke onder nummer [nummer geboorteakte] is ingeschreven in het register van geboorten van de gemeente [woonplaats] over het jaar 2004;

- op 8 maart 2004 te [woonplaats] is de minderjarige [dochter] erkend door de vader voornoemd, van welke erkenning een latere vermelding is opgemaakt die aan de geboorteakte is gehecht;

- op de latere vermelding betreffende erkenning van [dochter] staat als haar geslachtsnaam vermeld [geslachtsnaam];

- op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] is geboren [dochter 2], dochter van de ouders voornoemd;

- van de geboorte van [dochter 2] is opgemaakt een geboorteakte, welke onder nummer [nummer geboorteakte 2] is ingeschreven in het register van geboorten van de gemeente [woonplaats] over het jaar 2005;

- op 11 augustus 2004 te [woonplaats] is de minderjarige [dochter 2] erkend door de vader voornoemd, van welke erkenning een latere vermelding is opgemaakt die aan de geboorteakte is gehecht;

- op de latere vermelding betreffende erkenning van [dochter 2] staat als haar geslachtsnaam vermeld [geslachtsnaam];

- de vader van [dochter] en [dochter 2] heeft de Egyptische nationaliteit en heeft als (geslachts)naam de namenreeks [vader];

- de moeder van [dochter] en [dochter 2] heeft de Nederlandse nationaliteit en heeft als geslachtsnaam [geslachtsnaam];

- [dochter] en [dochter 2] hebben de Nederlandse nationaliteit;

- de moeder en de vader zijn op 14 juni 2005 te [woonplaats] met elkaar gehuwd.

2. Verzoekers hebben verzocht de geboorteakten, nummer [nummer geboorteakte] en nummer [nummer geboorteakte 2], en de daarbij horende latere vermeldingen te verbeteren in die zin dat als geslachtsnaam van [dochter] en [dochter 2] de naam [geslachtsnaam vader] wordt opgenomen in plaats van '[geslachtsnaam]'. Indien dit niet mogelijk is, verzoeken zij de namenreeks '[vader]' als geslachtsnaam op te nemen.

Zij hebben daartoe aangevoerd dat het hun wens was dat de kinderen de (geslachts)naam van de vader zouden krijgen. De ambtenaar heeft dit echter geweigerd omdat de vader een namenreeks heeft. Verzoekers hechten eraan dat de kinderen de (geslachts)naam van de vader krijgen, daar dit staat voor de wettige afstamming van hun vader, terwijl de geslachtsnaam '[geslachtsnaam]' de schijn van onwettigheid kan wekken. Verzoekers maken aanspraak op het hun in artikel 1: 5 lid 2 cw lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) gegeven recht en zij doen voorts een beroep op artikel 8 lid 2 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verzoekers hebben nog meegedeeld dat de vader te zijner tijd een verzoek tot naturalisatie zal indienen en dan de geslachtsnaam [geslachtsnaam vader] zal kiezen.

3. De ambtenaar heeft geconcludeerd geen wettelijke grondslag te zien voor het registreren van [geslachtsnaam vader] als geslachtsnaam, nu de vader deze naam niet heeft, en evenmin een wettige grondslag te zien voor het registreren van de kinderen met een namenreeks, aangezien het Nederlands recht bepaalt hoe de kinderen heten. Volgens de ambtenaar kan gekozen worden voor de mogelijkheid om de kinderen zonder geslachtsnaam te registreren, overeenkomstig de uitspraak van deze rechtbank van 21 september 2003, of voor de mogelijkheid van een voorlopige geslachtsnaam "[geslachtsnaam vader]", overeenkomstig de uitspraak van deze rechtbank van 8 september 2004. Gezien de eerdere jurisprudentie en het feit dat de vader te zijner tijd wenst te naturaliseren tot Nederlander, is de ambtenaar van mening dat de laatste variant de voorkeur verdient.

4. De officier van justitie heeft laten weten dat - indien de vader kan aantonen dat hij op korte termijn over een geslachtsnaam kan beschikken die [geslachtsnaam vader] zal zijn - er geen bezwaar bestaat tegen het verbeteren van de geboorteaktes in die zin dat de geslachtsnaam van de kinderen voorlopig [geslachtsnaam vader] zal zijn. Indien de vader dat niet kan aantonen, moet de bestaande situatie worden gehandhaafd totdat er meer duidelijkheid is over de eventuele geslachtsnaam van de vader.

5. Verzoekers hebben in reactie hierop te kennen gegeven dat hun verzoek kan worden toegewezen, omdat de keuze van de ouders voor een geslachtsnaam niet zonder meer kan worden gepasseerd. Zij hebben meegedeeld dat de vader in december 2007 het Nederlanderschap kan aanvragen/verwerven, en dat de vader dan zal kiezen voor de geslachtsnaam [geslachtsnaam vader].

Ter zitting hebben de ouders verklaard dat er geen eenheid in beleid is onder de ambtenaren van de burgerlijke stand met betrekking tot de naamskeuze. Zij hebben ter staving onder meer het artikel "Namenreeksen: stand van zaken" uit het tijdschrift Burgerzaken & Recht van januari 2005 overgelegd. Zij hebben verklaard dat de vader zodra dat mogelijk is het Nederlanderschap zal aanvragen en daarbij zal kiezen voor de geslachtsnaam "[geslachtsnaam vader]", gelijk aan de geslachtsnaam van zijn in Nederland wonende broer.

6. Nu [dochter] en [dochter 2] de Nederlandse nationaliteit hebben worden hun geslachtsnaam en voornamen bepaald door het Nederlandse interne recht.

7.1. In dit geschil strijden de volgende belangen/rechten om voorrang:

7.2. De vader en de moeder hebben op grond van artikel 1: 5 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) het recht om te kiezen tussen hun beider geslachtsnamen als geslachtsnaam voor hun kinderen. Zij hebben gekozen voor de naam van de vader. Deze keuze werd niet geaccepteerd, omdat de vader een namenreeks heeft en het Nederlands recht geen namenreeks kent. De ambtenaar van de burgerlijke stand heeft [dochter] en vervolgens [dochter 2] de geslachtsnaam van de moeder gegeven.

7.3. Op grond van artikel 8 EVRM hebben de vader en de moeder recht op respect voor hun privé-leven en in het verlengde daarvan hun familie- of gezinsleven.

De ouders ontlenen aan dit recht onder meer het verweer tegen het automatisch toekennen van de geslachtsnaam van de moeder omdat de vader een namenreeks heeft.

7.4. Een van de uitgangspunten in het Nederlandse recht is dat kinderen vanaf hun geboorte recht hebben op een naam, waaronder naar het oordeel van de rechtbank is begrepen een geslachtsnaam, welk recht ook wordt beschermd door artikel 7 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind en artikel 8 EVRM.

8. Vooropgesteld moet worden dat een namenreeks geen geslachtsnaam naar Nederlands recht is en dat de ambtenaar dus terecht de keuze voor de (geslachts)naam van de vader niet heeft geaccepteerd. De ouders hebben echter een rechtens te respecteren belang bij hun wens om hun kinderen de (geslachts) naam van de vader te geven. Er dient daarom een weging van alle betrokken belangen te volgen.

8.1. Het belang van een goed functionerende burgerlijke stand kan omschreven worden als het (algemeen) belang om de historische en juridische werkelijkheid in de openbare registers van de burgerlijke stand zowel vast te leggen als vast te houden. Dat belang wordt naar het oordeel van de rechtbank niet geschaad als niet automatisch de geslachtsnaam van de moeder wordt vermeld in de geboorteakte bij ontstentenis van een geslachtsnaam van de vader.

De met de Officiële Mededeling OM2/2002 beoogde rechtszekerheid is daarmee weliswaar niet gebaat, maar dat weegt in casu niet op tegen het belang van de ouders bij het niet gebruiken van de geslachtsnaam van de moeder. Hierbij komt dat - zoals uit de door verzoekers en de ambtenaar overgelegde stukken blijkt - inmiddels geen eensluidend beleid geldt ten aanzien van de naamskeuze indien de ouders voor een namenreeks kiezen.

Per saldo worden, naar het oordeel van de rechtbank, voormelde belangen, met name het recht van de kinderen op een voor- en een geslachtsnaam en het belang van de ouders om in de geslachtsnaam de band met hun vader tot uitdrukking te brengen, het best gediend met het verbeteren van de akten in die zin dat als geslachtsnaam wordt vermeld [geslachtsnaam vader].

9. De rechtbank is zich ervan bewust dat een geslachtsnaam alleen kan worden verleend of gewijzigd bij Koninklijk Besluit (KB), en niet door de ambtenaar van de burgerlijke stand of de rechter. Daarom maakt de rechtbank gebruik van de door het gerechtshof ’s-Gravenhage in haar uitspraak van 15 oktober 2003 inzake rekest nummer 027-D-03 gebezigde oplossing om artikel 1: 5 lid 10 BW naar analogie toe te passen en te bevelen een voorlopige geslachtsnaam te vermelden.

Op grond van het vorenstaande wordt als volgt beslist.

BESLISSING:

De rechtbank:

- gelast dat de in het register van geboorten van de gemeente [woonplaats] over het jaar 2004 voorkomende latere vermelding behorende bij akte nummer [nummer geboorteakte] betreffende

[dochter],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2004,

wordt verbeterd in die zin:

- dat daarin de geslachtsnaam [geslachtsnaam] wordt doorgehaald;

- dat daarin wordt vermeld als voorlopige geslachtsnaam, in afwachting van het KB waarbij de geslachtsnaam van het kind wordt vastgesteld: [geslachtsnaam vader];

- gelast dat de in het register van geboorten van de gemeente [woonplaats] over het jaar 2005 voorkomende akte nummer [nummer geboorteakte 2] en de daarbij behorende latere vermelding betreffende

[dochter 2],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005,

wordt verbeterd in die zin:

- dat daarin de geslachtsnaam [geslachtsnaam] wordt doorgehaald;

- dat daarin wordt vermeld als voorlopige geslachtsnaam, in afwachting van het KB waarbij de geslachtsnaam van het kind wordt vastgesteld: [geslachtsnaam vader],

- wijst af het anders of meer verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. K.A. Brunner, lid van deze kamer, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 12 april 2006 in tegenwoordigheid van H. Hendriks als griffier..