Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:AY5805

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-07-2006
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
13.529001-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens gewoonteheling van dure gestolen auto's, gericht op verscheping naar Afrika. Vrijspraak van deelname aan criminele organisatie. Bewijsoverweging met betrekking tot koppeling van verdachte met aan hem toegeschreven tapgesprekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer : 13.529001-06

Datum uitspraak: 27 juli 2006

OP TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS van de Rechtbank Amsterdam, Meervoudige Kamer voor Strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

niet als ingezetene ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens en zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen Noord-Holland Noord - Huis van Bewaring “Zwaag” te Zwaag,

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 24 april 2006 en 29 mei 2006 en de terechtzitting van 4 juli, 6 juli, 10 juli en 13 juli 2006.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, die ertoe strekt dat de rechtbank

- het onder 1. tenlastegelegde in de impliciet primaire variant (gewoonteheling), alsmede het onder 2. tenlastegelegde zal bewezen verklaren;

- de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en

mr. E.G.S. Roethof, raadsman van de verdachte, naar voren is gebracht.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is, nadat een vordering van de officier van justitie strekkende tot aanpassing/wijziging van de tenlastelegging ex artikel 314a jo 313 van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten, ten laste gelegd, dat

1

hij op enige tijdstippen in de periode van 10 december 2005 tot en met 9 januari 2006, te Amsterdam en/of Utrecht en/of Nieuwegein en/of De Meern en/of Rotterdam, althans (telkens) op een of meer plaatsen in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s):

- op enig tijdstip in de periode van 29 december 2005 tot en met 4 januari 2006, op een of meer van voormelde plaatsen een auto, merk Volkswagen, type Passat, kenteken [kenteken] en/of;

(zaaksdossier 33)

- op enig tijdstip in de periode van 6 januari 2006 tot en met 9 januari 2006, op een of meer van voormelde plaatsen een auto, merk Audi, type A6, kenteken [kenteken] en/of;

(zaaksdossier 34)

- op enig tijdstip in de periode van 10 december 2005 tot en met 9 januari 2006, op een of meer van voormelde plaatsen een auto, merk Mercedes Benz, type E270 CDI,

kenteken [kenteken] en/of;

(zaaksdossier 35)

- op enig tijdstip in de periode van 10 december 2005 tot en met 9 januari 2006, op een of meer van voormelde plaatsen een auto, merk Audi, type A4, kenteken [kenteken] en/of;

(zaaksdossier 36)

- op enig tijdstip in de periode van 8 december 2005 tot en met 9 januari 2006, op een of meer van voormelde plaatsen een auto, merk Mercedes Benz, type S 320 CDI, kenteken [kenteken];

(zaaksdossier 37)

(heeft) verworven en/of voorhanden (heeft) gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van die voertuigen (telkens) wist(en) dat het door diefstal, in elk geval door misdrijf verkregen goederen betrof;

2

hij in de periode van 8 december 2005 tot en met 9 januari 2006 te Amsterdam en/of Haarlemmermeer en/of Rotterdam en/of Utrecht en/of Nieuwegein en/of Hendrik Ido Ambacht en/of Breda en/of Schiedam en/of Kamperland (Gemeente Noord-Beveland) en/of De Meern en/of Antwerpen en/of Zaandam en/of Abcoude en/of Landsmeer, althans op een of meer plaatsen in Nederland en/of België, heeft deelgenomen aan een organisatie, die (al dan niet in wisselende samenstellingen) bestond uit verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of een of meer andere perso(o)n(en),

welke organisatie (al dan niet in wisselende samenstelling) tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

* het (telkens) plegen van (auto)diefstallen (in vereniging) door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of;

* het (telkens) plegen van (gewoonte)heling terzake auto’s (in vereniging), althans de medeplichtigheid bij/tot het plegen daarvan, en/of;

* het (telkens) (in vereniging) plegen van valsheid in geschrift en/of opzettelijk gebruik maken van valse en/of vervalste geschriften;

welke deelneming bestond uit het al dan niet samen met een of meer andere

deelnemers aan de organisatie:

- stelen van voertuigen en/of contact onderhouden met toeleveranciers van gestolen voertuigen;

- het contact onderhouden met opdrachtgevers/gegadigden/afnemers van/voor gestolen voertuigen (in Nederland en/of Duitsland en/of Engeland en/of Nigeria en/of Ghana);

- opslaan van gestolen voertuigen en/of;

- vervoeren en/of verplaatsen van gestolen voertuigen en/of;

- verschepen van gestolen voertuigen en/of;

- het contact onderhouden met tussenhandelaren/handlangers in havens van Nigeria en Ghana en/of;

- bestellen/huren van containers waarin de gestolen voertuigen vervoerd en/of tijdelijk werden opgeslagen en/of;

- het opmaken van valse ‘bill of ladings’/(be)ladingspapieren, waarbij in strijd met de werkelijkheid niet de lading van (een) auto(‘s) werd ingevuld en/of opgegeven en/of het gebruiken van die/deze formulieren bij inklaring en/of verscheping.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. GELDIGHEID VAN DE DAGVAARDING

ten aanzien van feit 2.:

De raadsman heeft betoogd dat de dagvaarding voor wat betreft de onder 2. aan verdachte ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie nietig verklaard dient te worden. Ten laste gelegd is deelname aan één criminele organisatie, terwijl, aldus de raadsman, uit het dossier twéé groepen naar voren komen, een Nigeriaanse en een Ghanese. Nu de dagvaarding niet duidelijk maakt tot welke van die twee groepen verdachte behoord zou hebben, dient de dagvaarding nietig verklaard te worden.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Reeds uit de wijze waarop het verweer geformuleerd is, blijkt dat de verdachte weet tegen welke beschuldiging hij zich moet verweren. Het verweer wordt derhalve verworpen.

De rechtbank vat het verweer tevens op als een bewijsverweer en zal het hieronder in de rubriek NADERE OVERWEGINGEN MET BETREKKING TOT HET BEWIJS nader bespreken.

Ook overigens is niet gebleken van redenen die nopen te concluderen tot nietigverklaring van de dagvaarding. De dagvaarding is derhalve geldig.

3. ONTVANKELIJKHEID VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie heeft onder 2 te laste gelegd dat verdachte het feit mede in België heeft gepleegd. Verdachte is geen Nederlander.

De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, indien naast in ook buiten Nederland gelegen plaatsen kunnen gelden als plaats waar het strafbaar feit is gepleegd, op grond van artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk is, ook ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden.

Nu de te laste gelegde deelneming aan de criminele organisatie als een voortdurend delict kan worden aangemerkt waarvan de gestelde gevolgen zich in Nederland hebben voorgedaan, is naar het oordeel van de rechtbank van een dergelijke situatie sprake.

De officier van justitie is derhalve ontvankelijk in de vervolging, ook voor zover het te laste gelegde feit een buiten Nederland gelegen pleegplaats heeft.

ten aanzien van feit 2.:

De raadsman heeft gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vervolging van verdachte terzake van deelname aan een criminele organisatie (feit 2).

De raadsman heeft hiertoe aangevoerd – kort en zakelijk weergegeven – dat de medeverdachten [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] niet worden vervolgd voor deelname aan een criminele organisatie, terwijl zij worden verdacht van betrokkenheid bij dezelfde gestolen auto’s als verdachte (feit 1).

Dit levert een schending van het gelijkheidsbeginsel op, die in de ogen van de raadsman moet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring.

De rechtbank is van oordeel dat de enkele stelling dat medeverdachten betrokken zijn geweest bij dezelfde gestolen auto’s als verdachte, onvoldoende onderbouwing is voor de stelling dat het om gelijke zaken gaat. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is dan ook geen sprake. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging

4. VRIJSPRAAK

De officier van justitie heeft verdachte onder 2. deelneming aan een criminele organisatie te laste gelegd.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de officier van justitie geen overzicht van bewijsmiddelen heeft overgelegd met betrekking tot dit feit. Evenmin heeft de officier van justitie in zijn requisitoir een bewijsconstructie dan wel –redenering gepresenteerd welke de basis kan bieden voor een bewezenverklaring van de deelneming van elke afzonderlijke verdachte. Kennelijk heeft de officier van justitie met zaaksdossier 41 (“criminele organisatie”) beoogd de relaties in beeld te brengen, waarbij de rechtbank opmerkt dat het hierbij alleen om telefoontaps gaat. Over de weging van de intensiteit en duurzaamheid van deze contacten heeft de officier van justitie zich in het geheel niet uitgelaten. Dit klemt te meer nu diverse verdachten zeggen elkaar geheel niet te kennen en het dossier in diverse gevallen weinig tot geen aanwijzingen bevat dat dit anders is. De stelling van de officier van justitie dat de organisatie twee afdelingen kent, te weten één voor Ghana en één voor Nigeria vereist in dat licht ter onderbouwing een visie, ondersteund met bewijsmiddelen, over hoe de organisatie, ondanks het ontbreken van een bewijsbare afstemming tussen in de telastelegging genoemde leden, wordt geordend en gestuurd en aldus, met genoemde “marktverdeling” kan functioneren. Hiervan heeft de officier van justitie geen blijk gegeven.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het bewijs op basis van het dossier het volgende.

De te laste gelegde periode loopt van 8 december 2005 tot en met 9 januari 2006.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het dossier niet van enig contact tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] in die periode. Wel hebben beiden enige malen telefonisch contact in november 2005. Evenmin kan geoordeeld worden dat er blijkt van een vorm van samenwerking tussen [medeverdachte 2] en andere in de tenlastelegging genoemde verdachten, met wie verdachte zodanig samenwerkt dat hij op die, indirecte, wijze toch als lid van een organisatie kan worden beschouwd waar [medeverdachte 2] deel van uitmaakt.

Voorts blijkt naar het oordeel van de rechtbank in het geheel niet van enig contact of enige samenwerking tussen verdachte enerzijds en [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 6] anderzijds.

Wel blijkt uit het dossier dat verdachte samenwerkt met [medeverdachte 5], doch ander bewijs dan voor de samenwerking inzake de in de tenlastelegging opgenomen auto’s is niet aanwezig.

Derhalve kan van deze samenwerking evenmin worden aangenomen dat deze een zodanig gestructureerd en bestendig karakter heeft dat van een georganiseerd verband kan worden gesproken.

Daarmee resteert de vraag of de relatie tussen verdachte en [medeverdachte 4] als een gestructureerd samenwerkingsverband kan worden aangemerkt. Voorts ziet de rechtbank aanleiding om de vraag te stellen of de heer [persoon 1] in Ghana begrepen kan worden onder de in de tenlastelegging genoemde “andere personen”.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de in het dossier opgenomen afgeluisterde telefoongesprekken van een regelmatig contact tussen deze drie personen. Ook uit de verklaringen van [medeverdachte 4] kan worden afgeleid dat hij gedurende de periode genoemd in de tenlastelegging contact heeft gehad met verdachte. Overigens blijkt uit de contacten niet primair van samenwerking doch eerder van een markt- of handelsrelatie omdat in de gesprekken auto’s worden aangeboden en prijzen worden genoemd. Dit hoeft naar het oordeel van de rechtbank onder omstandigheden niet in de weg te staan aan een bewezenverklaring van deelneming aan een criminele organisatie, omdat ook binnen tal van organisaties sprake is van interne “marktverhoudingen” en interne “verrekenprijzen”. Zolang er sprake is van een zekere buitengrens met een duurzaam karakter kan ook gesproken worden van een organisatie.

In het onderhavige dossier echter zijn sterke aanwijzingen dat de betrokkenen voortdurend keuzes maken met wie zij zaken doen. Prijzen en beschikbaarheid van handelsgoederen spelen daarbij een belangrijke rol. Onder die omstandigheden kan wel geoordeeld worden dat er handelscontacten zijn maar niet dat deze in een georganiseerd verband plaatsvinden.

Om die reden is er evenmin grond voor een bewezenverklaring van deelneming aan een criminele organisatie met als leden verdachte, [medeverdachte 4] en [persoon 1].

Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder 2 te laste is gelegd.

5. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

1

hij te Utrecht en Rotterdam een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, immers heeft hij, verdachte:

- in de periode van 29 december 2005 tot en met 4 januari 2006 te Rotterdam een auto, merk Volkswagen, type Passat, kenteken [kenteken] en

- in de periode van 6 januari 2006 tot en met 9 januari 2006 te Utrecht een auto, merk Audi, type A6, kenteken [kenteken] en

- in de periode van 8 december 2005 tot en met 9 januari 2006 te Utrecht een auto, merk Mercedes Benz, type E270 CDI, kenteken [kenteken] en

- in de periode van 6 januari 2006 tot en met 9 januari 2006 te Utrecht een auto, merk Audi, type A4, kenteken [kenteken] en

- in de periode van 8 december 2005 tot en met 9 januari 2006 te Utrecht een auto, merk Mercedes Benz, type S 320 CDI, kenteken [kenteken]

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van die voertuigen telkens wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

6. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

7. NADERE OVERWEGINGEN MET BETREKKING TOT HET BEWIJS

Door de verdediging is aangevoerd dat medeverdachte [medeverdachte 5], ter terechtzitting als getuige gehoord, heeft verklaard dat hij de auto’s die in Utrecht zijn aangetroffen voor zichzelf had gekocht en dat verdachte daarmee niets te maken had. Nu aan deze verklaring meer waarde dient te worden toegekend dan aan andere verklaringen van deze medeverdachte, dient de conclusie te zijn dat [medeverdachte 5] verdachte niet heeft belast, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Allereerst heeft [medeverdachte 5] op 11 januari 2006, de dag na zijn aanhouding, verklaard over punten die op dat moment bij de politie niet bekend waren en die hem derhalve niet in de mond gelegd kunnen zijn.

Zo heeft hij bijvoorbeeld verklaard over het bestellen van de container in Rotterdam waarvoor hij medeverdachte [medeverdachte 9] heeft ingeschakeld. Hiervan droeg de politie via taps of observaties geen kennis. Evenmin had [medeverdachte 9] hierover al een verklaring afgelegd; deze heeft immers pas op 19 januari 2006 verteld over zijn rol bij het regelen van de container.

Deze verklaring van [medeverdachte 9] komt op veel details overeen met die van [medeverdachte 5], hetgeen eveneens een aanwijzing vormt dat deze zich duidelijk heeft kunnen maken tijdens de politieverhoren en in vrijheid heeft verklaard.

Daarnaast heeft [medeverdachte 5] verklaard over het ophalen van de matrassen op 7 januari 2006 in Uithoorn, samen met medeverdachte [medeverdachte 10]. Ook hierover had de politie op dat moment uit andere bron geen informatie. Wel had [medeverdachte 10] hierover verklaard op 9 januari 2006. [medeverdachte 5] geeft op enkele punten een andere lezing, bijvoorbeeld over de aanwezigheid van [alias verdachte] en enkele anderen in Uithoorn. Ondanks de beschikbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 10] is er twee dagen later een verklaring van [medeverdachte 5] op papier gekomen die op genoemd onderdeel afwijkt. Kennelijk is de communicatie zodanig geweest dat deze verschillen duidelijk konden worden tijdens het verhoor en heeft de verhorend politie-ambtenaar niet simpelweg het feitenrelaas van [medeverdachte 10] overgenomen.

Voorts heeft [medeverdachte 5] een verklaring afgelegd over de gebeurtenissen in de avond van 8 januari 2006 die volledig past in de gegevens die zijn verkregen uit de telefoontaps en de observaties.

Wat de tolkenbijstand tijdens de politieverhoren betreft overweegt de rechtbank als volgt. [medeverdachte 5] is steeds verhoord in aanwezigheid van een tolk in de Engelse taal. Dit is gebeurd in de eerste dagen na zijn aanhouding op 10 januari 2006, maar ook nog op 9 februari en 16 maart 2006.

In beide laatstvermelde verhoren belast verdachte zijn medeverdachte [alias verdachte] voor wat betreft zaak 37.

Op deze momenten zit hij al enige tijd in voorlopige hechtenis en heeft hij zich kunnen beraden op het verloop van de verhoren van 11 en 19 januari 2006.

Tot slot zegt [medeverdachte 5] op 12 april 2006 tegen de politie dat hij een verklaring wil afleggen over “de grote jongens” in aanwezigheid van zijn advocaat, welke hem vervolgens adviseert om te zwijgen. Ook in dit verhoor spreekt hij met de politie in het Engels.

Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet gesproken worden van een situatie waarin [medeverdachte 5] zich belemmerd heeft gevoeld om in het Engels te praten met de politie of waarin hij onvoldoende duidelijk heeft kunnen maken wat hij wilde zeggen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 5] bij de politie afgelegd niet ten laste van verdachte te gebruiken.

Voorts heeft de verdachte ter terechtzitting gezegd dat hij ten onrechte vereenzelvigd is met [alias verdachte]. Hij heet immers niet zo en niemand noemt hem zo. Wel heeft verdachte, zo verklaart hij, een broer die [alias verdachte] heeft.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

In de periode 6 tot en met 8 januari 2006 luistert de politie telefoongesprekken af waarvan in het proces-verbaal wordt gesteld dat dit gesprekken zijn waar verdachte aan deelneemt. Deze gesprekken worden gevoerd via het telefoonnummer [telefoonnummer].

Onder verdachte is tijdens zijn aanhouding een telefoontoestel, Nokia 623i, in beslag genomen. Het abonneenummer van de SIM-kaart in het toestel was [telefoonnummer].

Het toestel is door de politie uitgelezen (persoonsdossier, pagina 43).

Verdachte zegt ter terechtzitting aan de gesprekken op 6, 7 en 8 januari 2006 niet te hebben deelgenomen. Daarnaast verklaart hij het toestel dan wel de SIM-kaart pas op 8 januari 2006 te hebben gekregen en dat deze omstandigheid de verklaring is voor het feit dat het toestel met dit telefoonnummer zich in zijn fouillering bevond.

Bij de politie evenwel, op 9 januari 2006, verklaart verdachte dat hij twee telefoontoestellen heeft en dat hij van één van deze twee, de Nokia, het nummer weet. Hij geeft dan zelf voornoemd mobiel telefoonnummer op. Voorts zegt hij als enige gebruik te maken van dit toestel. Daarnaast zegt hij dat iedereen hem [alias verdachte] of [alias verdachte] noemt. Verdachte komt hier tijdens zijn tweede verhoor die dag niet op terug en bevestigt dan zijn verblijf bij [medeverdachte 4] (bijnaam medeverdachte 4) sinds zijn komst naar Nederland op 3 januari 2006 en zijn contacten met [medeverdachte 5] wiens telefoonnummer in het geheugen van zijn telefoon zit. Verdachte verklaart daarbij dat hij en [medeverdachte 5] in november 2005, toen verdachte ook in Nederland was, hun telefoonnummers hebben uitgewisseld. [medeverdachte 5] herkent verdachte op 11 januari 2006 tijdens een fotoconfrontatie als [alias verdachte].

[medeverdachte 5] verklaart tijdens zijn verhoor op 11 januari 2006 over medeverdachte [alias verdache] en over de contacten die hij op 6 en 7 januari 2006 over auto’s heeft met [alias verdachte]. In het dossier zijn tapgesprekken opgenomen gevoerd via het telefoonnummer 06 – 44799855 tussen [medeverdachte 5] en [alias verdachte]. In één gesprek waarbij sprake lijkt te zijn van een woordelijke weergave, zegt [medeverdachte 5] “Ja [alias verdachte]” waaruit moet worden afgeleid dat de naam [alias verdachte] met het telefoonnummer is verbonden (pagina 72, zaaksdossier 34). De raadsman heeft gesteld dat uit de tapverbalen niet blijkt of de deelnemers tijdens hun gesprekken hun naam noemen. De rechtbank volgt de raadsman in dit standpunt doch is van oordeel dat bovenomschreven feiten en omstandigheden voldoende basis bieden om ervan uit te gaan dat de persoon die [alias verdachte] heet aan de gesprekken heeft deelgenomen.

De stelling van verdachte dat hij een broer heeft die [alias verdachte] heet, beoordeelt de rechtbank als volgt. Na de genoemde verhoren op 9 en 10 januari 2006, wordt verdachte opnieuw gehoord op 23 maart 2006. Dan gaat het over de auto met zaaknummer 37. Geconfronteerd met telefoongesprekken gevoerd via 06 – 44799855 en met de naam [alias verdachte] in dit verband, zwijgt hij. Pas ter terechtzitting verklaart verdachte voor de eerste keer dat niet hij [alias verdachte] heet, maar zijn broer. Gelet op de expliciete, andersluidende, verklaringen van verdachte bij de politie, en zijn daaropvolgende stilzwijgen bij het latere verhoor is de rechtbank van oordeel dat ernstig afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van de verklaring van verdachte ter terechtzitting over zijn broer [alias verdachte].

Daarnaast blijkt ook uit de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 4] (bijnaam medeverdachte 4) dat hij verdachte kent als [alias verdachte]. Hij bevestigt dat [alias verdachte] naar Nederland is gekomen voor de aankoop van auto’s. De aankomst van verdachte alsmede de ontvangst door [medeverdachte 4] op 3 januari 2006 zijn bevestigd door observaties en afgeluisterde telefoongesprekken.

Ook met betrekking tot de observaties in Rotterdam op 3 en 4 januari 2006 in de zaak van de VW Passat (zaak 33) zegt [medeverdachte 4] dat de waargenomen persoon die steeds in zijn nabijheid is, [alias verdachte] is. Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij in die dagen steeds met [medeverdachte 4] is opgetrokken.

Als getuige, gehoord bij de rechter-commissaris op 10 mei 2006, heeft [medeverdachte 4] verklaard dat hij later had ontdekt dat er veel fouten in zijn verklaring zitten. Een nadere toelichting hierop geeft hij echter niet. Bovendien zegt [medeverdachte 4] de fouten te hebben ontdekt nadat hij zijn verklaringen had doorgenomen met een medegedetineerde. Hoe dit is geschied is, mede in het licht van zijn verklaring dat hij Twi en geen Nederlands spreekt en voorts niet goed Engels spreekt, zonder nadere toelichting niet te begrijpen. Concluderend blijkt uit de verklaring bij de rechter-commissaris niet dat als gevolg van een taalprobleem bij de politieverhoren de verklaring van [medeverdachte 4] onjuist op papier is gekomen.

Voorts blijkt uit een afgeluisterd telefoongesprek van [medeverdachte 4] met ene [persoon 2] in Ghana dat deze zegt dat [alias verdachte] op 2 januari (de rechtbank begrijpt 2006) komt (de rechtbank begrijpt: naar Nederland). Het gesprek gaat verder over diverse auto’s (persoonsdossier, pagina 134). Op 3 januari 2006 vroeg in de ochtend wordt de komst van verdachte bij [medeverdachte 4] door het observatieteam waargenomen. Met meergenoemd telefoonnummer belt [alias verdachte] naar ene [persoon 1] in Ghana op 6 januari 2006 om door te geven dat hij op dit nummer in Nederland bereikbaar is. Deze gebeurtenissen sluiten zo op elkaar aan dat uitgesloten moet worden geacht, te meer nu verdachte niets heeft verklaard over de verblijfplaatsen van zijn broer, dat hij niet dezelfde persoon is als [alias verdachte] die de telefoongesprekken voert via het telefoonnummer [telefoonnummer].

Met betrekking tot het bewijs in de zaak met nummer 37 overweegt de rechtbank in aanvulling op het voorgaande het volgende.

De raadsman heeft gesteld dat, zo ervan moet worden uitgegaan dat verdachte dezelfde persoon is als [alias verdachte], op grond van de bewijsmiddelen niet geconcludeerd kan worden dat er sprake is van medeplegen door verdachte.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de verklaringen van [medeverdachte 5] bij de politie, afgelegd op 9 februari en 16 maart 2006, dat verdachte optreedt als opdrachtgever. Op grond van diezelfde verklaringen wordt niet duidelijk of verdachte al had betaald voor deze auto.

Voorts blijkt uit afgeluisterde telefoongesprekken van onder meer 21, 22 en 24 december 2005 dat verdachte een aantal auto’s bestelt bij [medeverdachte 4] voor prijzen tussen de drie en zesduizend euro (pagina’s 39 tot en met 41 zaaksdossier 34).

In deze gesprekken kondigt hij ook zijn vertrek uit Ghana op 1 dan wel 2 januari 2006 aan.

De rol, die verdachte volgens [medeverdachte 5] heeft, blijkt derhalve ook uit de gesprekken die verdachte vanuit Ghana met [medeverdachte 4] voert.

Daarnaast bevindt zich in het dossier nummer 37 op pagina 31 een verslag van een tapgesprek waarbij verdachte aan [persoon 1] in Ghana meldt dat hij vanavond (7 januari 2006) de S zal zien die “hij” gekocht heeft. Uit een gesprek van 16 minuten daarvoor (pagina 30) moet worden opgemaakt dat deze persoon, aangeduid met “hij”, [medeverdachte 5] is. Uit het dossier blijkt dat aanvankelijk de bedoeling was om de overdracht van auto’s in Utrecht van 8 januari 2006 op 7 januari 2006 te doen plaatsvinden.

Gelet op de aard van zijn betrokkenheid zoals deze uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt, dient verdachte naar het oordeel van de rechtbank als medepleger van de heling te worden aangemerkt.

Uit de verklaringen van [medeverdachte 5], respectievelijk [getuige 1], kan niet met precisie worden afgeleid op welke datum de auto is overgedragen. Daarom zal de rechtbank de periode zoals die is te laste gelegd bewezen verklaren. Verdachte bevond zich vóór 3 januari 2006 in Ghana, maar gelet op de plaats waar de auto en de medeverdachte zich bevonden, kan naar het oordeel van de rechtbank ook Utrecht als pleegplaats voor de gehele periode worden beschouwd.

De officier van justitie heeft verdachte gewoonteheling te laste gelegd. De vraag of er sprake is van gewoonte is van feitelijke aard. Naar het oordeel van de rechtbank is de bewezenverklaarde periode relatief kort maar zijn er, gelet op deze korte duur relatief veel auto’s door verdachte geheeld. Voorts blijkt uit de telefoontaps dat verdachte een zeer sterke gerichtheid had op de verwerving van dure auto’s tegen zeer lage prijzen.

Onder deze omstandigheden dient geoordeeld te worden dat er sprake is van een gewoonte als bedoeld in artikel 417 Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank ziet zich gesteld voor een belemmering om bewezen te verklaren dat verdachte het ten laste gelegde tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd. De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende.

Ten laste gelegd is, kort gezegd, dat verdachte zich in vereniging met een ander of anderen heeft schuldig gemaakt aan gewoonteheling van een aantal auto's. Dit brengt mee dat voor wat betreft de opzetheling van deze auto's ook ten aanzien van de mededader(s) telkens bewijsmiddelen voorhanden dienen te zijn voor de strafverzwarende omstandigheid van de gewoonteheling, anders gezegd bewijsmiddelen waaruit blijkt dat ook de betreffende mededader(s) van opzetheling een gewoonte hebben gemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank kan dit ten aanzien van de uit de stukken naar voren komende mededaders in de diverse zaaksdossiers niet steeds worden bewezen.

Derhalve kan niet bewezen worden dat verdachte de ten laste gelegde gewoonteheling in vereniging heeft gepleegd. De verdachte dient in zoverre te worden vrijgesproken.

Los daarvan staat de mogelijkheid dat ten laste van een verdachte bewezen wordt verklaard dat deze alleen, en derhalve niet in vereniging, gewoonteheling heeft gepleegd door met uiteenlopende mededaders in vereniging diverse goederen opzettelijk te helen.

Van een dergelijke situatie is in het geval van deze verdachte ook sprake.

De officier van justitie heeft de tenlastelegging echter zo opgesteld dat de medeplegers van de gewoonteheling dezelfde personen zijn als zij met wie verdachte de individuele auto’s zou hebben geheeld. Wellicht voor de officier van justitie een onbedoeld resultaat, maar gegeven deze formulering van de tenlastelegging kan de rechtbank, nu de gewoonteheling bewezen wordt verklaard, om genoemde technische reden, in de gevallen waarin bewijsmiddelen aanwezig zijn voor het medeplegen van opzetheling het medeplegen niet bewezen verklaren.

8. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Een gewoonte maken van opzetheling

9. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

10. MOTIVERING VAN DE STRAF

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

Verdachte heeft zich binnen een kort tijdsbestek schuldig gemaakt aan gewoonteheling, bestaande uit de opzetheling van een vijftal gestolen personenauto’s uit het duurdere marktsegment. Verdachte is kennelijk met geen ander doel vanuit Ghana naar Nederland gekomen dan het deelnemen aan deze criminele activiteiten. Het maatschappelijk nadeel en de materiële schade voor de individuele gedupeerden die hieruit zijn voortgevloeid, zijn groot. Bovendien heeft verdachte door zijn handelen een belangrijke bijdrage geleverd aan het in stand houden van een afzetmarkt voor gestolen auto's.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet

op het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister, gedateerd 10 januari 2006, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder terzake van enig misdrijf door de Nederlandse strafrechter is veroordeeld.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat oplegging van een geheel onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te noemen duur op haar plaats is.

11. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf is gegrond op artikel 417 van het Wetboek van Strafrecht.

12. BESLISSING

De rechtbank:

? Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2. ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

? Verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1. ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders tenlaste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

? Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

? Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

? Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 15 (vijftien) maanden.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.J. Dondorp, voorzitter,

mr. R.M. Steinhaus en mr. P. van Steijnen, rechters,

in tegenwoordigheid van A. Helder en R. van der Vecht, griffiers, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 juli 2006.