Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:AY5645

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-07-2006
Datum publicatie
04-08-2006
Zaaknummer
344501 / KG 06-1054 P
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

"Concurrerend EAB (Duitsland) en uitleveringsverzoek (Turkije). Artikelen 29 Overleveringswet en 20 en 35 Uitleveringswet. Geen gebod tot in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek en geen verbod op effectuering van de toegestane overlevering aan Duitsland in afwachting van die behandeling. De uitspraak van de rechtbank waarbij de overlevering is toegestaan (zie LJN AY4309) is dadelijk uitvoerbaar, nu de MvJ, rekening houdend met het belang van een goede rechtsbedeling, in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat verzoek niet (alsnog) in behandeling te nemen. De enkele omstandigheid dat de resocialisatie gebaat zou zijn bij uitlevering aan en berechting in Turkije leidt niet tot een ander oordeel, nu een verdachte niet het recht toekomt te bepalen voor welke rechter hij terecht zal staan."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 246
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

P/MB

vonnis 20 juli 2006

RECHTBANK IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM

VOORZIENINGENRECHTER IN KORT GEDING

VONNIS

i n d e z a a k m e t n u m m e r s 344501 / KG 06-1054 P v a n:

[eiser],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting “de Geniepoort” te Alphen aan de Rijn,

e i s e r bij dagvaarding van 21 juni 2006,

procureur mr. N. van der Laan,

t e g e n :

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie, Arrondissementsparket te Amsterdam), zetelende te ‘s-Gravenhage,

g e d a a g d e ,

procureur mr. L.P. Broekveldt,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te ‘s-Gravenhage.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Ter terechtzitting van 7 juli 2006 heeft eiser, verder te noemen [eiser], gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Gedaagde, verder te noemen de Staat, heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten.

a. [eiser] is bij vonnis van 28 februari 1997 door de Arrondissementsrechtbank te Stuttgart (Duitsland) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaar en zes maanden wegens handel in verdovende middelen.

b. Op 6 maart 2006 is tegen [eiser] een Europees aanhoudingsbevel (E.A.B.) uitgevaardigd, in verband met het onder a vermelde vonnis. In de daaraan ten grondslag liggende beslissing is onder meer het volgende vermeld:

“Op 9 september 2003 werd hij, nadat hij een gedeelte van de straf had uitgezeten, (...) uit Duitsland naar Turkije uitgewezen. Aangezien hij zich intussen vrijwillig in Duitsland heeft bevonden, werd de beslissing om af te zien van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf (...) door beschikking van 2 maart 2006 herroepen.” [eiser] zou van de straf nog 1771 dagen moeten uitzitten.

c. Tegen [eiser] is thans zowel in Duitsland als in Turkije een strafvervolging gaande terzake van de verdenking van handel in verdovende middelen, in de jaren 2004 en 2005. In verband hiermee heeft Duitsland op 18 augustus 2005, 16 februari 2006 en 27 maart 2006 nog drie E.A.B.’s uitgevaardigd.

d. Op grond van de E.A.B.’s heeft Duitsland verzocht om overlevering van [eiser] aan Duitsland. In alle aanhoudingsbevelen gaat het om handel in verdovende middelen, die in hoofdzaak op de Duitse gebruikersmarkt terecht zijn gekomen.

e. Op 17 februari 2006 en 16 mei 2006 is [eiser] (terzake van de E.A.B.’s van 16 februari en 27 maart 2006) op last van de officier van justitie van het arrondissementsparket te Amsterdam aangehouden.

f. Bij brief van 1 juni 2006 heeft de hoofdofficier van justitie te Instanbul aan het

Ministerie van Justitie in Nederland meegedeeld dat hij aan Duitsland om de uitlevering had gevraagd van [eiser], aangezien hij in de veronderstelling verkeerde dat [eiser] daar verbleef, maar dat hij inmiddels had vernomen dat [eiser] in Nederland was aangehouden. De officier van justitie te Instanbul heeft in deze brief verder verzocht om [eiser] te blijven aanhouden “tot alle formele zaken zijn afgerond hier in Turkije tot zijn uitlevering”.

g. Bij uitspraken van 2 juni 2006 heeft de rechtbank te Amsterdam, op vordering van de officier van justitie, de overlevering van [eiser] aan Duitsland, op basis van de E.A.B.’s van 18 augustus 2005, 16 februari 2006 en 6 maart 2006, toegestaan. In deze uitspraken heeft de rechtbank geconstateerd dat [eiser] bij zijn aanhouding niet is gewezen op de mogelijkheid te verzoeken dat de autoriteiten van zijn vaderland (Turkije) op de hoogte werden gesteld van zijn aanhouding. Dat is in strijd is met artikel 36 van het Verdrag van Wenen inzake Consulaire Betrekkingen (verder: het Verdrag). De raadsman van [eiser] had in deze procedure, mede op grond van deze omissie, verzocht om de overlevering ontoelaatbaar te achten, dan wel de behandeling van de zaak aan te houden om de Turkse autoriteiten in de gelegenheid te stellen een uitleveringsverzoek aan Nederland te richten, aangezien [eiser] liever aan Turkije dan aan Duitsland wenst te worden uit- (althans

over-) geleverd. De rechtbank heeft dat verzoek van de raadsman niet gehonoreerd, op grond van de overweging dat aan het overtreden van het genoemde artikel niet de door de raadsman van [eiser] voorgestelde gevolgen kunnen worden verbonden.

h. Op 9 juni 2006 heeft de rechtbank te Amsterdam een soortgelijke beslissing als die vermeld onder g genomen met betrekking tot het E.A.B. van 27 maart 2006.

i. Bij brieven van 12 juni 2006 hebben de Turkse autoriteiten aanvullende informatie verstrekt aan het Ministerie van Justitie te Nederland, aangaande het uitleveringsverzoek.

2. [eiser] vordert thans dat de Staat, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, wordt geboden

het Turkse uitleveringsverzoek in behandeling te nemen en wordt verboden [eiser] over te

leveren aan Duitsland in afwachting van de behandeling van het uitleveringsverzoek door de rechtbank Amsterdam en een beslissing van de Minister van Justitie op de concurrerende verzoeken

3. [eiser] heeft zijn vordering, samengevat, als volgt toegelicht. Vast staat dat in de zaak van

[eiser] artikel 36 van het Verdrag is geschonden. Als dat niet was gebeurd, zou Turkije al eerder om uitlevering van [eiser] aan Turkije hebben verzocht. [eiser] verkiest uitlevering aan Turkije boven overlevering aan Duitsland, aangezien hij de Turkse nationaliteit heeft en een groot deel van zijn familie in Turkije woont. Van het Amsterdamse parket heeft [eiser] vernomen dat aan het uitleveringsverzoek van Turkije geen gehoor zal worden gegeven. Door deze weigering en het overleveren van [eiser] aan Duitsland, handelt de Staat onrechtmatig jegens hem. Door aldus te handelen kan de Minister van Justitie (verder: de Minister) immers niet meer inhoudelijk beoordelen welk verzoek, met als uitgangspunt een goede rechtsbedeling, de voorrang verdient, terwijl dat wel zou moeten op grond van de artikelen 31 van de Overleveringswet (Ow) en 35 van de Uitleveringswet (Uw). Daarbij dienen onder meer de positie van de verdachte en diens resocialisatie-perspectieven een rol te spelen Daar komt bij dat [eiser], als de overlevering doorgaat, voor de strafbare feiten waarvoor Turkije uitlevering heeft gevraagd, en die deels hetzelfde zijn als die waarvoor hij in Duitsland wordt vervolgd, waarschijnlijk niet meer vervolgd zal worden in zijn vaderland. [eiser] heeft een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening, nu de Staat heeft aangekondigd spoedig tot overlevering te zullen overgaan. De rechtbank Amsterdam is bevoegd, aangezien de officier van justitie te Amsterdam als enige justitiële autoriteit geheel zelfstandig belast is met de tenuitvoerlegging van de overleveringsuitspraken, te weten de feitelijke overlevering.

4. De Staat heeft tegen de vordering gemotiveerd verweer gevoerd. De Staat heeft - kort gezegd - betoogd dat geen grond bestaat om de overlevering aan Duitsland te laten wachten op een rechterlijke procedure over een Turks uitleveringsverzoek, waarvan de Minister nu al weet dat hij na toelaatbaarverklaring van die uitlevering, op goede gronden, voorrang zal geven aan overlevering aan Duitsland. Volgens de toepasselijke werkinstructies zal, indien een uitleveringsverzoek wordt ontvangen, nadat reeds op een E.A.B. is beslist en overlevering is toegestaan, het uitleveringsverzoek niet in behandeling worden genomen en zal kunnen worden volstaan met toestemming tot verderlevering. Aldus de Staat. Voor het overige zal het verweer van de Staat, voor zover nodig, hierna worden besproken.

Beoordeling van het geschil.

5. In artikel 29 van de Ow is bepaald dat de uitspraak van de rechtbank over de overlevering dadelijk uitvoerbaar is, tenzij er ten aanzien van de opgeëiste persoon een concurrerend uitleverings- of overleveringsverzoek is ontvangen, dat in behandeling is genomen. Zoals de Staat terecht heeft aangevoerd is dat hier niet het geval. Weliswaar heeft de Staat de brieven van 12 juni 2006 (1 i) als uitleveringsverzoek aangemerkt, maar dat verzoek is nog niet in behandeling genomen en de Minister is ook niet voornemens dat alsnog te doen, zoals de Staat heeft meegedeeld.

6. Artikel 20 lid 1 Uw bepaalt dat de Minister het verzoek tot uitlevering met de daarbij behorende stukken in handen stelt van de officier van justitie bij de rechtbank van het arrondissement waarin de opgeëiste persoon zich bevindt, tenzij hij reeds aanstonds van oordeel is dat het verzoek tot uitlevering moet worden afgewezen. De Staat heeft aangevoerd dat aan de Minister hier een beroep op deze uitzondering toekomt en hij dus niet gehouden is tot het in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek en/of tot afgifte van de stukken aan de officier van justitie. Als reden daarvoor heeft de Staat aangevoerd dat Turkije gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid tot weigering van uitlevering van eigen onderdanen. Dit betekent, aldus de Staat, dat wanneer [eiser] aan Turkije zou worden uitgeleverd, hij niet meer nadien aan Duitsland zal worden uitgeleverd ter vervolging van de in de E.A.B.’s vermelde strafbare feiten of om het restant van zijn oude straf uit te zitten. Uitlevering aan Turkije zou dan ook volgens de Staat in strijd zijn met een goede rechtsbedeling, zoals bedoeld in artikel 35 Uw. Het omgekeerde, uitlevering aan Turkije, nadat [eiser] zijn vervolging in Duitsland heeft ondergaan en zijn resterende straf heeft uitgezeten, is daarentegen wel mogelijk, zodat overlevering aan Duitsland juist in overeenstemming is met een goede rechtsbedeling, zo luidt verder het verweer van de Staat. [eiser] heeft deze redenering niet op goede gronden kunnen aantasten. Ook als de artikel 36 van het Verdrag niet zou zijn geschonden, zou de Staat op grond van het vorenstaande het verzoek om overlevering aan Duitsland immers hebben kunnen laten prevaleren boven het uitleveringsverzoek van Turkije. Bovendien zijn de Duitse verzoeken eerder ingediend dan het Turkse verzoek, wat ook het geval zou zijn geweest als de Turkse autoriteiten meteen van de aanhouding van [eiser] op de hoogte zouden zijn gesteld. Daar komt bij dat de Duitse verzoeken geen betrekking hebben op minder ernstige feiten dan het Turkse verzoek en dat de verdovende middelen waar het hier om gaat vooral op de Duitse gebruikersmarkt terecht zijn gekomen, zodat Duitsland kan worden beschouwd als het land waarvan de rechtsorde het meest is aangetast.

7. Het voorgaande betekent dat de Staat in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit

om het verzoek tot uitlevering thans niet te behandelen, maar te volstaan met het verlenen van toestemming aan de Duitse autoriteiten tot verderlevering. De enkele omstandigheid dat de resocialisatie van [eiser] mogelijk gebaat zou zijn bij uitlevering aan en berechting in Turkije brengt in deze omstandigheden geen verplichting voor de Staat mee om het uitleveringsverzoek alsnog in behandeling te nemen, noch een grond voor een verbod tot overlevering aan Duitsland. Uitgangspunt is immers dat degene die ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd niet het recht toekomt te bepalen voor welke rechter hij terecht zal staan, noch op nationaal, noch op internationaal niveau, zoals de Staat eveneens terecht heeft aangevoerd. Nu de rechtbank de overlevering toelaatbaar heeft geacht, dient de officier van justitie te Amsterdam die beslissing zo spoedig mogelijk uit te voeren.

8. De conclusie is dat de vordering van [eiser] zal worden afgewezen, met veroordeling van

[eiser], als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van dit geding.

BESLISSING IN KORT GEDING

De voorzieningenrechter:

1. Weigert de gevraagde voorziening.

2. Veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van de Staat begroot op:

- € 248,= aan vastrecht en

- € 816,= aan salaris procureur.

3. Verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Gewezen door de vice-president mr. M.Y.C. Poelmann, voorzieningenrechter in kort geding in de rechtbank te Amsterdam, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 20 juli 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.

Coll.: