Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:AY5420

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-07-2006
Datum publicatie
01-08-2006
Zaaknummer
13/527001-06 en 13/037923-03(TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft deel uitgemaakt van een criminele organisatie en in dat verband een bedrijfsinbraak gepleegd. De organisatie opereerde op en rondom het Maasplein in Amsterdam-Zuid en was hoofdzakelijk uit op geldelijk gewin door middel van het stelen en helen van waardevolle goederen zoals computerapparatuur en navigatiesystemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummers: 13/527001-06 en 13/037923-03(TUL)

Datum uitspraak: 31 juli 2006

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989, ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het [adres]

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 juli 2006.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage aan dit vonnis is gehecht. De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

3. Waardering van het bewijs

3.1. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 1 primair en subsidiair en feit 2 primair en subsidiair is telastegelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

3.2 Criminele organisatie

Voor het bestaan van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat er sprake is van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen, dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Volgens de rechtbank is aan voornoemd vereiste voldaan.

Alleen al op grond van de aanzienlijke hoeveelheid en de frequentie van de tapgesprekken die zijn gevoerd tussen de verdachten in het onderzoek en die bijna zonder uitzondering betrekking hebben op het plegen van (auto)inbraken en het (ver)kopen van gestolen goederen, kan worden vastgesteld dat er gedurende enige tijd – in de periode van 1 december 2005 tot en met 10 januari 2006 – een intensieve samenwerking bestond gericht op het plegen van misdrijven. Ook uit de verklaringen van de verdachten en de getuigen [getuige1] en [getuige2] blijkt van een dergelijke samenwerking. Het merendeel van de verdachten is bewijsbaar betrokken bij het daadwerkelijk plegen van diefstallen en /of helen van goederen gedurende voornoemde periode. In de organisatie was een zekere structuur zichtbaar. De verdachte [medeverdachte1] vervulde een leidende rol in het geheel; zo gaf hij onder meer opdracht tot diefstallen en inbraken en fungeerde hij vaak als afnemer van de gestolen goederen. De overige verdachten waren derhalve de uitvoerders, pleegden de delicten vaak samen in wisselende samenstelling, hielden elkaar op de hoogte van te plegen of gepleegde delicten en kwamen op afgesproken, min of meer vaste, plaatsen samen, waren elkaar behulpzaam en deelden inbrekerswerktuigen.

Van deelname aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 in de zin van die bepaling is slechts dan sprake, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Deelneming aan de misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie is verricht is niet nodig. Voor deelneming in de zin van voormeld artikel is voldoende dat betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven en hij dit oogmerk op enigerlei wijze ondersteunt. Nu ten aanzien van verdachte, zoals hierna onder 3.3 vermeld, een autokraak bewezen kan worden verklaard die hij heeft gepleegd ten behoeve van de organisatie, is daarmee reeds zijn deelname aan de organisatie aangetoond. Daarnaast is uit de taps onder meer af te leiden dat verdachte veelvuldige telefonische contacten met medeverdachten had over te plegen dan wel gepleegde diefstallen en de buit daarvan, en dat hij rond die diefstallen ontmoetingen had met (enkele van) de medeverdachten.

Overigens overweegt de rechtbank dat ten aanzien van de in de telastelegging genoemde medeverdachten [medeverdachte2] en [medeverdachte3] geen bewezenverklaring kan worden uitgesproken, nu hun zaken nog bij de rechtbank aanhangig zijn.

3.3. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1 meer subsidiair:

in de periode 29 juni 2005 tot en met 10 januari 2006 te Amsterdam opzettelijk een paspoort (op naam van [slachtoffer1]), toebehorende aan [slachtoffer1], welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

ten aanzien van feit 2 meer subsidiair:

in de periode 12 juli 2005 tot en met 10 januari 2006 te Amsterdam opzettelijk een mobiele telefoon (merk Nokia, type 6230), toebehorende aan [slachtoffer2] welk goed verdachte

anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

ten aanzien van feit 3:

op 31 december 2005 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkel (Moses Music, gelegen aan perceel [adres]) heeft weggenomen een beamer (merk Dell), toebehorende aan Moses Music, waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door een raam van voornoemde winkel in te gooien.

ten aanzien van feit 4:

in de periode van 01 december 2005 tot en met 10 januari 2006 te Amsterdam, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit - naast verdachte - [medeverdachte4], [medeverdachte5] [medeverdachte6], [medeverdachte7], [medeverdachte1] en [medeverdachte7], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk (gekwalificeerde) diefstallen en schuld- en/of opzetheling, waarbij de deelneming van verdachte onder meer bestond uit het plegen van (gekwalificeerde) diefstallen, het onderhouden van telefonische en persoonlijke contacten met andere leden van de organisatie, het geven van inlichtingen en aanwijzingen aan andere leden van de organisatie en het voldoen aan verzoeken van andere leden van de organisatie;

ten aanzien van feit 5:

op 21 februari 2006 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [slachtoffer3] en [slachtoffer4] vuistslagen in het gezicht van voornoemde [slachtoffer3] en [slachtoffer4] heeft gegeven en meerdere malen een trap tegen de benen van voornoemde [slachtoffer4] heeft gegeven (waardoor voornoemde [slachtoffer4] ten val kwam), waardoor voornoemde [slachtoffer3] en [slachtoffer4] pijn hebben ondervonden;

ten aanzien van feit 7:

op 26 mei 2005 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [slachtoffer5] met kracht in het gezicht en de nek heeft gestompt en met kracht tegen het lichaam heeft geduwd, waardoor voornoemde [slachtoffer5] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregel

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezengeachte feiten 1 meer subsidiair, 2 meer subsidiair, 3, 4, 5 en 7 zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 30 weken, met aftrek van voorarrest, waarvan 15 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarde een Maaspleinverbod, en tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen jeugddetentie.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft deel uitgemaakt van een criminele organisatie en in dat verband een bedrijfsinbraak gepleegd. De organisatie opereerde op en rondom het Maasplein in Amsterdam-Zuid en was hoofdzakelijk uit op geldelijk gewin door middel van het stelen en helen van waardevolle goederen zoals computerapparatuur en navigatiesystemen. De vele slachtoffers zijn mede door toedoen van verdachte gedupeerd: zij hebben hiervan overlast ondervonden en financiële schade geleden. Onder de slachtoffers en de overige bewoners in de genoemde buurt heeft veel onrust geheerst door de aanwezigheid en activiteiten van deze criminele “bende”. Bovendien houdt verdachte, door te opereren in het wereldje van dieven en helers, de handel van illegale goederen en de daarmee gepaard gaande criminaliteit in gang. Het gaat om ernstige feiten die gevoelens van onveiligheid in de samenleving veroorzaken.

De rechtbank heeft rekening gehouden met het feit dat verdachte eerder is veroordeeld ter zake van vermogensdelicten.

Ter terechtzitting heeft dhr. J. Schuit, jeugdreclasseerder van Bureau jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, verklaard dat het sinds de schorsing uit de voorlopige hechtenis goed is gegaan met verdachte, zowel op school als op zijn stageplek, en dat verdachte volwassen genoeg is om zijn eigen weg te zoeken zonder verdere begeleiding van de jeugdreclassering. Ook een leerstraf is niet aangewezen omdat verdachte al voldoende heeft geleerd. De heer Schuit adviseert aan verdachte een werkstraf op te leggen.

Gelet op alle voornoemde omstandigheden acht de rechtbank de straffen zoals door de officier van justitie gevorderd een passende reactie op het gedrag van verdachte.

Ten aanzien van de benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de [benadeelde partij1] namens Moses Music van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit 3 rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 699,23 (zeshonderd negenennegentig euro en drieëntwintig eurocent), te weten de kosten voor de beamer / projector plus de kosten voor de ruitschade minus de btw-bedragen en de vergoeding door de verzekering. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij is niet van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van [benadeelde partij1] namens Moses Music voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 13 juni 2006 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/037923-03, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 11 maart 2004 van de kinderrechter, waarbij verdachte is veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 19 dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 14 dagen niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een akte waaruit blijkt dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, op 1 april 2004 aan verdachte per post is verzonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet daarin aanleiding de tenuitvoerlegging van voornoemde voorwaardelijke jeugddetentie te gelasten en tevens de omzetting daarvan in een werkstraf voor de duur van 28 uren, subsidiair 14 dagen jeugddetentie.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 140, 300, 311 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart het onder feit 1 primair en subsidiair en feit 2 primair en subsidiair telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 meer subsidiair en feit 2 meer subsidiair:

Verduistering, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

ten aanzien van feit 4:

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

ten aanzien van feit 5 en feit 7:

Mishandeling, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 30 weken.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 15 weken, van deze jeugddetentie niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Tevens kan de tenuitvoerlegging worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

een Maaspleinverbod inhoudende dat veroordeelde zich tot 1 november 2006, anders dan op aantoonbaar geval van doorreis, niet mag ophouden:

- in de Maasstraat tussen de perceelnummers 50 tot en met 112 aan de even zijde, en tussen de perceelnummers 55 tot en met 97 aan de oneven zijde van de straat;

- in de Geleenstraat, tussen de kruisingen met de Maasstraat en de Molenbeekstraat.

Veroordeelt verdachte voorts tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 uren. Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 60 uren.

Wijst de vordering van de [benadeelde partij1] namens Moses Music, gevestigd op het [adres] toe tot een bedrag van € 699,23 (zeshonderd negenennegentig euro en drieëntwintig eurocent).

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij1] namens Moses Music voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voorzover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij1] namens Moses Music, te betalen de som van € 699,23 (zeshonderd negenennegentig euro en drieëntwintig eurocent), behoudens voorzover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 10 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorzover deze voorwaardelijk is opgelegd bij voornoemd vonnis d.d. 11 maart 2004, zijnde 14 dagen jeugddetentie.

Gelast de omzetting van voornoemde jeugddetentie in een werkstraf voor de duur van

28 uren, subsidiair 14 dagen jeugddetentie.

Heft op het – geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J.C. van Kamp, voorzitter,

mrs. A.M.I. van der Does en A.P. van der Linden, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C. Bernsen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 juli 2006.

De jongste rechter is buiten staat te tekenen.