Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:AY4857

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-07-2006
Datum publicatie
24-07-2006
Zaaknummer
AWB 06-3484 Bouwb
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft verzoeker onder oplegging van een dwangsom van € 2.400 per dag met een maximum van € 24.000 gelast om binnen zeven dagen na dagtekening van het besluit de personen en dieren woonachtig in de gebouwen en andere personen en dieren op het perceel [...] te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

Voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

in de zaak met reg.nr AWB 06/3484 Bouwb

van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

vertegenwoordigd door mr. R.M. van Bemmel,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalsmeer,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. F. Veerman en E.G.J. Commandeur.

Tevens hebben als partij aan het geding deelgenomen:

[belanghebbende]

wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en:

[8 bewoners]

gezamenlijk bewoners.

1. PROCESVERLOOP

Op 7 juli 2006 heeft de voorzieningenrechter (hierna: de rechter) een verzoek ontvangen om een voorlopige voorziening te treffen hangende de behandeling van een door verzoeker ingediend bezwaarschrift tegen verweerders besluit van 3 juli 2006 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 11 juli 2006.

2. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van verzoeker dat onverwijld een voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

De rechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

In 1974 heeft [belanghebbende] een perceelsgedeelte met woonhuis, gelegen aan de [straat] 284 te [woonplaats], gekocht van [naam]. [naam] heeft de eigendom van het achterliggende perceel behouden, thans bekend als [straat] 284A te [woonplaats], waarop een schuur en kas waren gelegen, en is in de kas gaan wonen. In de loop der jaren zijn de kas en de schuur uitgebreid en omgebouwd tot thans twee aparte woonunits en 6 appartementen in een voormalige kas. Verzoeker heeft het perceel in 2001 gekocht.

Bij brief van 28 juni 2001 heeft [belanghebbende] een eerste verzoek om handhaving gericht aan de gemeente terzake van de volgens hem in strijd met het bestemmingsplan zijnde bewoning van het perceel [straat] 284A, die steeds intensiever werd.

Bij besluit van 3 september 2002 heeft verweerder verzoeker een bestuursdwangaanschrijving gezonden terzake van bewoning in strijd met het bestemmingsplan, waartegen verzoeker bezwaar heeft gemaakt.

Na diverse andere verzoeken om handhaving heeft [belanghebbende] bij brief van 15 mei 2006 verweerder wederom verzocht tot handhaving over te gaan.

Bij besluit van 31 mei 2006 heeft verweerder de bezwaren van verzoeker tegen de bestuursdwangaanschrijving gegrond verklaard en een controle van de woningen aangekondigd.

Op 22 juni 2006 heeft de gemeente een eerste controle verricht en op 26 juni 2006 een tweede controle.

Bij besluit van 3 juli 2006, verzonden op 5 juli 2006, heeft verweerder verzoeker onder oplegging van een dwangsom van € 2.400 per dag met een maximum van € 24.000 gelast om binnen zeven dagen na dagtekening van het besluit de personen en dieren woonachtig in de gebouwen en andere personen en dieren op het perceel [straat] 284 (achter) A te verwijderen en verwijderd te houden. Aan dit besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat uit de bijgevoegde brandveiligheidsrapportage van de preventist van de brandweer d.d. 26 juni 2006 het volgende blijkt:

"De gebouwen zijn in zeer slechte staat en het is onverantwoordelijk om mensen in de gebouwen te laten wonen. De brandveiligheid is zo slecht dat bewoners geen redelijke kans hebben om de gebouwen te kunnen ontvluchten bij calamiteiten. De brandweer gaat in deze gebouwen geen redding uitvoeren omdat het gevaar voor eigen leven te groot is. De gebouwen moeten op korte termijn worden gesloten en onbewoonbaar worden verklaard."

De gebouwen zijn in strijd met de artikelen 2.11, 2.63, 2.72, 2.88, 2.98, 2.110, 2.210, 2.130,2.140, 2.150, 2.160, 2.176 en 2.188 van het Bouwbesluit en de elektrische installaties in de gebouwen voldoen niet aan de NEN 1010. Vanwege de spoed is afgezien van het horen van belanghebbenden op grond van 4:11 van de Awb. Verweerder heeft overwogen spoedeisende bestuursdwang toe te passen doch heeft daarvan afgezien omdat verweerder de bewoners van de gebouwen zelf de gelegenheid wil bieden om deze te verlaten. Dit neemt niet weg dat er spoed noodzakelijk is om de bewoners uit de gebouwen te verwijderen, gezien het advies van de preventist. Op basis van het overgangsrecht mag er op het betreffende perceelsgedeelte worden gewoond, aldus verweerder. Omdat de gebouwen bestaan uit een omgebouwde schuur en een ongebouwde kas en derhalve geen woning zijn kunnen zij bij voorbaat niet voldoen aan de eisen die in het Bouwbesluit en de Bouwverordening worden gesteld aan bewoning. Een woning dient bijvoorbeeld uit een bepaalde draagconstructie bestaan (artikel 2.11 Bouwbesluit) waar een kas of schuur niet aan voldoet. De enige mogelijkheid om bewoning op het onderhavige perceel toe te staan is dat de kassen en de schuur worden gesloopt en er woningen worden gebouwd die voldoen aan het Bouwbesluit en de Bouwverordening. Dit is een tijdrovend proces waar niet op gewacht kan worden. Op grond hiervan is het niet mogelijk de illegale situatie te legaliseren.

Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder in deze zaak zou moeten afzien van het opleggen van een dwangsom is niet gebleken, aldus verweerder. Het belang van het voorkomen van brandgevaarlijke situaties en de handhaving van de wettelijke voorschriften prevaleren boven het belang van het woongenot van de bewoners. Verweerder heeft besloten tot het opleggen van een dwangsom met als doel de illegale situatie te beëindigen. Deze bevoegdheid steunt op artikel 125 van de Gemeentewet in combinatie met het artikel 5:32 tot en met 5:36 van de Algemene wet bestuursrecht, aldus verweerder.

De bewoners die als partij aan dit geding hebben deelgenomen hebben op dezelfde datum soortgelijke lastgevingen ontvangen.

Verzoeker heeft – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat:

- De begunstigingstermijn te kort is;

- Verweerder ten onrechte niet een aanschrijving als bedoeld in artikel 14 e.v. van de Woningwet heeft doen uitgaan en mitsdien niet bevoegd is tot bestuursdwang dan wel het opleggen van een last onder dwangsom.

- In het besluit niet is aangegeven met welke wettelijke bepaling de situatie in strijd is.

De bewoners hebben voor de zitting schriftelijk en met foto's aangegeven dat er al lange tijd in de schuren en kassen gewoond wordt en dat het treffen van voorzieningen mogelijk is om te voldoen aan alle eisen. Voorts hebben zij ter zitting aangegeven niet te beschikken over vervangende woonruimte en dat het voor hen heel moeilijk zal zijn snel aan betaalbare woonruimte te komen.

De rechter overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang.

Ingevolge artikel 5:21 van de Awb wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge artikel 2 van de Woningwet worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur uit het oogpunt van onder meer veiligheid technische voorschriften gegeven omtrent het bouwen van woningen en andere gebouwen (Bouwbesluit).

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Woningwet schrijven burgemeester en wethouders degene, die als eigenaar tot het treffen van die voorzieningen bevoegd is, aan binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven voorzieningen te treffen indien een woning wegens strijd met de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorschriften of uit anderen hoofde noodzakelijk voorzieningen behoeft dan wel wegens strijd met de in artikel 2, tweede lid, bedoelde voorschriften voorzieningen behoeft.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

Vaststaat dat voor de in de schuur en kas op het perceel [straat] 284A te [woonplaats] gebouwde woningen geen bouwvergunning is verleend terwijl deze wel vereist is. Gelet hierop was verweerder bevoegd om handhavend op te treden.

Verzoeker heeft gesteld dat het bestreden besluit ondeugdelijk is omdat daarin niet de grondslag van de bestuursdwang wordt genoemd. Aan verzoeker kan worden toegegeven dat de wettelijke grondslag van de last onder dwangsom niet in het besluit is aangegeven. Wel blijkt uit het besluit dat het erom gaat dat, nu de schuur en kas zonder bouwvergunning zijn verbouwd tot woningen, zij niet voldoen aan de eisen van Bouwbesluit en Bouwverordening, in het bijzonder de brandveiligheidseisen. Dit gebrek kan evenwel in de bezwaarprocedure worden hersteld, en is geen aanleiding om het besluit nu te schorsen.

De rechter deelt niet de stelling van verzoeker dat verweerder verzoeker eerst had moeten aanschrijven krachtens artikel 14 e.v. Woningwet voordat bestuursdwang mag worden uitgeoefend. Een dergelijke aanschrijving is gericht op het treffen van voorzieningen teneinde alsnog aan de eisen te voldoen. Een dergelijke aanschrijving is niet zinvol in een geval waarin verweerder zich op het standpunt stelt dat niet door het treffen van voorzieningen kan worden bewerkstelligd dat de woningen alsnog geheel voldoen aan het Bouwbesluit en de Bouwverordening en het voornemen heeft de woningen onbewoonbaar te verklaren.

Gesteld noch gebleken is dat verzoeker als verhuurder niet in staat is de bewoning van de woningen te doen beëindigen.

Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Met betrekking tot de vraag of concreet zicht op legalisering bestaat, overweegt de rechtbank het volgende.

Ter plaatse vigeert het bestemmingsplan “Uiterweg 1985”. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er een woonbestemming rust op het perceel [straat] 284A (achter) krachtens het overgangsrecht. De rechter deelt niet op voorhand de stelling van de gemeente dat dit perceel krachtens het overgangsrecht een woonbestemming heeft. Door het overgangsrecht wijzigt niet de bestemming van het perceel maar mag het met het nieuwe plan strijdige gebruik worden voortgezet. Intensivering van dat met het bestemmingsplan strijdige gebruik is in het algemeen krachtens het overgangsrecht niet toegestaan. Niet duidelijk is of op de peildatum van het overgangsrecht reeds sprake was van 8 afzonderlijke woningen. Ook dit zal in de beslissing op bezwaar door verweerder nader gemotiveerd kunnen worden. Niet uitgesloten kan worden dat de intensievere bewoning van dit perceel in strijd is met het overgangsrecht en mitsdien met het vigerende bestemmingsplan.

Ervan uitgaande dat de betrokken bewoning wel is toegestaan, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de woningen niet voldoen aan het gestelde in het Bouwbesluit en de bouwverordening. Verzoeker en de huurders/bewoners hebben dit ter zitting betwist. Gelet op het rapport van de preventist van de brandweer, de door de gemeente en de bewoners overgelegde foto's en het verhandelde ter zitting is de rechter van oordeel dat niet aannemelijk is dat de woningen voldoen aan de daaraan in het Bouwbesluit gestelde eisen. Voorts is de rechter van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een uit oogpunt van brandveiligheid gevaarlijke situatie en dat de woningen ongeschikt zijn voor bewoning. Verweerder heeft ter zitting nader toegelicht dat de te treffen voorzieningen dermate ingrijpend zijn, te weten het aanpassen van de draagconstructie, het vervangen van wanden en daken, en van het wijzigen van de indeling van de woningen dat dit in feite betekent dat de woningen dienen te worden gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Gelet hierop is het voorlopig oordeel van de rechter dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het treffen van voorzieningen niet mogelijk is. Er is mitsdien geen concreet zicht op legalisering.

De rechter is tevens van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgezien van de last onder dwangsom alsmede dat het belang van het voorkomen van brandgevaarlijke situaties dient te prevaleren boven het belang van de bewoners bij behoud van hun woning dan wel het belang van verzoeker die woningen te verhuren.

Verweerder heeft niet onzorgvuldig gehandeld door de bewoners middels bestuursdwang niet terstond op straat te (doen) zetten doch verzoeker als verhuurder en de bewoners middels een last onder dwangsom een termijn te gunnen om zelf de bewoning te (doen) staken. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegezegd te bewilligen in een verlenging van de begunstigingstermijn van een maand na verzending van de onderhavige uitspraak.

Mede gelet op de toezegging van verweerder te bewilligen in genoemde verlengde begunstigingstermijn is er geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen dan wel verweerder te veroordelen tot vergoeding van de kosten van dit geding.

3. BESLISSING

De rechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Gewezen door mr. Y.A.A.G. de Vries, voorzieningenrechter,

in tegenwoordigheid van mr. V.M. Behrens, griffier,

op 18 juli 2006

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.

Afschrift verzonden op:

DOC: B