Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:AY4638

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-07-2006
Datum publicatie
20-07-2006
Zaaknummer
13/524145-05 (A) en 13/442990-05 (B
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft gedurende een lange periode op intensieve wijze een groot aantal jonge jongens seksueel misbruikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummers: 13/524145-05 (A) en 13/442990-05 (B)

Datum uitspraak: 20 juli 2006

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het [adres]

gedetineerd in het Huis van Bewaring Zwaag te Zwaag.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna genoemd respectievelijk zaak A en zaak B.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 22 juni 2006 en 6 juli 2006.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding in zaak A, zoals ter terechtzitting van 23 december 2005 en 6 juli 2006 gewijzigd en de dagvaarding in zaak B, zoals ter terechtzitting van 6 juli 2006 gewijzigd. Van de dagvaardingen en de vorderingen wijziging telastelegging zijn kopieën als bijlagen 1, 2, 3 en 4 aan dit vonnis gehecht. De gewijzigde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De rechtbank is -met de officier van justitie- van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte ter zake van het in zaak A onder 5A primair en meer subsidiair en 5B primair en subsidiair telastegelegde.

De rechtbank overweegt dat voor vervolging ter zake van de artikelen 245 en 247 van het Wetboek van Strafrecht voor de periode van 1 januari 2002 tot en met 30 september 2002 het klachtvereiste gold. Voor de periode van 1 oktober 2002 tot en met 31 december 2003 was het hoorrecht van toepassing. Volgens de officier van justitie is door de slachtoffers geen klacht ingediend en is er geen gebruik gemaakt van het hoorrecht, hoewel de slachtoffers hierop zijn gewezen. De officier van justitie leidt hieruit af dat de slachtoffers geen verdere vervolging wensen. Zij ziet derhalve af van verdere vervolging. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte ter zake van deze feiten.

3. Waardering van het bewijs

3.1 De rechtbank overweegt dat de telastelegging is opgebouwd uit feiten die bestaan uit een primair en subsidiair gedeelte. Het primaire gedeelte van de telastelegging ziet op feiten die betrekking hebben op het seksueel binnendringen van het lichaam, zoals strafbaar gesteld in de artikelen 243, 244 en 245 van het Wetboek van Strafrecht. Het subsidiaire gedeelte van de telastelegging ziet op feiten die betrekking hebben op ontucht, zoals strafbaar gesteld in de artikelen 247 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank overweegt dat voor veroordeling ter zake van de artikelen 243, 244 en 245 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat er handelingen zijn gepleegd die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 18 mei 1999, NJ 1999, 541 blijkt dat onder handelingen die “mede” bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam worden begrepen handelingen die aan het seksueel binnendringen voorafgaan, dan wel daarop volgen of daarmee gepaard gaan.

Een aantal handelingen dat is opgenomen in het primaire gedeelte van de telastelegging bestaat niet uit het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer. Voorts is niet komen vast te staan dat deze handelingen zijn voorafgegaan aan, gevolgd op of gepaard gegaan met seksueel binnendringen. Deze handelingen vallen derhalve niet onder het bereik van de artikelen 243, 244 en 245 van het Wetboek van Strafrecht. Derhalve acht de rechtbank -anders dan de officier van justitie- deze telastegelegde handelingen niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte van het desbetreffende gedeelte van het primair telastegelegde dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank tekent bij het voorgaande aan dat die handelingen die niet onder het bereik van de artikelen 243, 244 en 245 van het Wetboek van Strafrecht vallen ook worden genoemd in het subsidiaire gedeelte van de telastelegging. In de meeste gevallen komt de rechtbank echter niet toe aan het subsidiair telastegelegde, aangezien het primair telastegelegde, zij het op grond van een geringer aantal handelingen dan in de telastelegging vermeld, toch bewezen kan worden verklaard. Slechts in die gevallen waarin de verdachte geheel van het primair telastegelegde dient te worden vrijgesproken, komt de rechtbank toe aan het subsidiair telastegelegde. Alleen in die gevallen kan de rechtbank derhalve komen tot een bewezenverklaring van die handelingen die niet zijn aan te merken als (mede) bestaande uit het seksueel binnendringen als hiervoor omschreven.

3.2. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in zaak A onder

1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 primair en in zaak B onder 1 primair, 2 primair, 3 primair,

4 subsidiair, 5 subsidiair en 6 telastegelegde heeft begaan, zoals is aangegeven op de aan dit vonnis als bijlage 5 gehechte -gestreepte- kopie van de telastelegging. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

3.3. De rechtbank acht -anders dan de officier van justitie- het in zaak A onder 5A subsidiair telastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank overweegt dat voor veroordeling ter zake van artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat het slachtoffer een aan de zorg van verdachte toevertrouwde minderjarige was. Uit het dossier blijkt dat het feit zou hebben plaatsgevonden in het huis van de [medeverdachte], alwaar het slachtoffer samen met andere kinderen verbleef. Hierdoor was het slachtoffer niet aan de zorg van verdachte, maar aan de zorg van de [medeverdachte] toevertrouwd. Derhalve dient verdachte te worden vrijgesproken van dit feit.

3.4. De rechtbank acht -met de officier van justitie- het in zaak B onder 4 primair telastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte dient daarvan te worden vrijgesproken.

3.5. De rechtbank acht -anders dan de officier van justitie- het in zaak B onder 5 primair telastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank overweegt dat uit het dossier blijkt dat het slachtoffer niet heeft verklaard dat verdachte zijn lichaam seksueel is binnengedrongen. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij zijn vinger in de anus van het slachtoffer heeft gestoken, maar hij heeft deze verklaring later weer ingetrokken. Derhalve dient verdachte te worden vrijgesproken van dit feit.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar in zaak A onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 primair cumulatief, 5A subsidiair en in zaak B onder 1 primair cumulatief, 2 primair, 3 primair cumulatief, 4 subsidiair, 5 primair en 6 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest en terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft gedurende een lange periode op intensieve wijze een groot aantal jonge jongens seksueel misbruikt. Daarbij is verdachte onder meer bij een aantal van de jongens met zijn penis oraal binnengedrongen en hij heeft een aantal van de jongens met zijn penis anaal gepenetreerd. Verdachte richtte zich met name op jongens uit gezinnen met een minder stabiele thuissituatie. Over het algemeen kende verdachte de ouders van deze jongens goed en ging hij op vertrouwelijke basis met hen om. Een aantal van de jongens had speciale zorg en onderwijs nodig en een van de jongens was licht verstandelijk gehandicapt. Verdachte kon in sommige gevallen deze kwetsbare kinderen meer tijd en aandacht geven dan de ouders. Hij gaf de jongens daarbij het gevoel dat hij een speciale band met hen had. Verdachte heeft bij deze feiten gebruik gemaakt van zijn woonboot, waarop een groot deel van de seksuele handelingen plaats vond. Deze boot maakte het voor verdachte mogelijk op relatief eenvoudige wijze contact te leggen met kinderen en eenmaal gemaakte contacten te onderhouden. Ook maakte deze boot het mogelijk zijn activiteiten op eenvoudige wijze te verleggen en/of te spreiden over een groter gebied, waardoor hij ontdekking kon voorkomen.

Verdachte heeft door zijn handelen misbruik gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen en van het overwicht dat hij als volwassene op de slachtoffers had. Verdachte heeft de belangen van de slachtoffers ondergeschikt gemaakt aan zijn eigen behoeften en hij is daarmee volledig voorbij gegaan aan de meest elementaire belangen van de slachtoffers. De gedragingen van verdachte vormen een ernstige aantasting van de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Onderzoek heeft uitgewezen dat slachtoffers van seksueel misbruik gebukt kunnen gaan onder emotionele reacties (angst, boosheid en vijandigheid, schuld- en schaamtegevoel, depressiviteit). Zij kunnen daarnaast last hebben van lichamelijke functieklachten (slaapstoornissen, verandering eetpatroon). Ook kan er sprake zijn van psychoseksuele reacties en problemen in sociaal functioneren. Op de lange termijn kunnen er problemen ontstaan, zoals depressiviteit, zelfdestructief gedrag, angst, gespannenheid, een negatief zelfbeeld en relationele problemen. Uit de stukken en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat deze problemen zich bij een aantal slachtoffers reeds hebben gemanifesteerd. Bovendien zijn de feiten gepleegd in een sfeer van vertrouwelijkheid en waren de seksuele handelingen ingebed in de normale activiteiten van de kinderen. Hierdoor bestaat de kans dat de slachtoffers de rest van hun leven een gevoel van verwarring en onveiligheid zullen ondervinden. Daarnaast heeft verdachte het vertrouwen dat de ouders van de slachtoffers in hem hebben gesteld met betrekking tot zijn omgang met de kinderen misbruikt. Dit kan een schuldgevoel veroorzaken bij de ouders en een grote impact hebben op het (verdere) functioneren van deze gezinnen.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank kennis genomen van het over verdachte uitgebrachte rapport van 19 december 2005, opgemaakt door R. Ladee, psychiater en D. Breuker, psycholoog. Tevens heeft de rechtbank kennis genomen van het over verdachte uitgebrachte rapport van 19 juni 2006, opgemaakt door A.G.S. de Ranitz, psychiater en J.M. Oudejans, psycholoog, beiden werkzaam bij het Pieter Baan Centrum. In deze rapporten wordt verslag gedaan van het door voornoemde gedragsdeskundigen ingestelde onderzoek naar de geestvermogens van verdachte. Uit de rapporten komt het volgende beeld van verdachte naar voren.

Verdachte is een man met bovengemiddelde intellectuele vermogens. Er is bij verdachte sprake van pedoseksualiteit van het exclusieve type. Tevens lijdt hij aan een ernstige persoonlijkheidsstoornis die qua structuur gekenmerkt wordt door een borderline persoonlijkheidsorganisatie en die in de presentatie wordt gekenmerkt door afhankelijke en ontwijkende trekken. Daarnaast is er sprake van alcoholmisbruik. In het verleden heeft verdachte diverse depressieve episoden doorgemaakt. In een nog verder verleden heeft hij meerdere middelen misbruikt. Dit middelenmisbruik is thans in remissie. Verdachte is de afgelopen twintig jaar veelvuldig seksuele relaties aangegaan met jonge, kwetsbare jongens. Hoewel hij in het verleden ook relaties heeft gehad met volwassen mannen en vrouwen en enkele seksuele contacten met minderjarige meisjes, richt hij zich thans exclusief op minderjarige jongens. Deze gerichtheid staat niet op zichzelf. Verdachte staat niet volwaardig en stabiel functionerend in het leven met deze seksuele stoornis, maar er bestaat een duidelijke samenhang tussen deze seksuele stoornis en de ernstige persoonlijkheidsstoornis. Bij verdachte wordt deze scheefgroei gekenmerkt door een zeer instabiele kern: een gebrek aan identiteit en eigenheid, onrijpe afweermechanismen als loochening en afsplitsing en een labiel gevoelsleven. Dit laat zich het best omschrijven als een borderline organisatie van de persoonlijkheid. In de omgang met anderen spelen bovendien afhankelijkheid en ontwijken een belangrijke rol. Een grote angst om gekwetst te worden, een grote behoefte om bijzonder en gewaardeerd te zijn en een onvermogen zich daadwerkelijk in een ander te verplaatsen zijn aspecten die in het functioneren van verdachte een grotere rol spelen dan normaal en die zijn handelen sterk bepalen. Op basis van aangeboren aanleg en levenservaringen is verdachte uitgegroeid tot een man die, hoewel inmiddels fysiek volwassen, zo onzeker en onrijp is in zijn hunkering naar een geborgen relatie, dat hij welhaast terug moét vallen op relaties met jonge kwetsbare kinderen, teneinde zich niet bedreigd en ‘groot’ te kunnen voelen. Verdachte is vanwege zijn stoornis onvoldoende in staat daarbij oog te hebben voor de belangen van zijn slachtoffers, om wie hij zich zegt te bekommeren, maar die hij ook manipuleert en reduceert tot lustobject. De op zich intacte gewetensfuncties zijn niet opgewassen tegen de krachtige doorwerking van de pedoseksuele problematiek.

De conclusie van de deskundigen is dat verdachte ten tijde van het plegen van de hem telastegelegde feiten weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid

-overeenkomstig een dergelijk besef- te bepalen. Verdachte was ten tijde van het plegen van de hem telastegelegde feiten lijdende aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, dat deze feiten hem slechts is verminderde mate kunnen worden toegerekend. De rechtbank verenigt zich met deze conclusie en maakt deze tot de hare.

Alles overwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de feiten het opleggen van een langdurige gevangenisstraf rechtvaardigen, ter vergelding van in het bijzonder het leed dat verdachte heeft veroorzaakt bij de slachtoffers en vanwege de schade die hij door zijn daden aan de rechtsorde heeft toegebracht, gezien de ernst ervan en de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan.

De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat verdachte blijkens een uittreksel uit het algemeen documentatieregister van 21 juni 2006 eerder is veroordeeld wegens ernstige zedendelicten. Deze veroordeling is weliswaar relatief lang geleden, maar de rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij zich in de periode rond en na de veroordeling en tijdens de verplichte therapie bij voortduring heeft schuldig gemaakt aan de feiten in de onderhavige zaak.

Anderzijds heeft de rechtbank bij de bepaling van de duur van de op te leggen gevangenisstraf rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

De officier van justitie heeft ter toelichting van de door haar gevorderde gevangenisstraf aangegeven dat zij zich distantieert van het gedeelte van de rapportage waarin staat vermeld dat er een kern van waarheid ligt in de bewering van verdachte dat zijn gerichtheid op kinderen niet primair seksueel van aard is. De rechtbank is van oordeel dat het beeld dat de gedragsdeskundigen van verdachte hebben geschetst tot stand is gekomen na een uitgebreid en zorgvuldig psychologisch en psychiatrisch onderzoek van verdachte. De rechtbank ziet dan ook geen reden om zich niet te verenigen met het oordeel van de gedragsdeskundigen. In deze omstandigheid en in de omstandigheid dat de rechtbank minder feiten bewezen acht dan de officier van justitie, ziet de rechtbank aanleiding om bij de straftoemeting af te wijken van de duur van de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf.

Terbeschikkingstelling

Uit de over verdachte opgemaakte rapporten blijkt voorts het volgende. Vanwege de onderliggende pathologie bij verdachte wordt de kans op herhaling zeer groot geacht. Verdachte is vanwege de kenmerken van zijn persoonlijkheidsstoornis welhaast aangewezen op relaties met jonge, kwetsbare jongens, omdat deze stoornis hem sterk beperkt in het aangaan en bestendigen van relaties met volwassen, gelijkwaardige partners. Ook gestructureerde klinische risicotaxatie levert een indicatie op voor een hoge kans op recidive van seksueel ongeoorloofd gedrag op korte of middellange termijn, mocht verdachte zonder professionele steun en toezicht buiten de maatschappij komen te verblijven. Verdachte heeft langdurige behandeling nodig om gedragsalternatieven aan te leren en om zodanig te profiteren van behandeling dat het recidivegevaar vermindert.

Het advies van de deskundigen is om, gelet op de ernst en aard van de pathologie, de grote kans op recidive en de ernst en veelheid van de aan hem telastegelegde feiten, aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen. De rechtbank zal dit advies volgen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, bij wie tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens bestond, ter beschikking dient te worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege, aangezien de door verdachte begane feiten misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel met dat bevel eist, waarbij de rechtbank mede in aanmerking heeft genomen de ernst van de begane feiten en de voorafgegane veroordeling wegens soortgelijke misdrijven.

Gelet op de bewezenverklaring wordt de maatregel opgelegd ter zake van misdrijven die zijn gericht tegen en gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

De raadsman van verdachte heeft de rechtbank verzocht om uitvoering te geven aan het bepaalde in artikel 37b, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht en in het vonnis een advies op te nemen omtrent het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege dient aan te vangen.

De officier van justitie heeft aangegeven dat wat haar betreft de maatregel van terbeschikkingstelling pas een aanvang neemt, nadat verdachte de op te leggen gevangenisstraf heeft uitgezeten.

De rechtbank overweegt dat de overplaatsing naar een tbs-kliniek van een veroordeelde tot gevangenisstraf die tevens de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege is opgelegd ingevolge artikel 42, eerste lid van de Penitentiaire Maatregel in beginsel geschiedt nadat eenderde van de opgelegde vrijheidsstraf ten uitvoer is gelegd. De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige zaak geen aanknopingspunten bevat op grond waarvan zou moeten worden afgeweken van deze gebruikelijke gang van zaken. Derhalve zal de rechtbank geen gebruik maken van genoemde adviesmogelijkheid.

Verbeurdverklaring

Het inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- 1.00 STK Boot, motorboot, woonboot, genaamd “180 graden”,

dat aan verdachte toebehoort, dient te worden verbeurd verklaard en is daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van dat voorwerp het bewezen geachte is begaan.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

I.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de [benadeelde partij1] van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in zaak A onder 1 primair bewezen geachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1500,--. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [benadeelde partij1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

II.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de l[benadeelde partij2] van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in zaak A onder 2 primair bewezen geachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 2500,--. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [benadeelde partij2] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

III.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de [benadeelde partij3] van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in zaak A onder 3 primair bewezen geachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 5111,40. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [benadeelde partij3] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

IV.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de [benadeelde partij4] van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in zaak B onder 1 primair bewezen geachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 680,--. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [benadeelde partij4] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

V.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de [benadeelde partij5] van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in zaak B onder 3 primair bewezen geachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3200,--. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [benadeelde partij5] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

VI.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de [benadeelde partij6] van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in zaak B onder 4 subsidiair bewezen geachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3290,--. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [benadeelde partij6] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 37a, 37b, 57, 243, 244, 245 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ter zake van het in zaak A onder 5A primair en meer subsidiair en 5B primair en subsidiair telastegelegde.

Verklaart het in zaak A onder 5A subsidiair en in zaak B onder 4 primair en 5 primair telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en

4 primair en in zaak B onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 subsidiair, 5 subsidiair en 6 telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het in zaak A onder 1 primair bewezen verklaarde:

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het in zaak A onder 2 primair bewezen verklaarde:

Met iemand van wie hij weet dat hij aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt dat hij onvolkomen in staat is zijn wil daaromtrent kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het in zaak A onder 3 primair bewezen verklaarde:

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit en mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het in zaak A onder 4 primair bewezen verklaarde:

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit en mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

en/of

Met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit en mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het in zaak B onder 1 primair en 3 primair bewezen verklaarde:

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

en/of

Met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het in zaak B onder 2 primair bewezen verklaarde:

Met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit en mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het in zaak B onder 4 subsidiair, 5 subsidiair en 6 bewezen verklaarde:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast dat verdachte ter beschikking gesteld zal worden en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Verklaart verbeurd:

- 1.00 STK Boot, motorboot, woonboot, genaamd “180 graden”

I.

Wijst de vordering van de [benadeelde partij1], wonende op het [adres] toe tot een bedrag van € 1500,-- (vijftienhonderd euro).

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij1] voornoemd het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de [benadeelde partij1], te betalen de som van € 1500,-- (vijftienhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

II.

Wijst de vordering van de [benadeelde partij2], wonende op het [adres] toe tot een bedrag van € 2500,-- (tweeduizendvijfhonderd euro).

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij2] voornoemd het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de [benadeelde partij2], te betalen de som van € 2500,-- (tweeduizendvijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 50 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

III.

Wijst de vordering van de [benadeelde partij3], wonende op het [adres] toe tot een bedrag van € 5111,40 (vijfduizendhonderdelf euro en veertig eurocent).

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij3] voornoemd het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de [benadeelde partij3], te betalen de som van € 5111,40 (vijfduizendhonderdelf euro en veertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 102 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

IV.

Wijst de vordering van de [benadeelde partij4], wonende op het [adres] toe tot een bedrag van € 680,-- (zeshonderdtachtig euro).

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij4] voornoemd het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de [benadeelde partij4], te betalen de som van € 680,-- (zeshonderdtachtig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 13 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

V.

Wijst de vordering van de [benadeelde partij5], wonende op het [adres] toe tot een bedrag van € 3200,-- (drieduizendtweehonderd euro).

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij5] voornoemd het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de [benadeelde partij5], te betalen de som van € 3200,-- (drieduizendtweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 64 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

VI.

Wijst de vordering van de [benadeelde partij6], wonende op het [adres] toe tot een bedrag van € 3290,-- (drieduizendtweehonderdnegentig euro).

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij6] voornoemd het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de [benadeelde partij6], te betalen de som van € 3290,-- (drieduizendtweehonderdnegentig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 65 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M. van Dijk, voorzitter,

mrs. A.M.F. Huigen en A.I. van der Kris, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.M. van den Hout-Wilbers, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 juli 2006.