Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:AY4310

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-07-2006
Datum publicatie
19-07-2006
Zaaknummer
13/523057-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren wegens doodslag op de man die hem jarenlang seksueel heeft misbruikt. Bij het bepalen van de straf is in het bijzonder rekening gehouden met de aan de doodslag voorafgegane geschiedenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummers: 13/523057-06

13/467250-05 (TUL)

Datum uitspraak: 04 juli 2006

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres],

gedetineerd in het Huis van Bewaring "Lelystad" te Lelystad.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 juni 2006.

1. Telastelegging.

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage aan dit vonnis is gehecht. De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen.

...

3. Waardering van het bewijs.

3.1. Bewezenverklaring.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte,

ten aanzien van het onder 1. telastegelegde,

op 25 februari 2006 te Weesp, in een woning aan de [adres slachtoffer], opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen met kracht met een gitaar en een ijzeren pijp op het hoofd van voornoemde [slachtoffer] geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

3.2. Vrijspraak van het onder 2. telastegelegde.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 2. is telastegelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Niet kan worden bewezenverklaard dat verdachte het in de telastelegging genoemde geldbedrag heeft weggenomen. De officier van justitie heeft ten aanzien hiervan dan ook vrijspraak gevorderd. Ten aanzien van de overige voorwerpen acht de rechtbank niet aannemelijk dat verdachte deze heeft weggenomen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. Verdachte nam de sleutelbos mee om zichzelf te bevrijden uit de woning. De camera nam hij mee om, zoals verdachte verklaarde, het slachtoffer in zijn hart te raken. Ook van de mobiele telefoon kan niet gezegd worden dat verdachte deze zichzelf wilde toe-eigenen. Die telefoon heeft verdachte immers weggegooid.

4. Het bewijs.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. Nadere bewijsoverweging ten aanzien van het opzet op de dood van het slachtoffer.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat zijn cliënt niet het opzet had om het slachtoffer van het leven te beroven.

De rechtbank overweegt omtrent het opzet van verdachte op de dood van het slachtoffer het volgende.

Gelet op de verklaringen van verdachte bij de politie en ter terechtzitting, alsmede op de verdere inhoud van het dossier, acht de rechtbank niet aannemelijk dat verdachte de intentie had het slachtoffer daadwerkelijk te doden. Door echter met een elektrische gitaar en met een ijzeren pijp meermalen met kracht op het hoofd van het slachtoffer te slaan, heeft verdachte zich willens en wetens aan de aanmerkelijke kans blootgesteld dat het slachtoffer dodelijk letsel zou oplopen. Verdachte heeft die kans ook aanvaard en op de koop toe genomen.

6. De strafbaarheid van het feit.

Het bewezengeachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straf.

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1. en 2. bewezengeachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren, met aftrek van voorarrest.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft [slachtoffer] met een elektrische gitaar en met een ijzeren pijp op zijn hoofd geslagen, tengevolge waarvan [slachtoffer] is overleden. Doodslag is één van de ernstigste delicten uit het Wetboek van Strafrecht. Het benemen van een anders leven is een onomkeerbaar misdrijf. [slachtoffer] is doodgeslagen op 37-jarige leeftijd en had aldus nog een heel leven voor zich. Dat heeft verdachte hem ontnomen. Verdachte heeft bovendien bij de nabestaanden van het slachtoffer groot verdriet veroorzaakt. Hiernaast heeft een misdrijf als het onderhavige een voor de rechtsorde schokkend karakter en brengt het bij de burgers gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

Aan deze doodslag is echter een geschiedenis voorafgegaan, waarmee de rechtbank in de straftoemeting in het bijzonder rekening houdt. Deze geschiedenis komt naar voren uit het Pro Justitia rapport van 27 april 2006 van de psycholoog drs. R. de Vries en uit de verdere inhoud van het dossier. Ook ter terechtzitting heeft verdachte op indrukwekkende wijze verteld wat er in de jaren voorafgaand aan de doodslag tussen hem en het slachtoffer heeft plaatsgevonden.

Verdachte leerde [slachtoffer] ongeveer 7 jaren geleden kennen. Hij was toen 14 jaren oud en [slachtoffer] was ongeveer 30 jaren oud. [slachtoffer] nodigde verdachte uit om bij hem thuis leuke dingen te komen doen. Verdachte ging daarop in en kreeg bij [slachtoffer] cola, pizza en snoep, hij mocht computerspelletjes spelen en internetten en ook nam [slachtoffer] verdachte mee naar het strand. Verdachte kwam vanaf toen dagelijks bij [slachtoffer].

Na ongeveer anderhalve maand begonnen van de kant van [slachtoffer] seksuele toenaderingen. [slachtoffer] bood verdachte geld aan om hem te mogen betasten en vroeg verdachte om hem tegen betaling te bevredigen. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat dit de techniek van [slachtoffer] was. Het vertrouwen van een kind winnen met cadeaus en een vriendschapsband opbouwen om daar later misbruik van te maken. Verdachte ontving geld en dure kleding om zichzelf in het bijzijn van [slachtoffer] af te trekken en liet zich meeslepen in de seksuele wensen van [slachtoffer].

Verdachte was nog jong en raakte zo verslaafd aan geld en cadeaus die hij van [slachtoffer] kreeg. Op de vraag waarom hij steeds terugkwam bij [slachtoffer] heeft verdachte ter terechtzitting geantwoord: 'Als kind weet je niet beter. Als iets elke dag gebeurt, dan denk je dat het normaal is. De deur stond altijd open, net of het hele huis van jou was. Je vindt de cadeautjes alleen maar leuk en je wilt als kind alleen maar hebben hebben hebben.'

Dit seksueel misbruik speelt zich gedurende enkele jaren dagelijks af. In 2001, verdachte is dan 16 jaren oud, wordt door andere minderjarigen jegens [slachtoffer] aangifte gedaan die door de politierechter in april 2004 wordt veroordeeld wegens ontucht met enkele minderjarige jongens, waaronder ook verdachte.

Ook na deze veroordeling komt verdachte bij [slachtoffer]. Dit doet hij voor het geld. Rond zijn achttiende jaar krijgt verdachte een vriendin en af en toe werk, waardoor hij minder vaak naar [slachtoffer] gaat. Vanaf dan komt verdachte eens in de 6 à 7 weken bij [slachtoffer], maar verdachte wil dan zelf geen seksuele handelingen meer doen. Hij gaat dan nog naar [slachtoffer] voornamelijk om te computeren.

Zo ook op de avond van de doodslag. [slachtoffer] is volgens verdachte dronken en laat verdachte binnen. Hij doet de deur op slot en verstopt de sleutel. Terwijl verdachte aan het computeren is, zoekt [slachtoffer] toenadering. Hij begint verdachte aan te raken en te strelen. Verdachte is daar niet van gediend en maakt dit een aantal malen duidelijk. [slachtoffer] gaat niettemin door. Hierop ontstaat een handgemeen, duw- en trekwerk, waarin bij verdachte alles naar boven kwam en hij zichzelf op een gegeven moment niet meer onder controle heeft. Naar eigen zeggen pakte verdachte alles wat hij pakken kon en sloeg het slachtoffer overal en nergens.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij niet zichzelf was, dat hij in paniek was, dat hij niet weg kon en niet wist wat hij moest doen.

In zijn rapport concludeert de psycholoog dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar is en aldus niet heeft gehandeld vanuit een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Ook concludeert de psycholoog dat de psychoseksuele ontwikkeling van verdachte is verstoord door het langdurige pedoseksuele contact met [slachtoffer] en dat de woede bij verdachte ten tijde van het delict invoelbaar is. Die woede is het directe gevolg van een jarenlang verdrongen agressie en verklaarbaar vanuit het ongelijkwaardig pervers seksueel contact met de pedofiel [slachtoffer].

De rechtbank heeft bij de strafoplegging ook gelet op een verdachte betreffend Uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 15 maart 2006, waaruit blijkt dat verdachte zich niet eerder heeft schuldig gemaakt aan een geweldsdelict.

Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling.

Bij de stukken bevindt zich de op 27 maart 2006 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/467250-05, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 16 juni 2005 van de politierechter van de Rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 2 (twee) maanden, niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 (twee) jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Hoewel uit de verdere inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, is de rechtbank van oordeel, mede gelet op de vrijspraak van feit 2, dat gelet op het karakter van de onderhavige zaak, waarin het zwaartepunt ligt bij de doodslag in feit 1, aanleiding bestaat om de vordering tot tenuitvoerlegging van de officier van justitie af te wijzen.

9. Toepasselijk wettelijk voorschrift.

De op te leggen straf is gegrond op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing.

Verklaart het onder 2. telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1. telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.1. is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders onder 1. is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Doodslag.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/467250-05.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.C. Lauwaars, voorzitter,

mrs. L.C. Bachrach en M.J.M. Langeveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. Hirzalla, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 04 juli 2006.