Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2006:AY3892

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-07-2006
Datum publicatie
13-07-2006
Zaaknummer
AWB 06-177 BESLUI
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2007:BA5240, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ouders hebben een verstandelijk gehandicapte kind dat niet verbaal kan communiceren en problemen heeft met haar motoriek. Zij hebben hun kind aangemeld bij drie gewone scholen voor voortgezet onderwijs, omdat zij menen dat deze vorm van onderwijs beter is voor hun kind dan het speciaal onderwijs. De toelating is bij alle drie de scholen geweigerd. Daarbij hebben de scholen overwogen dat zij niet in staat zijn, ook niet met ondersteuning van een leerlinggebonden financiering en ondersteuning vanuit het (voortgezet) speciaal onderwijs, voldoende op de behoeften van het kind afgestemd kwalitatief goed onderwijs te bieden. Voorts moet er sprake moet zijn van een voor de leerling haalbaar niveau van het geboden onderwijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

meervoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 06/177 BESLUI

tussen:

[eisers], wonende te [woonplaats],

eisers,

en:

het Dagelijks Bestuur van het Stadsdeel Osdorp van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. L.M.E. Janssen.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 10 januari 2006 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 20 december 2005 (hierna aangeduid als: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 9 mei 2005.

Eisers zijn de ouders van de op [geboortedatum] 1991 geboren [dochter eisers] [dochter eisers] (verder: [dochter eisers]). [dochter eisers] heeft een verstandelijke handicap, kan niet verbaal communiceren en heeft problemen met haar motoriek. De Commissie voor de Indicatiestelling (CVI) heeft een zogenoemde indicatiestelling afgegeven, hetgeen betekent dat de ouders kunnen kiezen voor speciaal of regulier onderwijs. In het laatste geval kan de school aanspraak maken op extra middelen, de zogenoemde leerlinggebonden financiering (LGF).

Eisers hebben [dochter eisers] op 1 maart 2005 aangemeld bij het Calandlyceum (hierna: de school) voor het schooljaar 2005-2006. Dit is een school voor regulier voortgezet onderwijs. Bij besluit van 26 april 2005 heeft verweerder aan eisers meegedeeld dat [dochter eisers] niet geplaatst wordt. Het bezwaar tegen deze beslissing heeft verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hieraan is onder verwijzing naar het advies van de Adviescommissie Toelating en Begeleiding (hierna: ACTB) van 8 juli 2005 ten grondslag gelegd dat [dochter eisers] niet in staat is op het niveau van (een van de opleidingen van) de school een diploma te behalen en de school niet verplicht kan worden kinderen toe te laten, ten aanzien van wie elke voorwaarde voor het behalen van een diploma ontbreekt. De LGF-middelen zijn niet bedoeld om een leerling met een handicap toe te laten tot een voor die leerling onhaalbare vorm van onderwijs, aldus verweerder.

Eisers stellen dat verweerder de Kernprocedure niet ten grondslag mag leggen aan het besluit om [dochter eisers] al dan niet toe te laten. Voorts zijn eisers het niet eens met de voorwaarde dat een leerling de geschiktheid moet hebben voor het volgen van onderwijs aan de school, dat wil zeggen in staat moet zijn tot het behalen van een diploma. Eisers betogen dat [dochter eisers] haar eigen leerdoelen heeft, die niet gericht zijn op het behalen van een diploma. Als grief voeren eisers tevens aan dat verweerder in strijd met artikel 24 en 24a van de WVO niet in het schoolplan heeft neergelegd wat het beleid is voor LGF-leerlingen en de wijze waarop aan de zorg voor hun specifieke onderwijsbehoeften wordt vorm gegeven.

De rechtbank overweegt als volgt.

De grief van eisers dat verweerder de Kernprocedure, een convenant tussen de gemeente Amsterdam en de scholen voor voortgezet onderwijs in Amsterdam waarin de doorstroming van leerlingen van het basis- naar het voortgezet onderwijs wordt geregeld, niet mocht toepassen, faalt. Verweerder heeft in het bestreden besluit immers verklaard dat deze Kernprocedure ten onrechte aan het primaire besluit ten grondslag is gelegd.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) kunnen - voor zover hier van belang - bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor elke soort van scholen of voor afdelingen van scholen voorwaarden voor de toelating worden vastgesteld. Deze regels zijn neergelegd in het Inrichtingsbesluit WVO. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Inrichtingsbesluit - voor zover hier van belang - kan tot het eerste leerjaar van een school als leerling worden toegelaten degene die afkomstig is van een school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en aan het einde van het schooljaar de leeftijd van 14 jaar heeft bereikt. Niet in geschil is dat [dochter eisers] aan deze voorwaarden voldoet.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, van het Inrichtingsbesluit WVO beslist het bevoegd gezag over de toelating van leerlingen. Dit is een discretionaire bevoegdheid van verweerder. De wijze waarop verweerder van deze bevoegdheid gebruik maakt dient de rechtbank terughoudend te toetsen. De maatstaf bij deze toetsing is niet de eigen beoordeling door de rechtbank over toelating van [dochter eisers], maar de vraag of grond bestaat voor het oordeel dat verweerder niet kon weigeren [dochter eisers] op de school toe te laten. De rechtbank vindt voor dit standpunt steun in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 november 2005 (LJN: AU6238).

Zoals uit de gedingstukken, waaronder de rapporten van de Indicatiecommissie “Gewoon Anders” van september 2001 en november 2004, het verslag van het onderzoek door CVI van 4 februari 2005 en het advies van de GZ-psycholoog van 21 mei 2005 blijkt, is [dochter eisers] zowel op cognitief, sociaal, emotioneel als motorisch gebied aanzienlijk gehandicapt. Dit wordt door eisers ook niet, althans niet voldoende onderbouwd, bestreden.

De rechtbank acht het aannemelijk dat de zwaarte van deze handicaps het onmogelijk maakt dat [dochter eisers] het niveau van het door deze school geboden onderwijs kan halen, en tevens dusdanig hoge eisen aan de begeleiding van en het onderwijs aan [dochter eisers] stelt, dat het bieden van op het niveau en de behoeften van [dochter eisers] afgestemd onderwijs in klassikaal verband illusoir is. Ook met de eventuele inzet van extra (LGF-)middelen is het bieden van zodanig onderwijs naar het oordeel van de rechtbank niet realistisch te noemen. Reeds om deze reden kon verweerder toelating van [dochter eisers] op de school weigeren.

De omstandigheid dat [dochter eisers] haar eigen leerdoelen heeft doet daar niet aan af.

Ten aanzien van eisers stelling dat verweerder heeft nagelaten in het schoolplan beleid ten aanzien van LGF-leerlingen te formuleren, overweegt de rechtbank dat deze formele grief, wat daar ook verder van zij, niet kan leiden tot een voor [dochter eisers] gunstige beslissing.

Bovenstaand overziend is de rechtbank van oordeel dat er geen grond is voor het oordeel dat verweerder de toelating tot het onderwijs niet kon weigeren. Het beroep is dan ook ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Gewezen door mr. H.P. Kijlstra, voorzitter, mr. R.W.L. Koopmans en mr. L.H. Waller, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H. van Hoeven, griffier,

openbaar gemaakt op:

de griffier de voorzitter

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: B